Hoge Raad laat veroordeling De Mos wegens schending geheimhoudingsplicht blijft in standin stand
/Hoge Raad 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:32
Op 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de strafzaak tegen voormalig wethouder van Den Haag Richard de Mos. De uitspraak maakt een einde aan een langlopend traject dat begon met een integrale vrijspraak door de rechtbank, gevolgd door een (kleine) veroordeling in hoger beroep, namelijk enkel voor schending van zijn geheimhoudingsplicht en uiteindelijk nu de bevestiging van die veroordeling in cassatie.
Achtergrond
De verdachte was in 2017 raadslid in de gemeenteraad van Den Haag en trad op 7 juni 2018 toe tot het college van burgemeester en wethouders. Het Openbaar Ministerie vervolgde hem en een medeverdachte (eveneens oud-wethouder) onder meer voor schending van het ambtsgeheim. De rechtbank sprak de verdachte aanvankelijk vrij, maar het gerechtshof kwam in hoger beroep tot een andere conclusie.
Het hof stelde vast dat de verdachte op 26 juni 2018 een interne ambtelijke e-mail had ontvangen van een adviseur Concerncontrol van de gemeente Den Haag. De e-mail had als onderwerp “afspraken wethouders [naam 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding Spuikwartier” en bevatte bestuurlijke afspraken over de financiële dekking van een uitbreiding van het Onderwijs- en Cultuurcomplex (OCC) met €20 miljoen. De inhoud maakte deel uit van de voorbereiding op een raadsvoorstel dat nog door het college van B&W moest worden vastgesteld. De informatie bevond zich dus in de fase van interne beleidsvoorbereiding.
Op 1 juli 2018 stuurde de verdachte deze vertrouwelijke e-mail door aan een persoon die geen enkele formele rol had binnen de gemeente of bij het OCC-project, maar uitsluitend fungeerde als partijpolitiek klankbord binnen de politieke partij van de verdachte. Volgens het hof had de verdachte daarmee zijn geheimhoudingsverplichting geschonden. De andere oud-wethouder die in dezelfde zaak werd vervolgd, stelde geen cassatie in; zijn veroordeling is onherroepelijk.
Cassatieklachten
De Mos stelde cassatie in bij de Hoge Raad en voerde daartoe twee middelen aan. In het eerste cassatiemiddel, dat uit drie deelklachten bestond, werd betoogd dat het hof ten onrechte had aangenomen dat sprake was van “enig geheim” in de zin van artikel 272 Sr. De verdediging stelde dat geheimhouding slechts aan de orde kon zijn indien deze uitdrukkelijk berustte op een wettelijke bepaling, zoals artikel 10 van de (oude) Wet openbaarheid van bestuur in samenhang met de Gemeentewet. Ook werd betoogd dat De Mos niet wist of hoefde te vermoeden dat de e-mail geheime informatie bevatte, en dat hij geen (voorwaardelijk) opzet had op de schending van het ambtsgeheim.
Het tweede middel zag op een beroep op overmacht in de vorm van een noodtoestand. Volgens de verdediging was het delen van de informatie noodzakelijk gezien de grote politieke en financiële belangen, en handelde de verdachte uit het belang van zorgvuldige besluitvorming en in het belang van de stad Den Haag. Volgens het hof was dit beroep onvoldoende onderbouwd en wees het dit verweer af.
Advies AG
Op 4 november 2025 concludeerde de advocaat-generaal tot verwerping van het cassatieberoep. Ten aanzien van het eerste middel stelde hij dat het hof terecht had aangenomen dat een geheimhoudingsverplichting ook uit het ambt van wethouder kan voortvloeien, zonder dat een afzonderlijk besluit van het college vereist is.
Voor het tweede middel oordeelde de AG dat het hof zonder nadere motivering kon oordelen dat de gestelde omstandigheden — grote financiële belangen, politieke gevoeligheid en interne twijfel aan de besluitvorming — evenzeer pleitten voor geheimhouding en geen uitzonderlijke situatie opleverden die een noodtoestand rechtvaardigde.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. Voor wat betreft het eerste cassatiemiddel overweegt de Hoge Raad dat informatie ‘enig geheim’ kan zijn wanneer deze bestemd is om niet bekend te worden, tenzij door daartoe bevoegde personen. De aard van de informatie, het moment van verkrijgen en de hoedanigheid van de betrokkene zijn hierbij relevant. De stelling van de verdediging dat geheimhouding slechts kan voortvloeien uit een wettelijke bepaling acht de Hoge Raad onjuist. Een geheimhoudingsverplichting kan ook voortvloeien uit het ambt of beroep zelf, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis.
Het hof kon volgens de Hoge Raad aannemen dat de verdachte wist dat het conceptraadsvoorstel op 3 juli 2018 in een besloten collegevergadering zou worden besproken en dat het prijsgeven van de inhoud vóór die vergadering de mogelijkheid tot geheimverklaring feitelijk zou ondermijnen. Dat artikel 19 van de Gemeentewet in beginsel openbaarheid voorschrijft, doet daaraan niet af, nu het hier een conceptraadsvoorstel betrof dat daar niet onder valt. Ook over het opzet oordeelt de Hoge Raad dat het hof toereikend gemotiveerd heeft vastgesteld dat de verdachte bewust het risico heeft aanvaard dat hij zijn ambtsgeheim schond.
Ten aanzien van het tweede middel — het beroep op noodtoestand — volstaat de Hoge Raad met een verkorte motivering ex artikel 81 lid 1 Wet RO. Daarmee wordt ook dit middel verworpen.
Slot
Met de uitspraak van de Hoge Raad is de veroordeling van De Mos voor schending van zijn ambtsgeheim definitief geworden. De strafzaak onderstreept het belang van vertrouwelijkheid in het bestuurlijke besluitvormingsproces, en bevestigt dat ook zonder formeel geheimhoudingsbesluit een ambtenaar of bestuurder gehouden kan zijn tot geheimhouding op grond van zijn ambt.
Lees hier de volledige uitspraak.
