Bestuurlijke boete voor vleeskuikenbedrijf wegens vleugelbeknellingen bij kuikentransport en matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn

College van Beroep voor het bedrijfsleven 29 september 2026, ECLI:NL:CBB:2026:472

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven beoordeelt in hoger beroep een bestuurlijke boete van € 1.500 die aan een vleeskuikenbedrijf is opgelegd wegens overtreding van artikel 3 van de Transportverordening. Een toezichthoudend dierenarts van de NVWA ziet op het terrein van een slachthuis zeven kuikens die met een vleugel bekneld zitten in transportcontainers. Het bedrijf voert aan dat de beknellingen ook kunnen zijn veroorzaakt door de shovelmachinist, de vrachtwagenchauffeur of beschadigde containers. Het College oordeelt dat het verbod zich richt tot alle bij het vervoer betrokken partijen, die ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben. De hogerberoepsgrond slaagt niet en de overtreding kan het bedrijf worden verweten. Wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar matigt het College de boete ambtshalve met 15 procent tot € 1.275.

Inleiding en context

De appellante is een vennootschap onder firma die een vleeskuikenbedrijf exploiteert. Op 16 februari 2021 inspecteert een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het buitenterrein van een slachthuis. Daar staat een vrachtwagen met transportcontainers met kuikens van de vennootschap. In de drie onderste lagen zitten drie kuikens met een vleugel bekneld tussen de lade en het frame erboven, in de bovenste lagen nog vier. De beknellingen zitten aan de buitenzijde van de containers en zijn van een afstand zichtbaar. Bij besluit van 5 november 2021 legt de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur een boete van € 1.500 op, die hij bij besluit op bezwaar van 24 februari 2022 handhaaft. De rechtbank Rotterdam verklaart het beroep op 22 december 2023 ongegrond (ECLI:NL:RBROT:2023:12440). De vennootschap stelt hoger beroep in, dat de enkelvoudige kamer van het College behandelt.

Overtreding en wettelijk kader

De vennootschap wordt verweten dat zij artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren overtreedt, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening). Deze bepalingen verbieden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

Standpunt van de staatssecretaris

De staatssecretaris geeft in hoger beroep een schriftelijke uiteenzetting. Hij stelt dat ruw rijgedrag van de chauffeur de vleugelbeknellingen niet kan hebben veroorzaakt. De containers zijn met haarpinnen vastgezet en het gewicht van de bovenliggende containers, ongeveer 80 kilogram per geladen container, voorkomt dat zij tijdens het transport bewegen. Wat de staatssecretaris voor het overige aanvoert, blijkt niet uit de uitspraak.

Standpunt van de vennootschap

De vennootschap voert één hogerberoepsgrond aan: zij is niet verantwoordelijk voor de overtreding en haar kan daarvan geen verwijt worden gemaakt. De beknellingen kunnen volgens haar ook zijn ontstaan doordat de shovelmachinist de containers te ruw uit de stal heeft gereden of doordat de chauffeur onderweg te hard over een verkeersdrempel of rotonde is gereden. Een kuiken spreidt zijn vleugels als de container omhoog zwiept. Ook zijn de beknellingen volgens haar ontstaan doordat containers beschadigd waren. Over deze omstandigheden heeft zij naar eigen zeggen geen controle. Een verzoek tot matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn doet zij niet.

Oordeel College

Het College verwerpt het betoog. Met de rechtbank stelt het voorop dat het verbod is gericht aan alle bij het vervoeren en laten vervoeren betrokken partijen, die ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben. In deze zaak zijn dat de vennootschap, de vangploeg en de vervoerder. Dat de vangploeg en de chauffeur ook verplichtingen hebben en mogelijk steken hebben laten vallen, betekent op zichzelf niet dat de vennootschap het voorschrift niet heeft overtreden of dat haar een verminderd verwijt treft.

Het laden door de shovelmachinist valt onder de verantwoordelijkheid van de vennootschap. Zij kon hem instrueren voorzichtiger te laden en het lag op haar weg de containers buiten de stal, op de plaats van vertrek, te controleren (vgl. College van Beroep voor het bedrijfsleven 29 augustus 2023, ECLI:NL:CBB:2023:457, onder 6.1). Daarbij weegt mee dat de beknellingen zichtbaar aan de buitenzijde zaten. Over het rijgedrag volgt het College de staatssecretaris, omdat de vennootschap onvoldoende tegen diens stelling inbrengt. Over de containers onderschrijft het College de overweging van de rechtbank. Op foto's bij het rapport van bevindingen zijn enkele beschadigde of verbogen containers te zien, maar de vennootschap maakt niet aannemelijk dat de vleugels daardoor beklemd zijn geraakt. Op foto's 3 en 5 zijn bovendien beknellingen te zien zonder zichtbare beschadiging van de container.

Vastgestelde overtreding

  • Het vervoeren of laten vervoeren van kuikens op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent (artikel 6.2, eerste lid, Wet dieren in samenhang met artikel 4.8 Regeling houders van dieren en artikel 3 Transportverordening). De overtreding kan de vennootschap worden verweten.

Boeteoplegging en proceskosten

Het College beoordeelt in boetezaken ambtshalve of de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden. Voor een procedure in drie instanties geldt als uitgangspunt een termijn van vier jaar: een jaar voor de bestuurlijke fase, een jaar voor het beroep en twee jaar voor het hoger beroep. De termijn vangt aan op 23 september 2021, de datum van het boetevoornemen, en is op de dag van de uitspraak met ruim een jaar overschreden. Die overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Bij een overschrijding van meer dan twaalf maanden handelt het College naar bevind van zaken. Het matigt de boete met 15 procent tot € 1.275.

Het College vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar voor zover het de hoogte van de boete betreft, herroept het boetebesluit in zoverre en bevestigt de uitspraak voor het overige. Proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de vennootschap niet om matiging heeft verzocht. De staatssecretaris vergoedt het griffierecht in beroep van € 365 en de griffier betaalt het griffierecht in hoger beroep van € 559 terug.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^