Hoge Raad vernietigt toewijzing van de vordering van de benadeelde partij wegens gederfd levensonderhoud en kosten van een fiscalist na moord op een zakenpartner
/Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1752
De Hoge Raad vernietigt in een zaak over moord op een zakenpartner de beslissing van het gerechtshof Den Haag over de vordering van de echtgenote van het slachtoffer, voor zover die ziet op gederfd levensonderhoud en op kosten van een fiscalist, en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel. Het hof wijst na een eerdere terugwijzing door de Hoge Raad € 278.345 aan gederfd levensonderhoud toe en gaat er daarbij van uit dat het slachtoffer tot zijn pensioen, nog twaalf jaar, jaarlijks hetzelfde inkomen uit zijn onderneming zou hebben gehaald als in het jaar voor zijn overlijden. De verdediging betwist dat uitgangspunt met een beroep op de verliezen van de onderneming, een dalende omzetprognose en de gevolgen van ontwikkelingen op het gebied van AI voor de vertaalbranche. De Hoge Raad herhaalt zijn overwegingen uit HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8781 en overweegt dat het aankomt op wat redelijkerwijs te verwachten is over toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot het inkomen dat het slachtoffer bij zijn overlijden genoot. Gelet op wat de verdediging over die onzekere factoren heeft aangevoerd, is het oordeel van het hof over de gederfde inkomsten ontoereikend gemotiveerd. Ook de toewijzing van € 6.221,23 als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW is niet zonder meer begrijpelijk, zodat de Hoge Raad de zaak in zoverre naar het gerechtshof Amsterdam verwijst.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1960. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt hem op 21 april 2022 wegens moord, artikel 289 Sr, op 3 augustus 2018 op zijn zakenpartner. Volgens de conclusie van de advocaat-generaal legt het hof daarvoor een gevangenisstraf van 17 jaren op, met aftrek van voorarrest. De tenlastelegging en de bewezenverklaring blijken niet uit de aangeleverde uitspraak. Het hof wijst daarnaast de vordering van de benadeelde partij, de echtgenote van het slachtoffer, toe, onder meer tot € 339.345 voor gederfd levensonderhoud, en legt een schadevergoedingsmaatregel op.
Bij arrest van 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644 vernietigt de Hoge Raad die uitspraak onder meer wat betreft de beslissing op deze vordering en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof Den Haag. Volgens de conclusie vermindert de Hoge Raad toen ook de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase; de duur na vermindering blijkt niet uit de aangeleverde stukken. Na terugwijzing wijst het hof de vordering bij arrest van 14 mei 2025 gedeeltelijk toe, tot € 302.448,83, waarvan € 278.345 voor gederfd levensonderhoud en € 6.221,23 voor “kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur”, en legt het opnieuw een schadevergoedingsmaatregel op.
De vordering wegens gederfd levensonderhoud berust op een berekening van een fiscalist volgens de Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade. Die berekening neemt tot uitgangspunt dat het slachtoffer tot zijn pensioen in 2030 jaarlijks via zijn holding hetzelfde inkomen uit de gezamenlijke vertaalonderneming van hem en de verdachte zou hebben ontvangen als in het jaar voor zijn overlijden. De verdediging voert primair aan dat de benadeelde partij in deze post niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering leunt op onzekere factoren die nader deskundigenonderzoek vergen. Het hof verwerpt dat verweer. Het overweegt dat uitgebreid partijdebat in twee termijnen heeft plaatsgevonden, dat de jaarrekeningen van de onderneming ook in het domein van de verdachte liggen en dat de verdediging het aanbod om vragen aan de fiscalist van de benadeelde partij te stellen niet heeft benut.
Inhoudelijk oordeelt het hof dat de slechtere resultaten in 2016 en 2017 niet de verwachting meebrengen dat de onderneming vóór 2030 failliet zou gaan of de salarissen niet meer zou kunnen uitkeren. Het betrekt daarbij verklaringen van de verdachte, de benadeelde partij en de belastingconsulent van de onderneming, die zich optimistisch tonen over de levensvatbaarheid, het specialistische karakter van het vertaalwerk en de omstandigheid dat de berekening ziet op een relatief beperkte periode van twaalf jaar. Wegens inkomsten uit een B&B en de AOW-uitkering voor een alleenstaande brengt het hof met toepassing van artikel 6:97 BW schattenderwijs € 11.000 en € 50.000 in mindering. De kosten van de fiscalist wijst het hof toe als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte stellen de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes drie cassatiemiddelen voor.
Het eerste middel klaagt onder meer over de toewijzing van de vordering tot vergoeding van materiële schade wegens gederfd levensonderhoud en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Het tweede middel komt in het arrest niet afzonderlijk aan bod; de inhoud ervan blijkt niet uit de uitspraak.
Het derde middel klaagt over de toewijzing van de post “kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat die kosten volgens de eigen toelichting van de benadeelde partij grotendeels zien op het opmaken van jaarrekeningen en het verzorgen van aangiften inkomstenbelasting en erfbelasting, en dat niet blijkt hoeveel tijd de fiscalist aan de berekening van het gederfde levensonderhoud heeft besteed.
Namens de benadeelde partij dient de advocaat P.G.J.M. Boonen een verweerschrift in. De advocaat-generaal Paridaens concludeert tot vernietiging, uitsluitend voor zover de vordering is toegewezen tot € 302.448,83 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, en wat betreft de duur van de gijzeling, tot bepaling dat het toegewezen bedrag en de maatregel € 296.227,60 bedragen met een gijzeling van ten hoogste 350 dagen, tot terugwijzing ten aanzien van de post van € 6.221,23 en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadslieden van de verdachte reageren daarop schriftelijk.
Beoordeling Hoge Raad
Eerste middel. In rechtsoverweging 3.3.1 herhaalt de Hoge Raad zijn overwegingen uit HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8781. Wie aansprakelijk is voor een gebeurtenis waardoor iemand overlijdt, is op grond van artikel 6:108 lid 1, aanhef en onder a, BW verplicht onder anderen de achterblijvende echtgenoot de schade door het derven van levensonderhoud te vergoeden. Die verplichting heeft een gemengd karakter. De omvang wordt bepaald door de bijdrage die de overledene zou hebben geleverd te vergelijken met de positie waarin de nabestaande daadwerkelijk is komen te verkeren, uitgaande van wat de overledene feitelijk placht te verstrekken en met verdiscontering van de wijzigingen die op het moment van overlijden redelijkerwijs waren te verwachten. Daarnaast heeft de verplichting een alimentatierechtelijk karakter, zodat de nabestaande slechts een vordering heeft voor zover bij haar sprake is van behoeftigheid.
In rechtsoverweging 3.3.2 overweegt de Hoge Raad dat het, bij een vordering van de echtgenote van het slachtoffer, voor de vraag welk inkomen het slachtoffer zonder zijn overlijden in de toekomst zou hebben verdiend, aankomt op wat redelijkerwijs te verwachten is over toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot het inkomen zoals het slachtoffer dat op het moment van zijn overlijden genoot.
In rechtsoverweging 3.4.1 stelt de Hoge Raad vast dat de berekening uitgaat van een jaarlijks gelijkblijvend inkomen uit de onderneming gedurende twaalf jaren. De verdediging heeft dat betwist met een beroep op onder meer (i) de verliezen van de onderneming in de jaren voor het overlijden, (ii) de omzetprognose over 2018, die een daling liet zien, en (iii) de ontwikkelingen op AI-gebied, die de omzetprognose verder zouden hebben verslechterd, en heeft betoogd dat nader onderzoek naar de levensvatbaarheid van de onderneming nodig is. Het hof heeft volgens rechtsoverweging 3.4.2 in aanmerking genomen dat het gaat om een relatief beperkte periode van twaalf jaar en dat de verdachte, de benadeelde partij en de belastingconsulent zich optimistisch hebben getoond over de levensvatbaarheid. Daarmee is het oordeel over de gederfde inkomsten uit de onderneming ontoereikend gemotiveerd, gelet op wat de verdediging heeft aangevoerd over meerdere onzekere factoren ten aanzien van de stabiliteit van de inkomsten over de volledige periode van twaalf jaren. Het daarop voortbouwende oordeel dat de vordering toewijsbaar is tot € 278.345 is niet zonder meer begrijpelijk. Het middel slaagt in zoverre. In rechtsoverweging 3.5 overweegt de Hoge Raad dat daarom ook de oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr niet in stand kan blijven, met verwijzing naar HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901.
Derde middel. De Hoge Raad geeft in rechtsoverweging 4.3.1 artikel 6:96 lid 1 en 2 BW weer. In rechtsoverweging 4.3.2 overweegt hij dat kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking komen voor zover (i) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging van de verdachte en de kosten, (ii) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de verdachte kunnen worden toegerekend, (iii) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen en (iv) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn, met verwijzing naar HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1681, rechtsoverweging 3.6.1. Het oordeel van het hof dat het om zulke kosten gaat, is volgens rechtsoverweging 4.4 in het licht van de betwisting niet zonder meer begrijpelijk. Noch uit de omschrijving op de facturen, die steeds “Divers advies” vermelden, noch uit de toelichting van de benadeelde partij kan worden afgeleid dat het totaalbedrag zulke kosten betreft. Het middel is terecht voorgesteld, en ook daarom kan de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven (rechtsoverweging 4.5).
Gelet op de beslissing die volgt, acht de Hoge Raad bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot “gederfd levensonderhoud” en “kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Hoge Raad: cassatieklachten verdachten over vorderingen tot schadevergoeding in ‘Mallorca-zaak’ slagen deels, 8 juli 2025
Advies AG aan Hoge Raad: vorderingen tot schadevergoeding in ‘Mallorca-zaak’ moeten deels opnieuw worden behandeld, 24 april 2025
Hoge Raad verduidelijkt wanneer advocaatkosten als vermogensschade gelden, 25 november 2025
