Misbruik van functie in het Nederlandse strafrecht
/Op het Anti-Corruptie Congres 2026 van de BijzonderStrafrecht Academie, op donderdag 19 november 2026 in Den Haag, verzorgt Danielle Goudriaan, advocaat-partner bij Ivy Advocaten, een bijdrage over misbruik van functie in het Nederlandse strafrecht en wat de nieuwe EU-anticorruptierichtlijn op dat punt afdwingt. Het gaat om Richtlijn (EU) 2026/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2026 on combatting corruption, de EU-anticorruptierichtlijn, die het Kaderbesluit 2003/568/JBZ over corruptie in de private sector en het verdrag over corruptie van EG- en lidstaatambtenaren vervangt en de PIF-richtlijn (EU) 2017/1371 wijzigt. De richtlijn stelt minimumregels voor de omschrijving van corruptiedelicten en de bijbehorende straffen en maatregelen, en verplicht de lidstaten daarnaast tot preventieve maatregelen, waaronder een nationale anti-corruptiestrategie en een periodieke sectorale risicobeoordeling. Over ongeoorloofde beïnvloeding, de handel in invloed, is al veel geschreven; de bijdrage richt zich op het delict dat daarbij onderbelicht blijft, de onrechtmatige uitoefening van openbare functies van artikel 7 van de richtlijn, in Nederland vaak ambtsmisbruik genoemd. Deze blog beschrijft de hoofdlijnen van de richtlijn, de inhoud van artikel 7 en de vragen die de omzetting voor de Nederlandse wetgever oproept.
Richtlijn (EU) 2026/1021 in het kort
De richtlijn is gebaseerd op artikel 82, eerste lid, onder d, en artikel 83, eerste en tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, werd op 11 mei 2026 in het Publicatieblad gepubliceerd en trad op 31 mei 2026 in werking. Zij verplicht de lidstaten tot strafbaarstelling van actieve en passieve omkoping in de publieke sector (artikel 3) en in de private sector (artikel 4), verduistering van aan een overheidsfunctionaris toevertrouwd vermogen (artikel 5), handel in invloed (artikel 6), de onrechtmatige uitoefening van openbare functies (artikel 7), belemmering van de rechtsgang in corruptiezaken (artikel 8), verrijking uit corruptiedelicten (artikel 9) en verhulling van uit die delicten afkomstig vermogen (artikel 10), naast uitlokking, medeplichtigheid en poging (artikel 11).
Voor een deel van de delicten schrijft artikel 12 minimale strafmaxima voor: ten minste vijf jaar gevangenisstraf voor omkoping van een functionaris die in strijd met zijn plicht handelt, ten minste vier jaar voor verduistering, verrijking en verhulling, en ten minste drie jaar voor omkoping zonder plichtschending, omkoping in de private sector en handel in invloed. Daarnaast regelt de richtlijn de aansprakelijkheid van rechtspersonen, met boetes die worden afgestemd op de ernst van het feit en de omstandigheden van de rechtspersoon, en somt zij bijkomende straffen en maatregelen op, zoals uitsluiting van aanbestedingen en een tijdelijk verbod om een openbaar ambt te bekleden. De considerans vermeldt dat een oprecht en effectief compliance-programma als strafverzachtende omstandigheid kan worden betrokken, terwijl een programma dat alleen voor de vorm bestaat die verzachting niet rechtvaardigt. De omzettingstermijn verstrijkt voor het merendeel van de bepalingen op 1 juni 2028, met een jaar extra, tot 1 juni 2029, voor de nationale anti-corruptiestrategie en de sectorale risicobeoordeling; Denemarken neemt niet aan de richtlijn deel.
Artikel 7: de onrechtmatige uitoefening van openbare functies
Artikel 7 verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat ten minste bepaalde ernstige schendingen van het recht, begaan door een overheidsfunctionaris bij het verrichten of nalaten van een handeling in de uitoefening van zijn functie, opzettelijk gepleegd, een strafbaar feit vormen. De lidstaten mogen de toepassing van het artikel beperken tot bepaalde categorieën overheidsfunctionarissen. De considerans noemt als voorbeelden van zulke ernstige schendingen de overtreding van voorschriften die vrije toegang en gelijke behandeling van gegadigden bij overheidsopdrachten waarborgen, en de bewuste onjuiste toepassing van het recht door rechters of arbiters. Bij het aanwijzen van de relevante schendingen kunnen de lidstaten volgens de considerans betekenis toekennen aan de vraag of de gedraging is begaan om een onrechtmatig voordeel voor de functionaris of een derde te verkrijgen, of om de rechtmatige rechten of belangen van een persoon te schaden.
Het begrip overheidsfunctionaris is in artikel 2 ruim gedefinieerd en omvat naast nationale, Unie- en buitenlandse ambtenaren ook iedere andere persoon die een publieke taak uitoefent, en, voor de toepassing van de omkopings- en beïnvloedingsdelicten, arbiters en juryleden. Anders dan voor omkoping, verduistering en handel in invloed schrijft artikel 12 voor de onrechtmatige uitoefening van openbare functies geen minimaal strafmaximum voor; voor dit delict geldt de algemene eis dat de straffen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De richtlijn laat de wetgever daarmee op twee punten ruimte: bij de afbakening van de ernstige schendingen en de categorieën functionarissen, en bij de sanctionering.
De vragen voor de Nederlandse wetgever
Volgens de congresomschrijving is misbruik van functie een geheel nieuw delict in het Nederlandse strafrecht. Het Wetboek van Strafrecht kent in de titel over ambtsmisdrijven afzonderlijke strafbaarstellingen, zoals ambtelijke omkoping en knevelarij, maar geen algemene strafbaarstelling van de onrechtmatige uitoefening van een openbare functie als zodanig. De omzetting dwingt de wetgever tot keuzes: welke ernstige schendingen van het recht onder de delictsomschrijving vallen, of de strafbaarstelling tot bepaalde categorieën functionarissen wordt beperkt, hoe het delict zich verhoudt tot de bestaande ambtsmisdrijven en tot het lex certa-beginsel, en welk strafmaximum passend is. De omzettingstermijn loopt tot 1 juni 2028; hoe de Nederlandse implementatie vorm krijgt, moet nog blijken.
De bijdrage op het Anti-Corruptie Congres 2026
In haar bijdrage laat Goudriaan zien wat de omzetting van de wetgever vraagt, welke keuzes en knelpunten daarbij spelen en waar de grens van strafbaarheid komt te liggen. Zij vertaalt het Europese kader naar wat advocatuur, opsporing en bedrijven er in de praktijk van gaan merken. Het congres vindt plaats op donderdag 19 november 2026 van 10.00 tot 17.00 uur in het centrum van Den Haag, nabij het Centraal Station, en behandelt daarnaast onder meer de schikkingspraktijk van het Openbaar Ministerie, de herijkte Amerikaanse FCPA-handhaving, corruptie als systeemfalen, persoonsverwisseling in de strafrechtketen en het meldklimaat binnen organisaties. Deelname is uitsluitend fysiek mogelijk en levert zes PO- en PE-punten op. Het volledige programma en de inschrijfmogelijkheid staan op de congrespagina.
Afsluiting
Richtlijn (EU) 2026/1021 harmoniseert de corruptiedelicten in de Europese Unie en verplicht Nederland onder meer tot strafbaarstelling van de onrechtmatige uitoefening van openbare functies, met ruimte voor de wetgever bij de afbakening van de ernstige schendingen, de kring van functionarissen en de strafbedreiging. De richtlijn trad op 31 mei 2026 in werking en moet voor het merendeel van de bepalingen uiterlijk 1 juni 2028 zijn omgezet, met een jaar extra voor de nationale anti-corruptiestrategie en de sectorale risicobeoordeling. Op 19 november 2026 bespreekt Danielle Goudriaan op het Anti-Corruptie Congres 2026 in Den Haag wat deze omzetting van de Nederlandse wetgever vraagt en wat de praktijk ervan gaat merken.
