Geen dubbele betaling: Hoge Raad over alternatieve vergoedingsplicht
/Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:77
De verdachte is veroordeeld voor oplichting en witwassen en moet ruim 3,1 miljoen euro aan schade vergoeden. Het hof vergat te vermelden dat de civiele schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel alternatief zijn. De Hoge Raad herstelt dit en voorkomt zo dat de verdachte dubbel zou moeten betalen. Ook stelde het hof hoofdelijkheid vast, maar vergat dit expliciet in het dictum te vermelden. De Hoge Raad ziet dit als een kennelijke misslag en leest hoofdelijkheid alsnog in het arrest. De straf wordt met één maand verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Achtergrond
De verdachte, geboren in 1982, is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 5 december 2023 veroordeeld wegens zijn rol in een grootschalige beleggingsfraude. Het hof acht bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1 primair en feit 2 eerste cumulatief/alternatief: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (artikel 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
feit 3: plegen en medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd (artikel 420bis lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht)
De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 41 maanden (met aftrek van het voorarrest) en tot ontzetting voor vijf jaren van het recht om het beroep van financieel dienstverlener of aanbieder van financiële producten of instrumenten uit te oefenen, zoals bedoeld in de Wet op het financieel toezicht.
Het hof heeft daarnaast geoordeeld over de civielrechtelijke aspecten van de strafzaak. Aan de verdachte is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten bedrage van € 3.148.734,60, ten behoeve van benadeelde partijen die zijn opgelicht. Tegelijkertijd heeft het hof de vorderingen van deze benadeelden toegewezen tot exact hetzelfde bedrag, waarbij het heeft bepaald dat de verdachte en zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor die schade.
Tegen deze beslissing is cassatie ingesteld.
Middel
In cassatie worden twee belangrijke klachten naar voren gebracht:
Het hof heeft nagelaten te bepalen dat er sprake is van een alternatieve vergoedingsplicht tussen de civielrechtelijke vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel. Daarmee wordt niet uitgesloten dat de verdachte tweemaal dezelfde schade zou moeten vergoeden.
Het hof heeft bij de schadevergoedingsmaatregel niet uitdrukkelijk vermeld dat deze hoofdelijk is opgelegd, terwijl dat wel in lijn zou zijn met de overwegingen in het arrest.
Beoordeling Hoge Raad
Middel 1 – alternatieve vergoedingsplicht
De Hoge Raad stelt vast dat het hof de verdachte heeft veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van € 3.148.734,60, zowel via de civiele vorderingen van de benadeelde partijen als via de schadevergoedingsmaatregel aan de Staat ten behoeve van dezelfde benadeelden. In zijn arrest heeft het hof echter ten onrechte niet opgenomen dat deze verplichtingen alternatief zijn.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:167) moet in zulke gevallen worden voorkomen dat de veroordeelde dubbel aansprakelijk wordt gehouden voor dezelfde schade. De verdachte moet worden geacht gekweten te zijn van zijn verplichting tot vergoeding aan de ene partij, zodra hij volledig aan de andere heeft voldaan. Dat betekent: betaling aan de Staat vervangt betaling aan de benadeelde, en omgekeerd.
Het hof heeft deze alternatieve verplichting niet geformuleerd, en daarmee heeft het een essentieel juridisch vereiste over het hoofd gezien. De Hoge Raad herstelt dit verzuim en bepaalt alsnog dat de civiele vorderingen en de schadevergoedingsmaatregel in alternatieve verhouding tot elkaar staan.
Middel 2 – hoofdelijkheid bij schadevergoedingsmaatregel
Het tweede middel richt zich op het feit dat het hof in het dictum van het arrest niet expliciet heeft vermeld dat de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk is opgelegd. De Hoge Raad stelt vast dat het hof elders in het arrest – bij de beoordeling van de civiele vorderingen – wel degelijk heeft bepaald dat de verdachte samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.
Gelet op de systematiek en bewoordingen van het arrest, begrijpt de Hoge Raad dat het hof ook heeft bedoeld om de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen. Het verzuim om dit expliciet in het dictum te vermelden kwalificeert de Hoge Raad als een kennelijke misslag.
Toch hoeft deze fout niet tot cassatie te leiden, omdat de bedoeling van het hof op dit punt voldoende duidelijk is. De Hoge Raad verstaat het arrest zodanig dat de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte hoofdelijk is opgelegd.
Herstel van kennelijke misslagen verdient voorkeur boven cassatie
De Hoge Raad grijpt deze zaak aan om te benadrukken dat kennelijk misslagen zoals deze – het niet vermelden van hoofdelijkheid in het dictum terwijl dat wel is bedoeld – bij uitstek geschikt zijn voor herstel door het hof zelf.
Het gaat immers om onmiddellijk kenbare fouten die zich lenen voor eenvoudig herstel door de rechters die de zaak eerder hebben behandeld. Deze herstelmogelijkheid – via een zogenoemd herstelarrest – is opgenomen in de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478).
De Hoge Raad spreekt de voorkeur uit voor deze herstelroute, omdat daarmee op korte termijn en op eenvoudige wijze duidelijkheid ontstaat over de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Indien in zulke gevallen zekerheidshalve toch cassatieberoep wordt ingesteld, kan dit beroep of het betreffende middel worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen. De Hoge Raad verwijst daarbij naar het arrest van 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:859.
Ambtshalve beoordeling – overschrijding redelijke termijn
Tot slot stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor afdoening in cassatie is overschreden. Het cassatieberoep is ingesteld op een moment dat inmiddels meer dan twee jaar is verstreken. Dit leidt tot een ambtshalve strafvermindering: de opgelegde gevangenisstraf van 41 maanden wordt verlaagd naar 40 maanden.
Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het hof, uitsluitend wat betreft:
het ontbreken van de alternatieve vergoedingsplicht
de duur van de gevangenisstraf
bepaalt dat de verdachte is gekweten van zijn verplichting aan de ene partij zodra hij aan de andere partij (de Staat of de benadeelde) heeft betaald, en omgekeerd
begrijpt het arrest van het hof zo dat de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk is opgelegd
vermindert de gevangenisstraf van 41 maanden naar 40 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn
verwerpt het cassatieberoep voor het overige
Deze uitspraak biedt belangrijke duidelijkheid over de verhouding tussen civiele schadevergoedingen en schadevergoedingsmaatregelen, en bevestigt het belang van zorgvuldige redactie in het dictum. Tegelijkertijd wijst de Hoge Raad op de waarde van herstelarresten als efficiënte route voor correctie van kennelijke fouten.
Lees hier de volledige uitspraak.
