Veroordeling voormalig Statenlid van Sint Maarten voor omkoping blijft in stand

Hoge Raad 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:46

De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van een voormalig Statenlid van Sint Maarten wegens passieve omkoping en belangenverstrengeling. De verdachte ontving als indirect aandeelhouder financieel voordeel uit een contract tussen een overheidsorgaan en een bedrijf waarin hij belang had. Hij verzweeg dit belang en ontving dividend via een constructie die zijn betrokkenheid moest verhullen. Het hof oordeelde dat hij als parlementariër toezicht had op het beleidsterrein van het contract. De Hoge Raad acht dit oordeel juridisch juist en voldoende gemotiveerd. Ook het financieel belang volstaat voor ‘deelneming’ aan de aanneming in de zin van de wet.

Achtergrond

In deze zaak staat een voormalig parlementslid van Sint Maarten terecht wegens passieve omkoping en het opzettelijk deelnemen aan aannemingen of leveranties waarover hem als ambtenaar (in de zin van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten) geheel of ten dele toezicht was opgedragen. De verdachte, oprichter en leider van de politieke partij United Sint Maarten Party (USP), is van 2010 tot 2021 lid van de Staten van Sint Maarten geweest en maakte deel uit van de vaste parlementaire commissie Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie (TEATT).

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft vastgesteld dat de verdachte samen met een zakenpartner via hun gezamenlijke vennootschap een aandelenbelang van 35% heeft verworven in een bedrijf dat in 2012, zonder openbare aanbesteding, een overheidscontract ontving voor het beheer van het nationale nummerplan van Sint Maarten. Het contract werd gesloten met Bureau Telecommunicatie en Post (BTP), een zelfstandige openbare rechtspersoon die onder verantwoordelijkheid van de minister van TEATT ressorteert.

De verdachte heeft zijn financiële belang in de betrokken vennootschap niet gemeld op het moment dat het contract werd gesloten. Vanaf 2014 is dividend uitgekeerd aan de verdachte via een constructie waarbij geprobeerd werd zijn aandeelhouderschap te verhullen. In 2015 bracht de Algemene Rekenkamer van Sint Maarten een kritisch rapport uit over de governance van BTP, waarin werd gewezen op tekortschietende verantwoordingsstructuren, waaronder het nalaten van parlementair toezicht. Desondanks heeft de verdachte als parlementslid geen actie ondernomen.

Het hof acht bewezen dat de verdachte:

  • steekpenningen heeft aangenomen in zijn hoedanigheid als Statenlid (passieve omkoping, art. 2:351 SrSM)

  • opzettelijk heeft deelgenomen aan een aanneming (contract met BTP) waarover hem als Statenlid ten dele toezicht was opgedragen (art. 2:361 SrSM)

Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 maanden met aftrek van voorarrest, en tot ontzetting van het kiesrecht voor de duur van vijf jaar.

Middel

Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van het tweede feit. De kernklachten zijn:

  1. dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat aan de verdachte als Statenlid het bestuur of toezicht was opgedragen over de betreffende aanneming (het contract tussen BTP en de betrokken vennootschap)

  2. dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat sprake was van "deelneming" aan die aanneming, nu de verdachte slechts een indirect financieel belang had

Volgens de verdediging is artikel 2:361 SrSM niet van toepassing omdat:

  • de verdachte geen formeel toezichthoudende bevoegdheid had over BTP

  • het enkel bezitten van aandelen in een bedrijf dat met de overheid contracteert niet voldoende is om te spreken van 'deelneming' in de zin van de strafbepaling

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep. De overwegingen van het hof over beide onderdelen worden in cassatie onderschreven.

Ad 1. Bestuur of toezicht opgedragen

De Hoge Raad bevestigt dat artikel 2:361 SrSM inhoudelijk overeenkomt met artikel 376 Sr (Nederland). Deze bepaling is bedoeld om belangenverstrengeling bij ambtenaren te voorkomen, met het oog op bescherming van de integriteit van het openbaar bestuur. Volgens vaste jurisprudentie kan een lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan als ambtenaar in de zin van deze bepaling worden aangemerkt.

De term "toezicht opgedragen" behoeft geen enge, formele interpretatie. Ook wanneer een ambtenaar niet rechtstreeks belast is met het toezicht op een contract, maar vanuit zijn parlementaire functie invloed kan uitoefenen op beleid en begroting, kan aan hem (ten dele) toezicht zijn opgedragen.

Het hof heeft op basis van de feiten terecht geoordeeld dat aan de verdachte als Statenlid en lid van de commissie TEATT toezicht en controle was opgedragen op de minister van TEATT en de onder deze minister ressorterende organisaties, waaronder BTP. De verdachte was bovendien actief betrokken bij het begrotingsproces en kende het rapport van de Algemene Rekenkamer waarin onder meer tekortschietend toezicht werd aangestipt. Zijn passiviteit na kennisneming daarvan onderstreept zijn nalatigheid als toezichthouder.

Dat het toezicht door de Staten formeel een algemeen karakter draagt, doet niet af aan de toepasselijkheid van artikel 2:361 SrSM. De verdachte had als lid van een controlerend orgaan juist de verantwoordelijkheid om op te treden bij mogelijke misstanden, vooral waar hij persoonlijk belanghebbende was bij een met publiek geld gefinancierd contract.

Ad 2. Deelneming

De Hoge Raad stelt vast dat de verdachte via zijn vennootschap een financieel belang had bij de overeenkomst tussen BTP en het bedrijf waarvan hij aandeelhouder was. Hij heeft via een aandeelhoudersconstructie dividend ontvangen, en heeft bovendien actief getracht zijn aandeelhouderschap te verbergen, onder meer door gebruik te maken van tussenpersonen en niet-geregistreerde cheques.

De Hoge Raad oordeelt dat voor toepassing van artikel 2:361 SrSM niet vereist is dat de ambtenaar een actieve rol heeft gespeeld bij het aangaan van de aanneming of leverantie. Reeds het (middellijk of onmiddellijk) persoonlijk financieel belang is voldoende om te spreken van "deelneming" in de zin van deze strafbepaling.

Deze interpretatie vindt steun in de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie (vgl. HR 6 maart 1956, ECLI:NL:HR:1956:152). Het gaat erom dat het risico wordt voorkomen dat de ambtenaar — door een persoonlijk belang — zijn onafhankelijkheid verliest of de schijn van belangenverstrengeling op zich laadt.

Gelet op de duidelijke vaststellingen van het hof omtrent het dividend, de geheimhouding van het belang en de passieve rol van de verdachte als toezichthouder, is het oordeel dat sprake was van 'deelneming' juridisch juist en toereikend gemotiveerd.

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie. De bewezenverklaring van het hof dat aan de verdachte toezicht was opgedragen in de zin van artikel 2:361 SrSM en dat hij opzettelijk heeft deelgenomen aan een aanneming waarin hij een persoonlijk financieel belang had, houdt stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^