Geen aftrek dividendbelasting bij ontneming: de fiscus hoeft niet mee te delen in de afrekening

Hoge Raad 31 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:505

Ontnemingszaak over wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van illegale gewasbeschermingsmiddelen (Bitoxybacillin en Lepidocide) door een B.V. waarvan de betrokkene feitelijk leidinggever en enig aandeelhouder is. Het cassatiemiddel klaagt dat het gerechtshof 's-Hertogenbosch ten onrechte geen dividendbelasting in mindering brengt bij de schatting van het voordeel van EUR 532.532. De Hoge Raad verwerpt het beroep: het hof stelt feitelijk vast dat er geen dividendbelasting is afgedragen in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel, en die vaststelling draagt het oordeel zelfstandig.

Achtergrond

Deze zaak draait om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de grootschalige verkoop van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. De betrokkene, een natuurlijk persoon geboren in 1969, is in de samenhangende strafzaak veroordeeld voor drie feiten. Ten eerste betreft het het medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl de betrokkene tot de feiten opdracht heeft gegeven en daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Ten tweede gaat het om valsheid in geschrift, eveneens begaan door een rechtspersoon en meermalen gepleegd, met de betrokkene als feitelijk leidinggever en opdrachtgever. Ten derde is hij veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Naast de betrokkene is ook de door hem bestuurde rechtspersoon, een besloten vennootschap, voor dezelfde strafbare feiten veroordeeld. De uitspraak vermeldt niet welke straf aan de betrokkene is opgelegd in de strafzaak.

De onderliggende feiten zijn als volgt. De vennootschap van de betrokkene verkoopt in de periode van 1 april 2009 tot en met februari 2011 circa 20.500 kilogram Bitoxybacillin (verkocht onder de naam "bladvoeding") en 1.000 kilogram Lepidocide (verkocht onder de naam "bladglans"). Het betreft niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. De Bitoxybacillin wordt verkocht voor een prijs van EUR 50 tot EUR 55 per kilogram, de Lepidocide voor EUR 70 per kilogram. De totale verkoopopbrengst bedraagt EUR 1.154.450.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch stelt bij arrest van 15 maart 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel vast. Het hof brengt op de bruto-opbrengst eerst een bedrag van EUR 69.875 in mindering wegens niet-betaalde vorderingen die gezien hun aard niet inbaar zijn, aangezien de vennootschap illegale gewasbeschermingsmiddelen heeft geleverd. Vervolgens trekt het hof de inkoopkosten af. In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is een gemiddelde inkoopprijs aangehouden van EUR 17,50 per kilogram, hetgeen resulteert in een totale inkoopsom van EUR 376.143, waarop nog een creditfactuur van EUR 7.000 in mindering komt. Aan overige kosten brengt het hof een bedrag van EUR 15.388 in mindering. De verdediging voert aan dat met aanvullende organisatiekosten rekening moet worden gehouden, maar het hof passeert dit verweer wegens onvoldoende motivering en onderbouwing.

Over de netto-opbrengst brengt het hof vennootschapsbelasting in mindering ten bedrage van EUR 167.510. Het resulterende wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt EUR 532.532. Het hof rekent dit voordeel volledig toe aan de betrokkene als natuurlijk persoon. De betrokkene is in de relevante periode enig bestuurder van de vennootschap en tevens enig bestuurder en 100% aandeelhouder van de holdingvennootschap die op haar beurt 100% aandeelhouder is van de operationele vennootschap. Het hof oordeelt dat de betrokkene volledige zeggenschap heeft en steeds in de positie is om het voordeel naar zich toe te halen. Een pondspondsgewijze toerekening is daarom niet aan de orde.

Het hof legt de betrokkene een betalingsverplichting op van EUR 505.000 aan de staat, met een maximale gijzelingsduur van 1080 dagen.

Eerste middel

Het eerste cassatiemiddel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof geen dividendbelasting in mindering brengt. De verdediging voert aan dat de betrokkene, wanneer hij het vastgestelde bedrag aan de staat betaalt, geen mogelijkheid heeft om eerder afgedragen dividendbelasting terug te draaien. De dividendbelasting is volgens de verdediging niet een belasting die bij de betrokkene in de heffing is of kan worden betrokken. Door deze belasting niet in mindering te brengen zou de betrokkene meer betalen dan hij daadwerkelijk heeft verkregen, hetgeen in strijd is met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.

Tweede middel

Het tweede cassatiemiddel bevat klachten over de uitspraak van het hof die de Hoge Raad niet nader specificeert.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad beoordeelt het eerste middel als volgt. Vooropgesteld wordt dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn eerdere arrest van 26 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2476).

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene als gevolg van de verkoop door de vennootschap van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van de netto-opbrengst van deze verkoop. Het hof heeft in het kader van de verwerping van het verweer vastgesteld dat er door de vennootschap of de betrokkene in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel geen dividendbelasting is afgedragen. De Hoge Raad oordeelt dat deze feitelijke vaststelling het oordeel van het hof dat geen aanleiding bestaat om (mogelijk) verschuldigde dividendbelasting bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen, zelfstandig kan dragen. Het eerste middel stuit hierop af.

De kern van dit oordeel is dat de betrokkene weliswaar betoogt dat hij na betaling van het ontnemingsbedrag de dividendbelasting niet kan terugdraaien, maar dat het hof als feit heeft vastgesteld dat er in het geheel geen dividendbelasting is afgedragen. In die situatie valt er niets in mindering te brengen. De Hoge Raad hoeft zich daardoor niet uit te spreken over de principiele vraag of dividendbelasting in abstracto een aftrekbare kostenpost kan vormen bij de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel. De feitelijke vaststelling volstaat.

Het hof overweegt in zijn arrest bovendien dat er aan de betrokkene als aandeelhouder geen via wederrechtelijk verkregen voordeel behaalde winst is uitgekeerd en er dus geen daadwerkelijke onttrekking aan het vermogen van de vennootschap heeft plaatsgevonden. Het hof wijst er ten slotte op dat indien op een later tijdstip alsnog dividendbelasting verschuldigd blijkt, de betrokkene de mogelijkheid heeft om op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering een verzoek in te dienen tot vermindering of kwijtschelding van het ontnemingsbedrag.

Het tweede middel verwerpt de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De klachten kunnen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveert dit niet nader, omdat het bij de beoordeling niet nodig is om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.

Ten slotte beoordeelt de Hoge Raad ambtshalve de overschrijding van de redelijke termijn. Er zijn meer dan twee jaren verstreken na het instellen van het cassatieberoep, hetgeen een overschrijding oplevert van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Tot cassatie leidt dit echter niet. In de samenhangende strafzaak (zaaknummer 23/01102 E) is eveneens sprake van overschrijding van de redelijke termijn, en daar zal worden beoordeeld of compensatie moet volgen. In deze ontnemingszaak volstaat de Hoge Raad met de constatering dat de termijn is overschreden, zonder daaraan verder rechtsgevolg te verbinden, overeenkomstig het arrest van 19 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ3575).

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^