Wet internationale sanctiemaatregelen: het Centraal Meldpunt Sancties als spil van het nieuwe stelsel
/Dit is deel 5 van een blogreeks over de Wet internationale sanctiemaatregelen (Wis). In deel 1 deden wij verslag van het rondetafelgesprek, in deel 2 analyseerden wij het duale stelsel, in deel 3 de positie van de advocatuur, en in deel 4 de samenloop met het AML-pakket.
Als het wetsvoorstel Wet internationale sanctiemaatregelen een hart heeft, dan is het het Centraal Meldpunt Sancties (CMS). Vrijwel elke spreker tijdens het rondetafelgesprek op 25 maart 2026 noemde het CMS als een van de belangrijkste vernieuwingen. Het Openbaar Ministerie verwacht er een betere informatiepositie van. De toezichthouders verwelkomen de centralisering. En het bedrijfsleven krijgt eindelijk één loket.
Toch is het goed om even voorbij het enthousiasme te kijken. Want de ambities zijn aanzienlijk, en de vraag of de organisatie die ambities kan waarmaken, werd tijdens het rondetafelgesprek wel gesteld maar niet definitief beantwoord.
Het probleem: versnippering
De Europese sanctieregelgeving kent een veelheid aan meldplichten. Instellingen die tegoeden bevriezen moeten dat melden. Gesanctioneerde personen en entiteiten moeten hun bezittingen in de EU melden. Daarnaast bestaan er sectorspecifieke meldplichten, bijvoorbeeld over deposito's en oliecontracten. Die meldplichten zijn op dit moment bij verschillende meldkanalen belegd: deels bij DNB, deels bij AFM, deels bij het ministerie van Financiën, deels elders.
Het gevolg is wat Dirk van Leeuwen van DNB tijdens het rondetafelgesprek treffend omschreef: de toezichthouder fungeert soms als "brievenbusje." DNB ontvangt meldingen die bestemd zijn voor het ministerie van Financiën, maar die DNB zelf in het toezicht niet mag gebruiken. De informatie wordt doorgestuurd, maar de toezichthouder heeft er niets aan.
Jan Boerboom van de AFM illustreerde het probleem met een concrete casus. Een consument belde de AFM om te melden dat een Russisch schip aan de kade lag dat dreigde weg te varen. De AFM mocht die informatie op grond van toezichtvertrouwelijkheid met niemand delen. De list: de burger vragen een specifiek telefoonnummer te bellen zodat het signaal alsnog bij de juiste instantie terechtkwam. Dit soort situaties is symptomatisch voor een gefragmenteerd stelsel.
De oplossing: één loket
Het CMS moet daar een einde aan maken. Suzanne de Groot, projectmanager bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, presenteerde het meldpunt tijdens het rondetafelgesprek. De centralisering heeft twee voordelen:
Ten eerste: eenvoudiger melden. Meldplichtigen kunnen voortaan grotendeels bij één loket terecht. Het CMS gaat bovendien voorlichting geven over de meldplichten, waardoor burgers en bedrijven beter weten wat er van hen wordt verwacht.
Ten tweede: betere benutting van informatie. Op een centrale plek kan een completer beeld ontstaan van bevroren tegoeden en economische middelen. Er kunnen analyses worden gemaakt, patronen worden herkend, en signalen worden doorgegeven aan toezichthouders en handhavers. De analyses moeten, zo benadrukte De Groot, van zodanige kwaliteit zijn dat bestuursrechtelijke en strafrechtelijke autoriteiten er opvolging aan kunnen geven.
Dat laatste punt is ambitieus. Het CMS is niet alleen een postbus maar ook een analysecentrum. De meldgegevens zullen worden gebruikt voor sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie en beleidsanalyse.
Organisatie en governance
Het CMS wordt in eerste instantie belegd bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, als coördinerend ministerie voor sanctiebeleid. Mevrouw Maas (VVD) stelde de vraag of BuZa wel de logische plek is, of dat het ministerie van Financiën (waaronder ook de Douane valt) niet meer voor de hand zou liggen. De Groot antwoordde dat de keuze voortvloeit uit de coördinerende rol van BuZa. Verdere politieke vragen over die keuze werden, conform de technische aard van het rondetafelgesprek, doorgeschoven.
De oprichting wordt aangestuurd als een interdepartementaal project met vier opdrachtgevende ministeries: Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, Financiën en Justitie & Veiligheid. Het projectteam bestaat uit medewerkers van alle vier de ministeries. Daarnaast is er een klankbordgroep met alle 28 ketenpartners. Die brede opzet is bewust gekozen. De Groot benadrukte het belang van het meenemen van bestaande kennis en ervaring binnen de Nederlandse overheid aan de voorkant van het proces.
Het samenwerkingsplatform Sanctienaleving, nu nog bij het ministerie van Economische Zaken, zal overgaan naar BuZa en onderdeel worden van het CMS. Dat platform is het overleg waar regelmatig van gedachten wordt gewisseld over concrete casuïstiek tussen ministeries en uitvoeringsorganisaties.
De informatiepositie van toezichthouders
Een relevante vraag die mevrouw Van der Werf (D66) stelde: verliezen de toezichthouders cruciale informatie doordat meldingen voortaan naar het CMS gaan in plaats van naar hen? Van Leeuwen (DNB) was daar helder over: nee. DNB houdt toegang tot de informatie waar het die nodig heeft, via het CMS. Maar alleen daar waar de informatie ook daadwerkelijk nodig is voor het toezicht. Dat is een efficiëntieslag.
De gezamenlijke position paper van AFM en DNB benadrukt in dit verband het belang van de mogelijkheid voor informatie-uitwisseling tussen het CMS en de toezichthouders. De informatie over het meldgedrag van de onder toezicht staande ondernemingen is noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de meldverplichting. De voorgestelde wetsartikelen voorzien hierin, zo stellen AFM en DNB vast.
Gegevensuitwisseling: kansen en risico's
Het CMS kan alleen effectief zijn als de gegevensuitwisseling goed is geregeld. De Wis actualiseert de grondslagen daarvoor. Michiel Zwinkels van het OM noemde dit een van de belangrijkste verbeteringen: centrale registers maken relevante informatie beter toegankelijk, sneller vindbaar en minder afhankelijk van complexe constructies. Dat helpt het OM aan een betere informatiepositie.
Richard Roemers van BTI benadrukte het belang van de artikelen 8.2 en 8.3 van de Wis, die glashelder maken wat EZK en BTI mogen opvragen en verwerken, en wie aan medewerking moet verlenen. Dat is een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, waarin niet voor alle sanctieverordeningen duidelijke grondslagen bestaan.
Maar er zijn ook risico's. Roemers en Boerboom benadrukten het belang van naleving van de AVG: gegevensuitwisseling moet beperkt blijven tot het doel waarvoor gegevens worden opgevraagd en mag alleen plaatsvinden door de juiste bevoegde autoriteit. De Raad van State adviseerde in dit verband dat bij nieuwe situaties die via lagere regelgeving worden opgepakt, zo spoedig mogelijk alsnog een formele wettelijke grondslag moet worden gecreëerd.
Specifiek voor de advocatuur speelt de vraag hoe de gegevensuitwisseling tussen de deken en het CMS zich verhoudt tot de geheimhoudingsplicht (zie deel 3 van deze reeks). De position paper van het Dekenberaad waarschuwt dat zonder adequate waarborgen de informatie-uitwisseling juist onder druk kan komen te staan: als de deken niet zeker weet welke informatie wel en niet mag worden gedeeld, kan dat leiden tot terughoudendheid.
Versneller of bottleneck?
Mevrouw Van der Werf (D66) stelde de vraag die ik zelf ook had: wordt het CMS een versneller of dreigt het een bottleneck te worden? De Groot antwoordde dat het project "midden in de uitvoering" zit en dat zij er "heel positief" in staat, met vier ministeries en vier secretarissen-generaal als rugdekking.
Het is een eerlijk antwoord, maar het neemt de vraag niet weg. Het CMS moet meldingen centraliseren van een breed spectrum aan meldplichtigen (financiële instellingen, de Douane, advocaten, notarissen, belastingadviseurs, accountants, gesanctioneerden zelf). Het moet die meldingen analyseren op een niveau dat strafrechtelijke en bestuursrechtelijke autoriteiten er iets mee kunnen. Het moet voorlichting geven aan het bedrijfsleven. En het moet informatie delen met 28 ketenpartners, met inachtneming van privacy en informatiebeveiliging.
Dat is een enorme opdracht. De vergelijking met de Financial Intelligence Unit (FIU), die een vergelijkbare rol vervult voor Wwft-meldingen, dringt zich op. Het BFT verwees er tijdens het rondetafelgesprek ook naar: "Voor ons refereert dat een beetje naar hoe nu het Wwft-toezicht bij de FIU loopt." De ervaring met de FIU leert dat centralisering werkt, maar dat de kwaliteit van de analyses staat of valt met capaciteit, expertise en ICT-infrastructuur.
Publiek-private samenwerking: de afwezige gast
Een element dat opviel door zijn afwezigheid in de Wis is publiek-private samenwerking. Zwinkels pleitte er expliciet voor, en noemde daarbij niet alleen financiële instellingen maar ook sociale media platforms. Door kennis, expertise en uitvoeringskracht van overheid en marktpartijen te bundelen, zou een nog beter fundament ontstaan voor effectieve sanctiehandhaving.
In de Wwft-praktijk is publiek-private samenwerking, via het Financieel Expertise Centrum (FEC) en Serious Crime Taskforce (SCTF), een gevestigd instrument. Het is opmerkelijk dat de Wis daar niet in voorziet. Dat hoeft niet per se in de wet te worden geregeld, maar het is wel een gemiste kans als de mogelijkheid niet wordt gecreëerd of gefaciliteerd.
Tot slot
Het CMS heeft het potentieel om het Nederlandse sanctiestelsel fundamenteel te verbeteren. De versnippering die het huidige stelsel kenmerkt, leidt tot informatieleemtes, inefficiënties en absurde situaties zoals het voorbeeld van het Russische schip. Eén loket, centrale analyses en gestroomlijnde informatiedeling: het zijn verbeteringen die breed worden gedragen.
Maar de ambities zijn groot, het tijdspad is krap en de uitvoering is complex. De komende maanden zal moeten blijken of het CMS de belofte kan waarmaken. Wij volgen het met belangstelling.
Dit was het laatste inhoudelijke deel van onze blogreeks over de Wet internationale sanctiemaatregelen. Na het schriftelijk overleg (inbrengdatum 15 april 2026) volgt mogelijk een vervolg over de vragen die de Kamerfracties aan de minister stellen.
