EUR 87.000 in een badjas: witwassen bewezen, zoekgeraakte administratie geen reden voor niet-ontvankelijkheid OM
/Hoge Raad 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:427
Deze uitspraak bevestigt dat het zoekraken van in beslag genomen administratie niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De Hoge Raad toetst aan de hand van het criterium of de procedure als geheel bezien ("the proceedings as a whole") nog voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. In witwaszaken blijft het stappenplan leidend: wanneer een vermoeden van witwassen bestaat, wordt van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring verwacht. De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie leidt bij een geheel voorwaardelijke straf niet tot strafvermindering.
Achtergrond
Op 28 augustus 2012 treft de politie een contant geldbedrag van EUR 87.000 aan in de zak van een badjas in de toenmalige woning van de verdachte. Het bedrag bestaat uit 174 biljetten van EUR 500. De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1960, verklaart dat het geldbedrag van haar is. Zij wordt vervolgd wegens witwassen in de zin van artikel 420bis lid 1 sub b van het Wetboek van Strafrecht.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, veroordeelt de verdachte bij arrest van 10 augustus 2023 wegens witwassen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast neemt het hof een beslissing over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen. Het hof stelt in zijn arrest vast dat vermoedelijk een deel van de onder de verdachte in beslag genomen administratie in het ongerede is geraakt.
De verdachte stelt cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Haar advocaat, M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, stelt twee middelen van cassatie voor. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Eerste middel
Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De verdediging voert aan dat een deel van de onder de verdachte in beslag genomen administratie in het ongerede is geraakt en dat dit een zodanige schending oplevert van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet volgen.
Het verweer komt er in de kern op neer dat de verdachte door het zoekraken van haar administratie niet meer in staat is haar verdediging adequaat te voeren. De administratie had immers kunnen dienen ter onderbouwing van een legale herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Het ontbreken van die stukken zou volgens de verdediging leiden tot een ongelijk speelveld tussen het openbaar ministerie en de verdediging.
Beoordeling van het eerste middel
De Hoge Raad oordeelt dat het eerste middel niet tot cassatie leidt en verwijst voor de redenen naar de conclusie van de advocaat-generaal onder punt 3. De advocaat-generaal zet in die conclusie uiteen dat het hof het verweer heeft verworpen op de grond dat geen sprake is van een "ongelijk speelveld" en dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet is tekortgedaan.
Volgens de advocaat-generaal brengt het hof hiermee tot uitdrukking dat door het vermoedelijk in het ongerede geraakt zijn van een deel van de administratie die onder de verdachte in beslag is genomen, niet een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak is gemaakt dat, de procedure als geheel bezien ("the proceedings as a whole"), geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Dit oordeel is volgens de advocaat-generaal niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof kon het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan ook verwerpen op de grond dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet is tekortgedaan. De verwerping van het verweer getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad sluit zich bij dit oordeel aan.
Hiermee bevestigt de Hoge Raad de lijn dat het zoekraken van in beslag genomen stukken niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Bepalend is of de procedure als geheel bezien nog voldoet aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt aan een eerlijk proces. Het hof heeft die toets uitgevoerd en is tot het oordeel gekomen dat daaraan is voldaan. De enkele omstandigheid dat een deel van de administratie in het ongerede is geraakt, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Tweede middel
Het tweede cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag van EUR 87.000. Daarnaast klaagt het middel over de bewezenverklaring van het bestanddeel "van misdrijf afkomstig" in de tenlastelegging van witwassen.
Bij de beoordeling van witwaszaken hanteert de rechtspraak een zogenoemd stappenplan. Wanneer het openbaar ministerie geen direct bewijs heeft van een gronddelict, kan het vermoeden van witwassen worden gebaseerd op een vermoeden van witwassen dat voortvloeit uit de feiten en omstandigheden van het geval. Vervolgens mag van de verdachte worden verwacht dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de legale herkomst van het geldbedrag. Het hof oordeelt in deze zaak dat de verdachte een dergelijke verklaring niet heeft gegeven.
Beoordeling van het tweede middel
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van het tweede middel niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet nader en past daarbij artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie toe. Op grond van dit artikel hoeft de Hoge Raad niet te motiveren waarom hij tot zijn oordeel is gekomen, wanneer de beoordeling van de klachten niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad acht de klachten over de bewezenverklaring van witwassen en het oordeel over de verklaring van de verdachte kennelijk van onvoldoende gewicht om nadere motivering te rechtvaardigen.
Ambtshalve beoordeling: overschrijding van de redelijke termijn
De Hoge Raad beoordeelt de zaak ook ambtshalve en stelt vast dat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden. Deze termijn vangt aan op het moment dat het cassatieberoep wordt ingesteld en bedraagt in de regel twee jaren tot aan de uitspraak van de Hoge Raad.
De Hoge Raad volstaat evenwel met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt daaraan geen ander rechtsgevolg, zoals strafvermindering. De Hoge Raad overweegt daarbij dat de opgelegde straf een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden betreft. Bij een geheel voorwaardelijke straf bestaat in beginsel geen aanleiding om de straf te verminderen, aangezien de verdachte door de overschrijding niet in dezelfde mate in haar belangen is geschaad als bij een onvoorwaardelijke straf het geval zou zijn.
Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 augustus 2023 blijft daarmee in stand. De verdachte blijft veroordeeld wegens witwassen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
Lees hier de volledige uitspraak.
