Hoge Raad over zoekend rondkijken en doorzoeken
/Hoge Raad 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:442
De Hoge Raad oordeelt dat het openen van een oven met een doorzichtig raam om een daarin zichtbare tas in beslag te nemen, geen doorzoeking oplevert maar onder zoekend rondkijken valt. Doorslaggevend is dat de verbalisant het voorwerp al met het oog had waargenomen voordat hij de oven opende. De verdachte was veroordeeld voor het witwassen van EUR 43.900 in contant geld dat in een plastic tas in de oven lag. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en wijkt daarmee af van de conclusie van de advocaat-generaal, die tot vernietiging had geadviseerd. Het arrest verduidelijkt de grens tussen de betredingsbevoegdheid met zoekend rondkijken en de doorzoekingsbevoegdheid waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris is vereist.
Achtergrond
Deze zaak draait om de grens tussen zoekend rondkijken en doorzoeken bij het betreden van een woning. De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1989, is door het gerechtshof Amsterdam op 31 oktober 2023 veroordeeld voor witwassen van een geldbedrag van EUR 43.900. Het bewezenverklaarde feit betreft het voorhanden hebben van dat geldbedrag op 13 juli 2021, terwijl de verdachte wist dat dit bedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. De toepasselijke strafbepaling is artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft de verdachte een gevangenisstraf van drie weken opgelegd.
De feiten die aan de zaak ten grondslag liggen, zijn als volgt. Op 13 juli 2021 zien twee opsporingsambtenaren een man over straat lopen met een gevulde tas van ongeveer 30 bij 15 centimeter. De tas heeft een vierkante vorm die volgens de verbalisanten veel lijkt op de vorm van een hasjblok. Zij zien de man een coffeeshop binnenlopen en binnen een minuut weer naar buiten komen. De verbalisanten houden de man, later geidentificeerd als betrokkene 1, staande. Omdat deze man geen duidelijk verhaal heeft over zijn verblijfplaats in Nederland, niet in het gemeentelijk basissysteem voorkomt als woonachtig in Nederland en eerder is opgepakt voor een drugszaak, stellen de verbalisanten een onderzoek in naar zijn verblijfplaats.
De verbalisanten begeven zich naar de woning aan het adres waar betrokkene 1 zou verblijven. Na telefonisch overleg met de officier van justitie geeft de hulpofficier van justitie een machtiging tot binnentreden af voor deze woning, ter inbeslagneming op grond van artikel 96 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 9 lid 1 onder b van de Opiumwet. Bij de woning aangekomen kloppen de verbalisanten stevig op de deur en maken zij zich bekend als politie. Zij horen gestommel in de woning en het geluid van iemand die heen en weer loopt. Na opnieuw stevig kloppen horen de verbalisanten het geluid alsof er kastjes open en dicht worden gedaan. Uiteindelijk wordt na nogmaals hard kloppen de voordeur geopend door de verdachte.
De verbalisanten lopen zoekend rond door de woning. In de keuken ziet verbalisant 2 door de glazen ruit van de oven een rode of oranje tas van het merk COOP liggen. De verbalisant vindt het vreemd dat er een tas in de oven ligt. Omdat hij zicht heeft op hetgeen hij in beslag wil nemen, opent hij de oven en pakt hij de tas. Na inbeslagneming opent hij de tas en treft hij grote stapels contant geld aan, naar later blijkt een bedrag van EUR 38.900. Later, om 15.30 uur, opent de rechter-commissaris een doorzoeking van de woning. Bij die doorzoeking wordt in een zwarte heuptas op de bank in de woonkamer nog eens EUR 5.000 in contant geld aangetroffen. Op de telefoon van de verdachte wordt een foto gevonden, genomen op 12 juli om 17.30 uur, waarop de verdachte poseert met grote stapels contant geld die overeenkomen met de in beslag genomen stapels. Het totaalbedrag komt uit op EUR 43.900.
De verdachte stelt cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Namens de verdachte worden door advocaat F.P. Slewe cassatiemiddelen voorgesteld. Advocaat-generaal Van Kempen concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam. De advocaat-generaal komt dus tot een andere conclusie dan de Hoge Raad uiteindelijk bereikt.
Eerste middel
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het openen van de oven en het kijken in de daarin gelegen tas een doorzoeking betrof, terwijl daarvoor geen machtiging van de rechter-commissaris was verkregen. De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat verbalisant 2, door in de keuken de oven te openen en vervolgens in de daarin gelegen tas te kijken, verder ging dan zoekend rondkijken. Het openen van een oven valt volgens de verdediging niet onder het zoekend rondkijken dat op grond van de machtiging tot binnentreden was toegestaan. Er zou daarom sprake zijn van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen volgens de verdediging tot vrijspraak moet leiden.
Het hof heeft dit verweer verworpen en geoordeeld dat verbalisant 2, op het moment dat hij de tas in de oven zag liggen, in redelijkheid tot inbeslagneming van die tas heeft kunnen besluiten, gelet op de plaats van aantreffen en de eerdere bevindingen in onderlinge samenhang beschouwd. Het openen van de oven en het pakken van de tas is volgens het hof toegestaan ter inbeslagneming van die tas. Het vervolgens kijken in de tas merkt het hof aan als onderzoek aan een inbeslaggenomen goed, waartoe de politie gerechtigd is.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad schetst eerst het relevante juridische kader. Het Wetboek van Strafvordering maakt een onderscheid tussen enerzijds bepalingen die de bevoegdheid geven om ter inbeslagneming bepaalde, in de wet aangegeven plaatsen te betreden en anderzijds bepalingen die de bevoegdheid geven om deze plaatsen te doorzoeken. Wanneer opsporingsambtenaren bevoegd zijn een plaats ter inbeslagneming te betreden, zijn zij tevens bevoegd tot het op die plaats zoekend rondkijken en het in beslag nemen van voor de hand liggende voorwerpen. Zij zijn echter niet bevoegd tot handelingen die verder gaan dan dat en die daarom moeten worden aangemerkt als doorzoeken. Dit geldt ook wanneer toepassing wordt gegeven aan de betredingsbevoegdheid van artikel 9 lid 1 van de Opiumwet. De Hoge Raad verwijst hierbij naar twee eerdere arresten: HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9998, en HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6238.
Vervolgens past de Hoge Raad dit kader toe op de feiten zoals het hof die heeft vastgesteld. Het hof heeft vastgesteld dat verbalisant 2 de woning waarin de verdachte verbleef heeft betreden en daar zoekend heeft rondgekeken, waarbij hij door de glazen ruit van de oven een tas van het merk COOP in de oven zag liggen. Daarop heeft de verbalisant de oven geopend en de tas in beslag genomen. Na inbeslagneming heeft hij de tas geopend en hierin een geldbedrag aangetroffen.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat het openen van de oven door verbalisant 2 onder deze omstandigheden niet hoeft te worden aangemerkt als het doorzoeken van de woning, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad erkent weliswaar dat uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verbalisant de deur van de oven heeft geopend, maar acht daarbij doorslaggevend dat deze verbalisant op het moment van het openen al met het oog had waargenomen wat hij in beslag wilde nemen. Met andere woorden: het feit dat de tas door het doorzichtige ovenraam al zichtbaar was voordat de oven werd geopend, maakt dat het openen van de oven niet als een zelfstandige zoekhandeling hoeft te worden beschouwd, maar als een handeling die noodzakelijk was om het reeds waargenomen en voor de hand liggende voorwerp in beslag te nemen. Het eerste cassatiemiddel faalt.
Tweede middel
Het tweede cassatiemiddel bevat klachten over de uitspraak van het hof die de Hoge Raad heeft beoordeeld. De precieze inhoud van deze klachten blijkt niet nader uit het arrest. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet nader, onder verwijzing naar artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Bij de beoordeling van deze klachten is het volgens de Hoge Raad niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.
Ambtshalve beoordeling
De Hoge Raad constateert ambtshalve dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt hij daaraan geen enig ander rechtsgevolg.
Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep. Het arrest is gewezen door vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper. De uitkomst wijkt af van de conclusie van de advocaat-generaal, die tot vernietiging en terugwijzing had geconcludeerd.
Lees hier de volledige uitspraak.
