Sektedebat of strafbare smaad? Hof corrigeert sepot en beveelt vervolging van journalist

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1002

Dit betreft een artikel 12 Sv-procedure waarin elf klagers beklag doen tegen het sepot van een aangifte wegens smaad(schrift) en belediging naar aanleiding van krantenartikelen over een vermeende sekte rond klager 1. De officier van justitie seponeert omdat de publicaties volgens hem binnen de journalistieke vrijheid vallen en een maatschappelijk belang dienen, namelijk het waarschuwen voor sektes en het bepleiten van een meldpunt. Het hof verklaart alle klagers ontvankelijk, maar wijst het beklag af ten aanzien van meerdere geïnterviewden en twee online artikelen omdat daarin geen strafbare of onnodig grievende uitlatingen worden gezien. Ten aanzien van één journalist oordeelt het hof dat een krantenartikel wel de suggestie wekt van concrete strafbare feiten zoals arbeidsuitbuiting en kindermishandeling en daarmee mogelijk smaadschrift oplevert jegens klager 1. Gelet op de ernst van de beschuldigingen en de gevolgen voor klager 1 acht het hof vervolging haalbaar en opportuun ondanks het beroep op artikel 10 EVRM en het risico van chilling effect. Het hof beveelt daarom de vervolging van deze journalist ter zake van smaad(schrift) en wijst het beklag voor het overige af.

Context van de zaak

Deze zaak speelt in de sleutel van een artikel 12 Sv-procedure, waarin een groep van elf klagers het hof verzoekt om alsnog strafvervolging af te dwingen na een sepotbeslissing van de officier van justitie.

Klagers bestaan uit meerdere natuurlijke personen die volgens de publicaties behoren tot een beperkte groep rondom een voormalig samenwerkingsverband of groepering met de naam “naam”. Binnen die groep vervult klaagster klager 1 volgens de berichtgeving een leidende rol, terwijl andere klagers in de publicaties worden neergezet als volgelingen, betrokkenen of slachtoffers.

De aangifte richt zich tegen meerdere beklaagden, waaronder twee journalisten die artikelen schrijven voor een dagblad en de bijbehorende website, alsmede verschillende personen die in die publicaties aan het woord komen.

De kern is dat klagers zich door de publicaties publiekelijk gestigmatiseerd en in hun eer en goede naam aangetast voelen. Zij koppelen daaraan concrete gevolgen, zoals reputatieschade en intimidatie in de vorm van haatbrieven en pesterijen, met name gericht op klager 1 en haar echtgenoot klager 4. Het hof beoordeelt niet de civielrechtelijke onrechtmatigheid, maar uitsluitend of het sepot in strafrechtelijke zin terecht is en of vervolging moet worden bevolen.

Klagers doen namens allen aangifte van smaadschrift dan wel smaad, laster en belediging. De aangifte ziet op uitlatingen in drie publicaties: een krantenartikel van datum 1 in het dagblad, en twee online artikelen van datum 2 en datum 3 op de website van het dagblad.

In die publicaties wordt de groepering “naam” als sektarisch geduid en wordt klager 1 neergezet als leidster van een sekte. Aan klager 1 en haar echtgenoot worden gedragingen toegeschreven zoals het hersenspoelen, manipuleren en geestelijk destabiliseren van volgelingen.

In de berichtgeving worden voorts ernstige verwijten genoemd die, naar het oordeel van het hof, de suggestie wekken van arbeidsuitbuiting, kindermishandeling en het afhandig maken van geld. Klagers stellen dat zij daarnaast door de wijze van presenteren, waaronder het tonen van persoonsgegevens en een foto van de woning van klager 1, verdergaand in hun persoonlijke levenssfeer en veiligheid worden geraakt dan voor enig publiek debat noodzakelijk is.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie besluit op 26 november 2024 om niet tot strafvervolging over te gaan. Hij erkent dat de publicaties door klagers als pijnlijk en beledigend worden ervaren, maar hij acht de uitlatingen niet strafbaar.

De officier hecht doorslaggevend gewicht aan het door hem aangenomen algemene belang van de publicaties: het aan de orde stellen van een onderwerp met brede maatschappelijke impact, namelijk de gevaren van sektes, het informeren en waarschuwen van het publiek en het bepleiten van een meldpunt.

Volgens de officier vallen de publicaties binnen de journalistieke vrijheid, zijn de uitlatingen niet onnodig grievend en ontbreekt daarom strafwaardigheid. In de artikel 12 Sv-procedure sluit de advocaat-generaal zich bij dit oordeel aan en stelt hij zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging van de twee journalisten, beklaagde 1 en beklaagde 2, voert via hun advocaten aan dat zij ter bescherming van bronnen niet persoonlijk in raadkamer verschijnen, maar dat zij de beschuldigingen krachtig ontkennen en verwerpen.

Zij stellen dat zij journalistiek zorgvuldig en afgewogen te werk gaan en dat opzet om klagers te beledigen of hun reputatie aan te tasten ontbreekt. Het doel is volgens hen uitsluitend het dienen van een maatschappelijk belang, namelijk het blootleggen van en waarschuwen voor misstanden door sektes.

Daarnaast voeren de advocaten in raadkamer meerdere verweren. In de eerste plaats betogen zij dat alle klagers behalve klager 1 niet-ontvankelijk zijn, omdat zij niet als rechtstreeks belanghebbenden in de zin van artikel 12 Sv kunnen gelden.

Verder stellen zij dat de uitlatingen in het algemeen niet beledigend zijn en dat niet duidelijk is dat sprake is van telastlegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 lid 1 Sr. Voor zover daarvan toch sprake is, doen zij een beroep op de wettelijke excepties, waaronder artikel 261 lid 3 Sr en artikel 266 lid 2 Sr, en op artikel 10 EVRM, nu het gaat om journalistieke bijdragen aan een publiek debat.

Ook wijzen zij op opportuniteitsargumenten: klager 1 zou zelf mede de publiciteit hebben gezocht, zij zou geen poging hebben gedaan om rectificatie of verwijdering te bewerkstelligen en zij zou evenmin de Raad voor de Journalistiek of de civiele rechter hebben ingeschakeld. Vervolging zou bovendien een ontoelaatbaar chilling effect kunnen hebben op de pers.

Subsidiair verzoekt de verdediging om nader onderzoek door de rechter-commissaris.

Oordeel hof

Het hof doorloopt het klassieke artikel 12 Sv-toetsingskader. Eerst beoordeelt het hof de ontvankelijkheid: wie is rechtstreeks belanghebbende. Daarna beoordeelt het hof de haalbaarheid van vervolging en vervolgens de opportuniteit, waarbij mede een inschatting wordt gemaakt van bewijsbaarheid en van het belang bij vervolging.

Ontvankelijkheid

Het hof benadrukt dat rechtstreeks belanghebbende in vaste rechtspraak betekent: degene die door het uitblijven van vervolging ter zake van een voldoende bepaald feit wordt getroffen in een objectief bepaalbaar, persoonlijk en kenmerkend belang.

Het hof maakt daarbij expliciet onderscheid tussen de ontvankelijkheidsvraag en de vraag of de uitlatingen jegens ieder van de klagers ook daadwerkelijk mogelijk strafbaar zijn. Anders dan de verdediging stelt, acht het hof alle klagers ontvankelijk.

Doorslaggevend is dat zij behoren tot een beperkte groep “naam” en dat de berichtgeving teruggrijpt op de positie van ieder van hen binnen die groep, zoals leider, volgeling of slachtoffer. Bovendien komen zij ieder op voor hun eigen goede naam en niet uitsluitend voor die van klager 1. Dat levert een eigen, persoonlijk belang op dat hen bepaaldelijk aangaat.

Haalbaarheid en toetsing aan vrijheid van meningsuiting

Bij de haalbaarheid legt het hof het kader aan van de strafbepalingen over smaad, smaadschrift, laster en belediging, neergelegd in de artikelen 261, 262 en 266 Sr, en plaatst dit uitdrukkelijk in het licht van artikel 10 EVRM en de relevante rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM.

Het hof noemt de beoordelingsfactoren die in dit soort zaken richtinggevend zijn: de bewoordingen en het karakter als waardeoordeel of feitelijke beschuldiging, de context en de positie van spreker en betrokkene, de wijze van openbaarmaking, de bijdrage aan het publieke debat, en de vraag of de uitlating onnodig grievend is.

Het hof onderstreept tevens dat strafrechtelijk optreden niet zodanig ingrijpend mag zijn dat daarvan een chilling effect uitgaat.

Selectie per beklaagde

Het hof wijst het beklag af tegen meerdere beklaagden. Ten aanzien van beklaagde 9, een politieman die als ervaringsdeskundige in algemene termen spreekt over slachtoffers van sektes in een artikel over een nieuw meldpunt, ziet het hof geen smadelijke, lasterlijke of beledigende uitlatingen.

Ten aanzien van beklaagden 5 tot en met 8 stelt het hof vast dat niet blijkt dat zij in het relevante artikel uitlatingen doen, laat staan welke, zodat vervolging niet kansrijk is.

Ten aanzien van beklaagden 3 en 4, die onder eigen naam spreken over het verlies van contact met hun dochter na toetreding tot “naam”, ontbreekt naar het oordeel van het hof het smadelijke of beledigende karakter. Hun relaas mag bovendien niet worden opgeteld bij uitlatingen van anderen. Voor zover zij al uitspraken doen die naar klager 1 herleidbaar zijn, acht het hof die in context zo beperkt dat vervolging niet opportuun is.

Journalistieke artikelen: onderscheid tussen meldpunt-artikelen en het groeperingsartikel

Vervolgens concentreert het hof zich op de journalistieke publicaties van beklaagde 1 en beklaagde 2. Het hof maakt een scherp onderscheid.

De online artikelen van 12 mei 2024 en datum 3, die vooral gaan over het verlies en het herinrichten van een landelijk meldpunt voor slachtoffers, kwalificeert het hof niet als smaadschrift. Het hof acht van belang dat deze artikelen grotendeels in algemene bewoordingen het belang van een meldpunt bepleiten en dat de verwijzing naar “naam” enkel dient ter onderstreping van dat algemene belang.

Het hof past daarbij de exceptie van artikel 261 lid 3 Sr toe en oordeelt dat de passages niet onnodig grievend zijn, mede omdat daarin geen tot concrete personen herleidbare informatie wordt gegeven.

Anders oordeelt het hof over het krantenartikel van datum 1 van beklaagde 1. In dat artikel staan, naar het oordeel van het hof, uitlatingen die de suggestie wekken dat klager 1 zich schuldig maakt aan gedragingen als arbeidsuitbuiting, kindermishandeling en het afhandig maken van geld. Dat betreft telastlegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 lid 1 Sr.

Het hof betrekt uitdrukkelijk dat in deze publicatie de naam van klager 1 wordt genoemd en een foto van haar woning wordt geplaatst. In die combinatie ziet het hof voldoende aanleiding om te spreken van een redelijk vermoeden van smaadschrift jegens klager 1.

Opportuniteit

Het hof weegt vervolgens of vervolging aangewezen is. Ondanks het door de verdediging ingeroepen belang van persvrijheid en het risico van chilling effect, acht het hof doorslaggevend dat de ernst van de beschuldigingen en de gevolgen voor klager 1 maken dat het algemeen belang vergt dat de zaak in zoverre ter openbare behandeling wordt voorgelegd aan de strafrechter.

Het hof ziet geen aanleiding om het bevel tot vervolging te combineren met een opdracht aan de rechter-commissaris.

Beslissing

Het hof beveelt de vervolging van beklaagde 1 ter zake van smaadschrift, gepleegd op of omstreeks datum 1 te plaats, althans in Nederland.

Het hof wijst het beklag voor het overige af, zodat geen vervolgingsbevel volgt tegen de overige beklaagden en evenmin voor de overige klagers.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^