Beleggingsfraudeur veroordeeld: miljoenenoplichting via nep-investeringsplatform bestraft

Rechtbank Amsterdam 18 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10281

Verdachte misleidt tussen 2020 en 2023 tientallen beleggers door hen geld en bitcoins te laten investeren in fictieve aandelen. Hij presenteert zich als professioneel investeerder, maar beschikt niet over de vereiste vergunningen en belegt het geld niet.
De ingezamelde middelen gebruikt hij voor privédoeleinden, wat leidt tot een benadelingsbedrag van ruim 2,5 miljoen euro. Daarnaast voert verdachte geen administratie, wat de afwikkeling van zijn faillissement ernstig belemmert. De rechtbank acht oplichting, verduistering, gewoontewitwassen en onvergund financieel dienstverlenen wettig en overtuigend bewezen. Verdachte krijgt 22 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk; schadeclaims worden afgewezen.

Context van de zaak

Deze strafzaak betreft een natuurlijke persoon, geboren in 1995, wonende in Nederland, hierna: verdachte, die zich over een periode van ruim drie jaar via verschillende constructies schuldig maakt aan een omvangrijk stelsel van financiële misdrijven jegens tientallen particuliere beleggers. Verdachte betrekt bij zijn activiteiten meerdere zakelijke entiteiten, waaronder een eenmanszaak en stille vennootschappen, waaronder bedrijf 1 en bedrijf 2. De kern van het handelen van verdachte bestaat uit het aantrekken van geld en bitcoins van derden onder het voorwendsel deze te investeren in aandelen van vermeend veelbelovende ondernemingen – namen zoals Neuralink, SpaceX, Addepar, EVBox, Coinbase en Pico Quantative Trading Holdings worden daarbij gebruikt in correspondentie en brochures richting beleggers – maar in werkelijkheid worden deze investeringen nooit gedaan. In plaats daarvan worden de middelen gebruikt voor privédoeleinden van verdachte en andere niet‑gespecificeerde bestedingen, terwijl beleggers weinig tot niets terugzien.

Het strafrechtelijk onderzoek start nadat meerdere grote banken, waaronder de ABN Amro Bank, ING Bank en Rabobank, ongebruikelijke transacties en patronen signaleren op de rekeningen van verdachte, zijn eenmanszaak en zijn betrokken vennootschappen en deze melden bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Financial Intelligence Unit (FIU). De FIU kwalificeert deze transacties als verdacht en draagt deze over aan de Fiscale inlichtingen‑ en opsporingsdienst (FIOD). Vanaf november 2022 dienen tientallen gedupeerden – onder meer klanten die aanzienlijke bedragen inlegden in de vermeende investeringsprogramma’s – aangifte in bij politie en Openbaar Ministerie.

Op 25 april 2023 wordt verdachte door de rechtbank Den Haag in staat van faillissement verklaard. De curator stelt vast dat verdachte onvoldoende, dan wel geen administratie heeft gevoerd en bijgehouden, hetgeen de afwikkeling van het faillissement ernstig bemoeilijkt.

Tenlastelegging

Tegen verdachte wordt in twee aan elkaar gevoegde zaken het volgende verweten:

Zaak A:

  1. Het plegen van oplichting van meerdere personen voor een bedrag van ten minste 1.257.814 euro in de periode van 1 mei 2020 tot en met 20 juni 2023

  2. Het plegen van verduistering van ten minste 1.227.526 euro toebehorend aan diverse personen in dezelfde periode

  3. Het verlenen van beleggingsdiensten zonder een door de AFM vereiste vergunning

  4. Het witwassen van geldbedragen en bitcoins ter waarde van circa 2.485.340 euro, verkregen uit de hiervoor genoemde misdrijven

Zaak B:

  1. Het opzettelijk niet voeren en bewaren van een administratie ondanks de geldende wettelijke verplichtingen in het kader van zijn faillissement, waardoor de afwikkeling van het faillissement wordt bemoeilijkt

De tenlasteleggingen zijn op de zitting aangevuld en, voor zover nodig, taalkundig en juridisch geoptimaliseerd zonder de verdediging te schaden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de officier van justitie, stelt zich op het standpunt dat alle feiten, zoals in de tenlastelegging omschreven, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Met het oog op de grote hoeveelheid bewijs, de ernst en structuur van het strafbare handelen en de grote maatschappelijke impact, wordt – mede op basis van met verdachte gemaakte procesafspraken – een gevangenisstraf van 22 maanden geëist, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie benadrukt dat het handelen van verdachte niet alleen individuele beleggers heeft geschaad, maar ook het vertrouwen in het financiële stelsel en in de investeringspraktijk in bredere zin heeft geschaad.

Standpunt van de verdediging

De verdediging, bijgestaan door raadsman mr. H. Sytema, conformeert zich aan de tussen partijen gemaakte procesafspraken en voert geen bewijsverweren. Verdachte verklaart vrijwillig en weloverwogen afstand te doen van zijn verdedigingsrechten en instemt met de voorgestelde afdoening. De raadsman wijst op verzachtende persoonlijke omstandigheden, waaronder het faillissement van verdachte, zijn detentie in een streng regime in de Verenigde Staten en gezondheidsproblemen. Tevens verzet de verdediging zich tegen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, nu de exacte schade niet eenvoudig vast te stellen is en de maatregel bij niet-nakoming leidt tot gijzeling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank beoordeelt allereerst de geldigheid van de procesafspraken en stelt vast dat verdachte zich bewust en vrijwillig heeft verbonden aan deze afspraken. De rechtbank is overtuigd dat verdachte zich niet onder druk gezet heeft gevoeld en dat hij voldoende geïnformeerd was over de inhoud en de consequenties. De rechtbank behoudt echter haar eigen verantwoordelijkheid bij de beoordeling van de bewijsvoering en de strafoplegging.

Op basis van de verklaringen van aangevers, financiële overzichten, e-mailcorrespondentie en documentatie, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende meerdere jaren heeft gehandeld met het opzettelijk oogmerk beleggers te misleiden. Hij presenteert zich als professioneel investeerder met een team van deskundigen en doet alsof hij belegt in bekende bedrijven met hoge rendementen, terwijl feitelijk sprake is van een lege huls. De ontvangen gelden worden aangewend voor privégebruik.

Ten aanzien van de niet-bestaande vergunning constateert de rechtbank dat verdachte en zijn onderneming nimmer over een AFM-vergunning beschikten en dat hij daarmee stelselmatig de Wet op het financieel toezicht overtreedt. Daarnaast maakt hij zich schuldig aan gewoontewitwassen door het structureel opnemen, omzetten en besteden van uit misdrijf afkomstige gelden in het economisch verkeer.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verdachte, ondanks zijn verplichting daartoe, geen administratie voert en deze ook niet verstrekt aan de curator. Daardoor wordt de afwikkeling van het faillissement ernstig belemmerd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

  • Meermalen oplichting en verduistering pleegt ten aanzien van geldbedragen en bitcoins die bestemd zijn voor beleggingen

  • Stelselmatig beleggingsdiensten aanbiedt zonder de vereiste vergunning

  • Gewoontegetrouw witwassen pleegt

  • Niet voldoet aan zijn administratieplicht in faillissement

Strafoplegging

Gelet op de aard, de ernst, de omvang van de feiten, het benadelingsbedrag van ruim 2,5 miljoen euro, en de maatschappelijke impact, acht de rechtbank uitsluitend een gevangenisstraf passend. Ondanks de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de gemaakte procesafspraken, het ontbreken van relevante recidive, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de reeds ondergane detentie in binnen- en buitenland. Zij legt een gevangenisstraf op van 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Benadeelde partijen

De rechtbank verklaart alle 23 benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen. Aangezien verdachte failliet is verklaard, dienen deze vorderingen te worden ingediend bij de curator in het kader van het civiele faillissementsrecht. Dit waarborgt de gelijke behandeling van schuldeisers.

Schadevergoedingsmaatregel

Het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt afgewezen. Gelet op de onduidelijkheid over de exacte schadeomvang en de mogelijkheid dat sommige benadeelden alsnog (deels) zullen worden gecompenseerd via de curator of de stichting die opkomt voor hun belangen, acht de rechtbank de maatregel in dit stadium niet passend.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^