Artikel 74 AWR geen belemmering voor ontneming van vervolgprofijt uit aan belastingheffing onttrokken vermogen: hof rekent voordeel toe aan ultimate beneficial owners

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch legt op 16 april 2026 aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel op van € 5.157.336 wegens vervolgprofijt uit witwassen van aan de belastingheffing onttrokken vermogen. Het hof oordeelt dat artikel 74 AWR niet in de weg staat aan ontneming van voordeel dat op andere wijze samenhangt met fiscale fraude, zoals rendement op aan de belastingheffing onttrokken gelden. De betalingsverplichting wordt hoofdelijk opgelegd aan de betrokkene en haar medeverdachte als ultimate beneficial owners. De gelijktijdig gewezen vordering tegen de betrokken rechtspersoon wordt afgewezen omdat het voordeel feitelijk uitsluitend bij de natuurlijke personen is terechtgekomen. De rechtspersoon is volgens het hof slechts als instrument en tussenschakel gebruikt. De gijzeling wordt vastgesteld op de wettelijke maximumduur van 1080 dagen.

Inleiding en context

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch doet op 16 april 2026 uitspraak in een ontnemingsprocedure in hoger beroep tegen een natuurlijke persoon, geboren in 1956 en zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. De procedure bouwt voort op de strafrechtelijke veroordeling die het hof eveneens op 16 april 2026 onder parketnummer 20-003056-21 heeft uitgesproken. De betrokkene is in die strafzaak veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van witwassen, gepleegd door een vennootschap in de periode juli 2007 tot en met september 2011, feitelijk leidinggeven aan witwassen door een tweede vennootschap in de periode oktober 2014 tot en met mei 2017, feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften vennootschapsbelasting in de periode 9 december 2011 tot en met 29 november 2016. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, heeft op 4 juli 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 12.781.826 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van € 9.883.573,50, waarvan € 6.985.321 hoofdelijk met medeveroordeelden, alsmede de gijzelingsduur vastgesteld op 1080 dagen. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Gelijktijdig is door de rechtbank in eerste aanleg ook een ontnemingsvordering tegen één van de betrokken rechtspersonen toegewezen tot een bedrag van € 6.154.951; ook tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De ontnemingsvordering is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van het tweede lid van dit artikel is voldaan, nu de betrokkene is veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan (medeplegen van) witwassen, begaan door een rechtspersoon. De vordering hangt nauw samen met de bewezenverklaarde fiscale fraude, die bestond uit het verschuiven van handelswinsten van een in Nederland gevestigde vennootschap naar een vennootschap in Hongkong. Het totaalbedrag van de over de jaren 1998 tot en met 2015 in Nederland niet aangegeven winsten beloopt volgens de Belastingdienst € 15.857.279, waarmee een bedrag van € 4.729.793 aan vennootschapsbelasting is ontdoken. Centraal staat de vraag of artikel 74 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de weg staat aan ontneming van het uit deze fiscale gedragingen voortvloeiende vermogensvoordeel, en aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden toegerekend. Voor de beoordeling is met name het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703, van belang.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep en daarmee oplegging van een betalingsverplichting van € 9.883.573,50, waarvan € 6.985.321 hoofdelijk met medeveroordeelden, alsmede een gijzelingsduur van 1080 dagen. In de gelijktijdig behandelde procedure tegen de rechtspersoon vordert de advocaat-generaal integrale bevestiging van het rechtbankvonnis en daarmee oplegging van een betalingsverplichting van € 6.154.951.

Standpunt van de verdediging

De betrokkene voert primair aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering. Subsidiair stelt zij dat niet tot ontneming kan worden overgegaan, aangezien het gehele vermogen een legale herkomst heeft. Meer subsidiair bepleit zij matiging van de betalingsverplichting, waarbij rekening dient te worden gehouden met de overgrote legale component die van de uitgeleende geldbedragen deel heeft uitgemaakt. Namens de rechtspersoon worden inhoudelijk vergelijkbare verweren gevoerd, met als kern het beroep op artikel 74 AWR voor zover de vordering correspondeert met het belastingnadeel, en subsidiair afwijzing van de vordering.

Oordeel gerecht

Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703, oordeelt het hof dat artikel 74 AWR geen belemmering vormt voor de oplegging van een ontnemingsmaatregel wanneer het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel dat op een andere wijze samenhangt met het begaan van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit. Hieronder valt onder meer het voordeel dat wordt behaald als gevolg van het gebruik van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel, bijvoorbeeld wanneer witwasgedragingen met betrekking tot dat vermogensbestanddeel tot een vermogensvermeerdering hebben geleid. Juist die vermogensvermeerdering vormt in deze zaak de grondslag voor het berekende voordeel.

Het hof stelt vast dat de door de Nederlandse vennootschap ontdoken belasting via de betrokkene en haar medeverdachte in direct verband staat met het vermogen van de Hongkongse financieringsvennootschap. De medeverdachte heeft verklaard dat alle ontvangsten van de handel van de Hongkongse handelsvennootschap binnenkomen op de gezamenlijke bankrekening en dat dit het gezamenlijk vermogen van hem en de betrokkene betreft. Beiden ontvangen bedragen op die bankrekening, zonder dat ooit een splitsing tussen inkomende en uitgaande bedragen is gemaakt. De betrokkene verwoordt dit zelf met de uitlating dat ieder pakt wat hij nodig heeft. Doordat de Nederlandse vennootschap in de jaren 1998 tot en met 2015 een bedrag van ruim € 4,7 miljoen aan vennootschapsbelasting heeft ontdoken, hebben de betrokkene en haar medeverdachte dit geld kunnen gebruiken voor investeringen, waaronder het via twee vennootschappen verstrekken van financieringen tegen rentepercentages variërend van acht tot tien procent. Het vermogen van betrokkenen is mede hierdoor uitgegroeid tot een bedrag van € 46.000.000 in 2017.

Het hof gaat voor de berekening van het vervolgprofijt, in het voordeel van betrokkenen, uit van een rentepercentage van negen procent. Per jaar tussen 1998 en 2015 berekent het hof het vervolgprofijt door de ontdoken vennootschapsbelasting te vermenigvuldigen met 0,09 maal het aantal jaren tot 2017. De som van deze jaarlijkse bedragen leidt tot een totaal geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van € 5.157.336.

Vervolgens beoordeelt het hof aan wie het voordeel moet worden toegerekend. De betrokkene en haar medeverdachte waren ten tijde van het sluiten van de financieringen de ultimate beneficial owners van de betrokken vennootschappen en bepaalden de gang van zaken bij die vennootschappen. Om die reden rekent het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan hen toe en wijst de ontnemingsvorderingen ten aanzien van die vennootschappen af. In de gelijktijdig gewezen uitspraak tegen de rechtspersoon werkt het hof deze toerekening nader uit. Hoewel de rechtspersoon over een eigen, afgescheiden vermogen beschikt, acht het hof aannemelijk dat de ultimate beneficial owners zonder meer en tot het volledige bedrag hebben kunnen beschikken over het geld dat als resultaat van de bedrijfsvoering in het vermogen van de rechtspersoon is gevloeid. Zij hadden gezamenlijk de volledige zeggenschap over de rechtspersoon en de gehele bedrijfsvoering was erop gericht dat het voordeel uiteindelijk bij hen terecht kwam. De rechtspersoon is slechts als instrument en tussenschakel gebruikt. Het door de rechtspersoon wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op die grond op nihil geschat.

Met betrekking tot de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, EVRM stelt het hof vast dat deze is geschonden. Het hof heeft daarmee echter reeds in de samenhangende strafzaak rekening gehouden bij de strafoplegging en volstaat in de ontnemingszaak met de enkele constatering van die schending.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 5.157.336. Het hof legt de betrokkene de hoofdelijke verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De hoofdelijke aansprakelijkheid vloeit voort uit het oordeel dat de betrokkene en haar medeverdachte gezamenlijk de ultimate beneficial owners waren van het totale opgebouwde vermogen van € 46.000.000 en dus ook van het gedeelte daarvan dat bestaat uit wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof bepaalt dat de betalingsverplichting komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat. Met toepassing van artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd vast op 1080 dagen. Het hof hanteert daarbij het binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunt van één dag gijzeling per volle € 100 betalingsverplichting, met een wettelijk maximum van drie jaren. Gelet op de hoogte van de betalingsverplichting wordt deze maximumduur bereikt. Daarmee wijkt het hof voor wat betreft het ontnomen bedrag aanzienlijk naar beneden af van de vordering van het Openbaar Ministerie, terwijl de gijzelingsduur ongewijzigd blijft. De ontnemingsvordering tegen de betrokken rechtspersoon wordt in de gelijktijdig gewezen uitspraak integraal afgewezen, zodat het feitelijke voordeel uitsluitend bij de natuurlijke personen wordt ontnomen.

Lees hier de volledige uitspraken: ECLI:NL:GHSHE:2026:1004 en ECLI:NL:GHSHE:2026:1005.

Print Friendly and PDF ^