Kan het direct na ontvangst ‘doorlenen’ van een fiets aan een ander worden aangemerkt als wederrechtelijk toe-eigenen van die fiets (art. 321 Sr)?
/Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:538
Het hof heeft in navolging van de rechtbank overwogen dat het de verdachte gelet op de omstandigheden waaronder de uitlening plaatsvond niet vrij stond om de fiets aan een voor de aangever onbekende derde door te lenen en dat de verdachte door op deze manier te handelen als heer en meester is gaan beschikken over de fiets, zonder dat zij daartoe gerechtigd was. In het licht van de hiervoor besproken rechtspraak acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het op ‘s hofs terechtzitting door de verdediging gevoerde verweer maakt dat niet anders.
Read More