Toetsingskader HR mbt van eigen misdrijf verkregen voorwerp bij witwassen

Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888

Verzoeker is bij arrest van 23 januari 2013 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden wegens 1. witwassen, en 2.a. medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder A Opiumwet gegeven verbod en 2.b. een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Daarnaast heeft het Hof de inbeslaggenomen geldbedragen van € 9.000 en € 20.500 verbeurdverklaard.

De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde steunt onder meer op de volgende bewijsvoering:

"Op 8 september 2008 vindt een doorzoeking plaats in de woning van verdachte op het adres [a-straat 1] in [plaats]. Daarbij treft het opsporingsteam niet alleen verdachte, maar ook een man genaamd [betrokkene 2] in de woning aan.

Bij de doorzoeking wordt het volgende aangetroffen:

    • een contant geldbedrag van in totaal € 20.500 in het nachtkastje van de slaapkamer;
    • een tabel reistijden bus Göteborg;
    • een contant geldbedrag van in totaal € 9.000,- in de berging;
    • drie weegschaaltjes in de linker keukenlade.

Het geld wordt aangetroffen in coupures van € 500."

Het Hof heeft ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:

"Het hof acht ook het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof neemt ten aanzien van dit feit het volgende in aanmerking:

    • Het bedrag aan contanten ter hoogte van 29.500 EURO is ongebruikelijk hoog om thuis, in een nachtkastje dan wel berging te bewaren,
    • De aangetroffen coupures van 500,-- EURO zijn in het dagelijkse verkeer niet gangbaar.
    • Het bij de Belastingdienst bekende inkomen van de verdachte maakt het onaannemelijk dat evengenoemd geld uit legale bron afkomstig spaargeld van de verdachte zou zijn. Dat een deel van het bij de verdachte aangetroffen bedrag (dat in zijn nachtkastje is aangetroffen) ter hoogte van 20.500 EUR een legale herkomst heeft uit handelsactiviteiten van Nwafor is voorts onaannemelijk nu laatstgenoemde hierover wisselend heeft verklaard en voorts de ter adstructie van de herkomst van evengenoemde geldbedragen overgelegde bescheiden hiervoor geenszins een concrete onderbouwing vormen.

Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook, anders dan de raadsman, van oordeel dat de zijdens verdachte gestelde herkomst van bedoelde gelden onaannemelijk is. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dat evengenoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het Hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen" en heeft ten aanzien van die kwalificatie het volgende overwogen:

"Nu uit de stukken uit het dossier noch anderszins vaststaat dat het voorhanden hebben van de ten laste gelegde geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf is het hof, anders dan de raadsman van oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als hierboven vermeld."

Namens verzoeker heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "witwassen".

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5). Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

  1. daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
  2. rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
  3. de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, rov. 2.3.1 en 2.3.2).

In het onderhavige geval gaat het om onder de verdachte in zijn woning aangetroffen geldbedragen van € 20.500,- en € 9.000,-. 's Hofs bewijsvoering houdt in dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Vervolgens heeft het Hof bij de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde voorhanden hebben van deze geldbedragen als 'witwassen' geoordeeld dat niet "vaststaat" dat de tenlastegelegde geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf. Aldus heeft het Hof, zij het in minder juiste bewoordingen, tot uitdrukking gebracht dat niet in voormelde zin "aannemelijk" is geworden dat die geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Niet alleen vloeit het tegendeel niet rechtstreeks voort uit 's Hofs bewijsvoering  en is door of namens de verdachte niets aangevoerd over het op 8 september 2008 voorhanden hebben van die geldbedragen door eigen misdrijf, maar de onder 2 bewezenverklaarde misdrijven (kort gezegd: uitvoer van cocaïne in de maand juni 2008 en voorbereiding van de verkoop enz. van cocaïne op 8 september 2008) zijn ook niet zodanig dat daaruit zonder meer volgt dat de verdachte de geldbedragen kennelijk door deze misdrijven heeft verworven of voorhanden heeft gehad.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: Voormalige profvoetballer heeft tijdens zijn carrière premies en tekengelden zwart uitgekeerd gekregen

Rechtbank Rotterdam 24 maart 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2112

In de slaapkamer van de verdachte is een geldbedrag aangetroffen ter waarde van €231.705,-. De OvJ heeft de verdachte vervolgd voor witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b Sr, kort gezegd het bezitten van geld dat van misdaad afkomstig is. Ter terechtzitting, mede naar aanleiding van de aldaar afgelegde verklaring van de verdachte, heeft de officier van justitie de tenlastelegging gewijzigd zodat aan de verdachte ook het witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder a Sr. wordt verweten, kort gezegd, het verhullen van de herkomst van dat geld.

Primaire verweer

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde witwassen bepleit, omdat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft het geld verdiend met voetballen, in België bij [Belgische voetbalclub] en in Nederland bij [Nederlandse voetbalclub] en verder bij enkele Nederlandse amateurclubs. De verdachte heeft contant uitbetaalde winstpremies en tekengelden over de loop der jaren gespaard als een vorm van pensioenvoorziening. Dit blijkt ook uit verklaringen in het dossier. De raadsman heeft ter terechtzitting voorts een stuk overgelegd dat een kopie is van een artikel, inhoudende, kort gezegd, dat in het Belgische professionele voetbal veel zwart geld in omloop was, in de periode dat de verdachte daar voetbalde.

Beoordeling rechtbank

Op 30 oktober 2007 is in een rieten mand en onder het bed in de slaapkamer van de woning waar de verdachte verbleef een contant geldbedrag (in kleine coupures) van € 231.705,-- aangetroffen.

De verdachte heeft hierover, tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 30 oktober 2007, verklaard, dat hij vroeger profvoetballer was geweest en een hoop zwart had gewerkt. Met het voetbal heeft hij ongeveer 150.000 euro verdiend, ook zwart.

Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte deze verklaring herhaald en aangevuld:

Ten aanzien van het bedrag van 231.705 euro heb ik al verklaard dat dat geld van mij was. Het was voor mij een soort pensioenvoorziening. Het geld dat ik verdiend had bij het voetballen. Ik heb tot ongeveer 1994 gespeeld bij [Belgische voetbalclub]. Daarmee heb ik een bedrag van omgerekend 150.000 euro verdiend. Dat was in zekere zin zwart geld. Naast die 150.000 euro bestaat het totaalbedrag ook nog uit drie maal 15.000 euro die ik bij amateurclubs heb verdiend.

Ter terechtzitting, tenslotte, heeft de verdachte nog verklaard, dat hij ook bij [Nederlandse voetbalclub] (voor een deel) contant werd uitbetaald en wel tot een bedrag van ongeveer € 34.000,-. Al deze bedragen, inclusief enkele leningen, verklaren het totaal van het aangetroffen geld. De verdachte heeft verder verklaard, dat hij dit geld niet bij de belasting heeft opgegeven. Hij heeft steeds geleefd van het geld dat de clubs hem per bank uitbetaalden. Het contant uitbetaalde geld heeft hij gespaard.

Deze verklaringen vinden steun in het dossier en in het verhandelde ter zitting. Meer in het bijzonder wat betreft verdachtes carrière als professionele voetballer en voor zover is gebleken dat de verdachte bij [Belgische voetbalclub] blijkens de afgedragen verzekeringspremies, in België een legaal inkomen heeft genoten tot een totaal van ongeveer € 39.000,-. Gelet hierop, gelet op verdachtes verklaringen dat het om zwartgeld ging, gelet op ontbrekende aanwijzingen voor het tegendeel en gelet op de verklaringen c.q. het standpunt van de verdachte ter terechtzitting dat het geld vrijwel volledig afkomstig is van contante betalingen, dat hij daar geen belasting over heeft betaald en dat hij het niet aan de fiscus heeft opgegeven, acht de rechtbank dan ook bewezen dat het geld is verkregen door enig fiscaal delict en dat de verdachte dat heeft geweten. De rechtbank acht tevens bewezen dat hij de herkomst van dat geld heeft verhuld door dit geld contant te houden.

Subsidiaire verweer 

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, nu – voor zover al sprake zou zijn van enig misdrijf – het een geldbedrag uit eigen misdrijf betreft en de verdachte geen handeling heeft verricht die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. De verdachte heeft het geld in de tenlastegelegde periode enkel voorhanden gehad op zijn verblijfsadressen bij zijn moeder dan wel bij zijn vriendin. Hij heeft geen handelingen verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van een eventuele criminele herkomst van het geld (GHAMS:2014:667 en HR:2014:1237).

Beoordeling rechtbank

Gelet op de inrichting van de tenlastelegging is het verweer te beschouwen als een bewijsverweer, maar nu het een verkapte kwalificatiekwestie betreft, zal de rechtbank het verweer hier bespreken.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat een gedeelte van het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit een fiscaal delict en daarmee verkregen uit eigen misdrijf. De verdediging wordt niet gevolgd in het verweer, dat geen sprake is van handelingen gericht op het daadwerkelijk verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag.

Kenmerkend voor een fiscaal delict is immers dat men niet wil dat het geld zichtbaar is om zo te voorkomen dat hierover verantwoording dient te worden afgelegd. Het contant uitbetalen door de voetbalclubs van het geld en daarop volgend het in elk geval vanaf 1994 gedurende vele jaren contant houden van het geld, dient tezamen te worden aangemerkt als de verhullingshandeling. Weliswaar is de verhullingshandeling aangevangen buiten de tenlastegelegde periode (het is immers voorafgaand aan die periode contant uitbetaald door de diverse voetbalclubs), maar het duurt voort in de tenlastegelegde periode. Door het onzichtbaar te houden – en daarmee niet traceerbaar voor overheidsinstanties zoals de Belastingdienst – heeft de verdachte de criminele herkomst van het geld verhuld.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

  1. witwassen;
  2. oplichting, meermalen gepleegd;
  3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
  4. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De verdachte heeft jarenlang voor zijn voetbalactiviteiten contant geld ontvangen van diverse voetbalclubs en geen aangifte gedaan bij de Belastingdienst van deze inkomsten. Het geld dat hij ten onrechte niet afdroeg aan de Belastingdienst en dus uitspaarde heeft hij contant bewaard, zodat dit ook niet zichtbaar en traceerbaar was voor overheidsinstanties zoals de Belastingdienst.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan oplichting, door met gebruik van een creditcard die niet van hem was, te parkeren in een parkeergarage.

Tot slot heeft de verdachte 4,6 gram cocaïne en ongeveer 439,80 gram hennep aanwezig gehad.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 73 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak witwassen: de aan de verdenking ten grondslag liggende kasopstelling is niet bruikbaar voor het bewijs, aangezien de gegevens die werden gebruikt niet volledig zijn

Rechtbank Limburg 11 maart 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2074

De verdenking komt er op neer dat verdachte al dan niet samen met een ander geldbedragen heeft witgewassen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte en haar echtgenoot over veel geld beschikten, waarvan de herkomst niet verklaard kan worden. De officier van justitie heeft verwezen naar de kasopstelling. Gelet op het aantreffen van drugs en versnijdingsmiddelen in de woning van verdachte en haar echtgenoot, stelt de officier van justitie dat verdachte en haar echtgenoot inkomsten hebben genoten door de Opiumwet te overtreden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd - kort gezegd - dat de opgemaakte kasopstelling niet tot het bewijs van witwassen kan dienen, nu deze te veel gebreken bevat en gebaseerd is op schattingen en aannames. Ook heeft hij aangevoerd dat er geen bewijs is dat verdachte en haar echtgenoot vermogen uit enig misdrijf hebben verkregen. Verdachte en haar echtgenoot hebben verifieerbare en aannemelijke verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid van de Regiopolitie Limburg-Zuid werd in 2008 informatie ontvangen dat een persoon, wonend aan adresgegevens, vanuit zijn woning handelt in heroïne en dat hij grote geldbedragen, alsmede een vuurwapen thuis heeft liggen. Verder werd informatie ontvangen dat medeverdachte zeker 10 jaar op grote schaal in Maastricht in verdovende middelen handelt, die vanuit Turkije via Duitsland naar Nederland worden gebracht. medeverdachte is met zijn echtgenote, verdachte, woonachtig op het adresadresgegevens. medeverdachte is op 23 september 2008 aangehouden ter zake overtreding van de Opiumwet. Op diezelfde dag heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning van medeverdachte en verdachte, waarbij onder meer een contant geldbedrag van in totaal € 11.440,00, een kleine hoeveelheid verdovende middelen en enkele kilo’s versnijdingsmiddelen, alsmede een geldtelmachine werden aangetroffen en in beslag genomen. had toen een inkomen uit arbeid van ongeveer € 1.600,00 tot € 1.700,00 per maand. Verdachte ontvangt een uitkering van ongeveer € 1.200,00 netto per maand. Zij waren toen in het bezit van een personenauto van het merk, die een waarde van ruim € 100.000,00 zou vertegenwoordigen, alsmede van een automerk, waard ongeveer € 25.000,00. Verdachte en medeverdachte hebben justitiële documentatie/ antecedenten op het gebied van de Opiumwet.

Naar aanleiding van voormelde situatie is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar het medeplegen van witwassen door verdachte en medeverdachte naam. Dit onderzoek bevat onder meer onderzoek naar de financiële omstandigheden van verdachte en haar echtgenoot over de periode vanaf 1 januari 2001 tot en met 30 januari 2009. Het strafrechtelijk financieel onderzoek bevat tevens een berekening volgens de – zogenoemde – eenvoudige kasopstelling, waarmee via eenvoudige wijze getracht wordt inzicht te geven in de contante geldstromen van verdachte en haar echtgenoot gedurende de onderzoeksperiode. Uit deze eenvoudige kasopstelling is in het kader van eerder genoemd onderzoek geconcludeerd dat verdachte en medeverdachte naam in de onderzoeksperiode aanzienlijk meer geld in contanten aanwezig hebben gehad en uitgegeven dan dat zij uit legale bron hebben ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel de (eenvoudige) kasopstelling gebruikt kan worden voor het bewijs van witwassen. De rechtbank is – met de verdediging – van oordeel dat de onderhavige kasopstelling echter niet voor het bewijs gebruikt kan worden.

De rechtbank overweegt daartoe dat de gegevens die werden gebruikt om de kasopstelling op te stellen niet volledig zijn. Hierdoor bestaat onder andere onduidelijkheid over het beginsaldo van de kasopstelling.

Vaststaat dat verdachte in de tenlastegelegde periode een frituur heeft geëxploiteerd. Het kassaldo van deze frituur bedroeg op 1 januari 2001 € 5.830,34. Dit bedrag is door het onderzoeksteam als beginsaldo van de kasopstelling gehanteerd. Het onderzoeksteam heeft echter niet onderzocht of verdachte en/of haar echtgenoot, medeverdachte, naast het kassaldo van de frituur nog over ander vermogen beschikte(n). De verdediging heeft onder andere aangevoerd dat verdachte aanzienlijke winsten behaalde in het casino. Vaststaat dat verdachte in de onderzoeksperiode regelmatig naar Holland casino in Valkenburg ging en dat er door dit casino regelmatig aanzienlijke bedragen aan haar werden uitgekeerd. Niet onderzocht is echter of zij ook vóór de start van het onderzoek aanzienlijke winsten in het casino had behaald en deze nog in haar bezit had. Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat zij voorafgaand aan de tenlastegelegde periode aanzienlijke winsten heeft behaald, welk vermogen niet is meegenomen in de kasopstelling.

De officier van justitie stelt dat verdachte en haar echtgenoot illegale inkomsten hebben genoten door het overtreden van de Opiumwet. Hij heeft verwezen naar het aantreffen van harddrugs in de woning van verdachte en haar echtgenoot op 23 september 2008 en op 30 januari 2009, alsmede het aantreffen van enkele kilo’s versnijdingsmiddelen op 23 september 2008. De rechtbank is van oordeel dat, mocht al sprake zijn van bijvoorbeeld het handelen in verdovende middelen, hetgeen is aangetroffen tijdens de doorzoekingen onvoldoende is om aan te nemen dat verdachte en haar echtgenoot gedurende de tenlastegelegde periode in strijd met de Opiumwet hebben gehandeld. De informatie die leidt tot de verdenking van overtreding van de Opiumwet dateert uit eind 2008. Over de daaraan voorafgaande tenlastegelegde periode vanaf 2001 bevindt zich niets in het dossier ter zake een verdenking van handelen in strijd met de Opiumwet. Er is dan ook onvoldoende bewijs voor het bestaan van criminele activiteiten gedurende de gehele tenlastegelegde periode.

Bovendien valt niet uit de sluiten dat verdachte en haar echtgenoot hun uitgaven hebben bekostigd met legale inkomsten. Op basis van het dossier blijft namelijk onduidelijk over welke contante inkomsten verdachte en haar echtgenoot gedurende de tenlastegelegde periode konden beschikken. Zo is er geen informatie van de belastingdienst over de jaren 2001 tot en met 2004 aan het dossier toegevoegd. Er is dan ook niet bekend of in deze jaren inkomsten door beiden of een van hen zijn genoten. Ook is de financiële administratie van de frituur niet aan het dossier toegevoegd. Hierdoor kan niet beoordeeld worden in hoeverre privé-opnamen zijn gedaan uit de kas van de frituur, dan wel privéstortingen in die kas. Het is dan ook niet onmogelijk dat enkele opmerkelijke uitgaven, zoals de aanschaf van twee (relatief) dure auto’s en het voor grote bedragen aanschaffen van speelpenningen bij Holland Casino te Valkenburg, met legaal verkregen inkomsten zijn bekostigd. Dit geldt te meer nu, zoals hiervoor reeds overwogen, het beginsaldo onvoldoende in beeld is gebracht.

Alles overwegende kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen, uit misdrijf verkregen geld heeft witgewassen. Nu het tenlastegelegde reeds om de hiervoor genoemde redenen niet tot een veroordeling kan leiden, zal de rechtbank de overige door de raadsvrouw genoemde verweren niet nader bespreken. Verdachte zal, bij gebrek aan bewijs, worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Conclusie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Ook wordt het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Wat doen daders met hun geld? Uitkomsten van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit'

 

De bestrijding van witwassen en het afpakken van crimineel vermogen wordt als essentieel gezien voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit. De (gepercipieerde) dreiging van daders die grote sommen geld verdienen én uitgeven, is internationaal een belangrijke kracht achter antiwitwasbeleid. Het was een van de bouwstenen op basis waarvan een antiwitwassysteem werd gebouwd tijdens de war on drugs in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Dit systeem kreeg recent met de war on terror een nieuwe impuls.

Wie de literatuur over witwassen bekijkt, ziet dat er een overvloed is aan literatuur waarin het antiwitwas beleid centraal staat. Aan de andere kant is er maar een beperkt aantal empirische studies naar wat daders daadwerkelijk doen met hun geld. Met dit artikel willen we aan de hand van eigen onderzoek bijdragen aan de empirische kennis. We richten ons daarbij niet op witwas technieken, maar op de feitelijke bestedingen van daders; het vrijelijk kunnen besteden van criminele inkomsten is immers meestal waar het de daders om te doen is wanneer zij hun geld witwassen. We kijken daarbij vooral naar investeringen in de legale economie omdat juist dergelijke investeringen een reden van zorg zijn voor beleidsmakers, bijvoorbeeld vanwege de schade die zou kunnen optreden voor de legale economie of de machtsposities die daders met hun investeringen zouden kunnen verkrijgen. We behandelen zowel de vraag in welke goederen daders investeren als de vraag in welke landen ze dat doen. Ook geven we op basis van de empirische resultaten een theoretische duiding van hun investeringsgedrag.

De auteurs gaan eerst kort verder in op de vraag die politie en justitie bezighoudt en ook in dit artikel centraal staat: wat doen daders eigenlijk met hun geld? Vervolgens geven de auteurs een toelichting op de data die we hebben gebruikt. De empirische resultaten van onze analyses bespreken we in de paragraaf ‘Investeringen’. Ten slotte bespreken de auteurs de empirische resultaten om iets te zeggen over de houdbaarheid van verschillende theoretische benaderingen en assumpties uit de literatuur over witwassen en georganiseerde criminaliteit. Twee benaderingen die in de witwasliteratuur zijn te vinden, zijn de economische benadering en de criminele-infiltratiebenadering. Beide botsen met onze empirische resultaten. Een theoretisch concept dat veel beter bij onze uitkomsten blijkt te passen, is afkomstig uit onderzoek naar criminele carrières in de georganiseerde criminaliteit, het concept van de sociale-gelegenheidsstructuur (social opportunity structure ).

Lees verder:

Dit artikel is onderdeel van het themanummer witwassen van Justitiële verkenningen.

 

Meer weten over  bestrijding van witwassen? Kom dan op Vrijdag 29 mei 2015 naar de Cursus Witwassen, met als sprekers:

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

'De criminele levensloop van hawaladars: Een verkennend onderzoek'

 

Systemen waarbij geld wordt overgemaakt via niet-reguliere financiële instellingen staan bekend als ondergronds bankieren, informal value transfer systems of meer specifiek, hawala. De laatste term, hawala, wordt met name gebruikt in relatie tot de Indiase, Afghaanse en Pakistaanse gemeenschap.

Volgens de literatuur vervullen personen die hawala-diensten aanbieden, de zogeheten hawaladars, een belangrijke functie voor migrantengemeenschappen. Dankzij hun diensten kunnen migranten sneller, goedkoper en naar meer afgelegen gebieden geld overmaken dan via reguliere financiële instellingen. Hawaladars zijn hiertoe in staat omdat zij gebruik maken van een informeel netwerk van familieleden, kennissen of contacten in de eigen etnische gemeenschap. Een mondelinge toezegging zou vaak genoeg zijn om een transactie direct doorgang te geven. Hawaladars weten verder kosten te besparen door zich te onttrekken aan de regels en procedures die het formele toezicht vereist.

Maar hawala kent ook zijn schaduwkanten. Vooropstaat dat het aanbieden van hawala-diensten zonder vergunning van De Nederlandsche Bank (DNB) in Nederland is verboden. Nederlands onderzoek wijst verder uit dat hawaladars crimineel geld verplaatsen. Net als legale migranten worden ook criminelen aangetrokken door de informaliteit van het systeem en het gebrek aan formeel toezicht.

Lees verder:

Dit artikel is onderdeel van het themanummer witwassen van Justitiële verkenningen.

 

Meer weten over  bestrijding van witwassen? Kom dan op Vrijdag 29 mei 2015 naar de Cursus Witwassen, met als sprekers:

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

'De offshore vennootschap. Het ideale verhullingsinstrument voor de witwasser?'

 

Misdrijven zoals georganiseerde misdaad, belastingfraude, beleggingsfraude en corruptie leveren veel geld op. Als de crimineel dit geld in de legale economie wil investeren zonder bij de autoriteiten op te vallen, dan dient hij het geld wit te wassen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde offshore vennootschappen (OSV’s). Witwassen is sinds 2001 in Nederland strafbaar gesteld. We zijn nu veertien jaar verder. Wat is er in die veertien jaar geleerd? Volgens een beknopt rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2013 is er nog steeds geen inzicht in de voornaamste witwasrisico’s voor Nederland. Hierdoor is het lastig om gericht beleid te voeren. Een opmerkelijke en harde conclusie, die vreemd genoeg weinig aandacht heeft gekregen (Algemene Rekenkamer 2013). Vooral bij meer technisch verfijnde en grotere witwaszaken, vaak in relatie met georganiseerde criminaliteit, zijn OSV’s een serieus witwasrisico (Van Duyne 2014). Ondanks het grote belang van de OSV is een terugkerend probleem dat er onvoldoende basiskennis en aandacht is voor deze bedrijfssector. Vooral de functie van de OSV bij het plegen van zowel  de gronddelicten als het witwassen zelf is nog onderbelicht. Overigens is het oprichten en gebruik maken van OSV’s in beginsel legitiem. Dit artikel laat de rol van de OSV zien in de witwaspraktijk en geeft beleidsaanbevelingen over de wijze waarop met dit fenomeen zou moeten worden omgegaan. Omdat het begrip OSV geen duidelijke definitie kent, wordt hierna eerst beschreven wat hieronder zou moeten worden verstaan.

Lees verder:

Dit artikel is onderdeel van het themanummer witwassen van Justitiële verkenningen.

 

Meer weten over  bestrijding van witwassen? Kom dan op Vrijdag 29 mei 2015 naar de Cursus Witwassen, met als sprekers:

Klik hier voor meer informatie.

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Belust op misdaadgeld: de werkelijkheid van voordeelsontneming'

 

Weinig onderwerpen spreken zo tot de verbeelding als misdaad en geld. Het een versterkt het ander en omgekeerd. In zo’n verbeelding is de misdaad ernstig en het geld veel, heel veel. Uiteraard mogen plegers van misdaad hun buit niet houden en ervan genieten. ‘Misdaad mag niet lonen’ is de juiste reactie: misdaadgeld moet worden afgenomen. De wetgever heeft met de  ontnemingsmaatregel (art. 36e van het Wetboek van Strafrecht, Sr) rechtsherstel beoogd. De rechtmatige toestand moet worden hersteld door de veroordeelde af te pakken wat hem niet toekomt. Hij strekt derhalve niet tot leedtoevoeging; het is een maatregel, geen straf. Inmiddels lijkt dat anders te zijn geworden. Het huidige beleid inzake de toepassing van de ontnemingsmaatregel kent punitieve trekken: de bedoeling is de veroordeelde te treffen ‘waar het hem pijn doet, namelijk in zijn portemonnee’. Het Openbaar Ministerie kantelt het beleid en gaat van ontnemen naar afpakken, want dat wordt geacht pijn te doen, aldus het College van Procureurs-Generaal.

In deze bijdrage beogen de auteurs op grond van kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar de tenuitvoerleggingspraktijk van de ontnemingsmaatregel de werkelijkheid van de inning te laten zien: wat aan ontnemingsbedragen openstaat, wat wordt geïnd, wat de afdoeningsduur is en voor welke delicten de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Aldus kan tegen de achtergrond van het beleid gewezen worden op mogelijke knelpunten en aangeven hoe het zware pressiemiddel van de lijfsdwang werkt, een vrijheidsbenemende maatregel ingevoerd in 2003 om betaling van de ontnemingsmaatregel af te dwingen.

Lees verder:

Dit artikel is onderdeel van het themanummer witwassen van Justitiële verkenningen.

 

Meer weten over  bestrijding van witwassen? Kom dan op Vrijdag 29 mei 2015 naar de Cursus Witwassen, met als sprekers:

  • Greetje Bos, witwasofficier bij het Landelijk Parket
  • Anita van Dis - Setz, Landelijk OvJ bestrijding witwassen en terrorismefinanciering bij het Functioneel Parket
  • Dirk Timmermans, 010 Strafrecht Advocaten
  • Paul Vugts, (misdaad)verslaggever bij Het Parool. Hij schreef o.a. de bestsellers Hells Angels, motorclub of misdaadbende? (samen met Henk Schutten), De Endstra-tapes en De oorlog in de Amsterdamse onderwereld (samen met Bart Middelburg), en De strijd tegen de Amsterdamse onderwereld. Vugts won met onder meer dat laatste boek de Persprijs Jacques van Veen 2013

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

'Witwasonderzoeken zonder aantoonbaar gronddelict. Het rechterlijk toetsingskader en efficiënt opsporen in zes stappen'

 

Strafrechtelijke witwasonderzoeken zonder aantoonbaar gronddelict kennen op enkele punten een andere opbouw dan de ‘klassieke’ strafrechtelijke onderzoeken. Die andere opbouw vindt zijn oorsprong in het deels verleggen van de bewijslast na een strafrechtelijke witwasverdenking bij witwasonderzoeken zonder gronddelict. Als er een redelijk vermoeden is, dan mag van de verdachte van witwassen een verklaring omtrent de (legale) herkomst verwacht worden. Als de verdachte die niet kan geven, dan zal de rechter concluderen dat het niet anders kan zijn dan dat het witwasvoorwerp een criminele herkomst heeft. Deze leer komt voort uit een rechterlijk toetsingskader dat als leidraad voor de opbouw van een opsporingsonderzoek kan dienen. Door een slim gebruik van dit toetsingskader kan het opsporingsonderzoek efficiënter en effectiever worden. Het doel van dit artikel is om hier handvatten voor te bieden. Tevens beoogt dit artikel een overzicht te bieden van relevante jurisprudentie met betrekking tot het toetsingskader. Tevens wordt er in dit artikel een klein uitstapje gemaakt naar de rol van grote hoeveelheden contant geld in het tot stand komen van een witwasverdenking.

Lees verder:

Dit artikel is onderdeel van het themanummer witwassen van Justitiële verkenningen.

 

Meer weten over  bestrijding van witwassen? Kom dan op Vrijdag 29 mei 2015 naar de Cursus Witwassen, met als sprekers:

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

Cursus Witwassen

De bestrijding van witwassen staat nog altijd hoog op de agenda van opsporingsdiensten en beleidsmakers. Zo zien we een nog altijd een groeiend aantal witwaszaken bij de strafkamers. Ondanks bezuinigingen op de strafrechtsketen is meer geld vrijgemaakt voor de aanpak van witwassen. Binnen de politie, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) alsmede het Openbaar Ministerie (OM) is van alles in gang gezet, opdat structureel meer witwaszaken worden opgepakt. De aanpak van witwassen en het ‘afpakken’ van misdaadgeld zijn dan ook prioriteit bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit.

Tijdens deze cursus wordt onder meer ingegaan op de reikwijdte van de witwasbepalingen, mogelijk te voeren verweren en recente ontwikkelingen. Het onderwerp wordt  belicht zowel vanuit de advocatuur als het Openbaar Ministerie. Zo wordt van beide zijden een interpretatie gegeven aan de witwasjurisprudentie.  Afgesloten wordt met een 'prikkelende' bijdrage van Paul Vugts, (misdaad)verslaggever bij Het Parool.

 

Programma

 

Deel I  Anita van Dis

  • Introductie
  • Witwasbestrijding in NL
  • Invloed FATF en EU op witwasbeleid
  • Typologieën
  • WWFT & WED meldplicht en aanpak OM

 

Deel II  Dirk Timmermans

  • Strafbaarstelling witwassen
  • Reikwijdte van de witwasbepalingen & lijn in de jurisprudentie
  • Mogelijkheden & rol verdediging in voorbereidend onderzoek
  • Mogelijk te voeren verweren ter terechtzitting
  • Bewijs witwassen / typologieën

 

Deel III  Greetje Bos

  • Interpretatie van witwasjurisprudentie volgens het OM
  • Alternatieve aanpak & afdoening
  • Te verwachten trends
  • Nieuwe wetgeving

 

Deel IV  Paul Vugts

 

 

Klik hier voor het programma in PDF.

 

Sprekers

  • Greetje Bos, witwasofficier bij het Landelijk Parket
  • Anita van Dis - Setz, Landelijk OvJ bestrijding witwassen en terrorismefinanciering bij het Functioneel Parket
  • Dirk Timmermans, 010 Strafrecht Advocaten
  • Paul Vugts, (misdaad)verslaggever bij Het Parool. Hij schreef o.a. de bestsellers Hells Angels, motorclub of misdaadbende? (samen met Henk Schutten), De Endstra-tapes en De oorlog in de Amsterdamse onderwereld (samen met Bart Middelburg), en De strijd tegen de Amsterdamse onderwereld. Vugts won met onder meer dat laatste boek de Persprijs Jacques van Veen 2013.

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Leden van de zittende en staande magistratuur
  • Leden van toezicht- en opsporingsteams
  • Handhavers

 

Praktische Informatie

Datum: Vrijdag 29 mei 2015

Tijd: 9.30 - 16.15 uur Inloop vanaf 9.00 uur

Locatie: Plein 15-16 (2511 CR) te Den Haag. Op loopafstand van station Den Haag Centraal (ca. 8 minuten) en nabij Pleingarage (2 minuten).

Routebeschrijving Klik hier voor de routebeschrijving.

Kosten: € 385,- excl. BTW Deze prijs is inclusief:

  • Syllabus
  • Lunch
  • Consumpties

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.
Print Friendly and PDF ^

Hof Amsterdam: Hawalabankieren geen witwassen en dus vrijspraak

Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:853

Op 3 augustus 2011 werd bij de doorzoeking van de woning van de verdachte het navolgende aangetroffen. In de huiskamer zijn drie plastic tassen aangetroffen waarin pakketten geld waren verpakt. Op de pakketten werden briefjes aangetroffen. In de plastic tas met een Albert Heijnlogo zat in totaal € 289.880,00 verpakt, in de tas met het logo van Dirk van den Broek zat een bedrag van € 229.185,00 verpakt en in de tas met het logo van C1000 zat € 23.110,00. In de huiskamer stond tevens een zwarte tas waarin een bedrag van € 100.580,05 was verpakt. In een kluis in de woonkamer zijn bedragen van € 149.475,00 en £ 2.100,00 aangetroffen. In die kluis werd tevens administratie aangetroffen die vermoedelijk betrekking had op ondergronds bankieren. In een ladekast in een slaapkamer zijn bedragen van € 2.425,00 en £ 260,00 gevonden. In dezelfde slaapkamer werden in een heuptasje administratieve bescheiden aangetroffen die vermoedelijk betrekking hadden op ondergronds bankieren. In een andere slaapkamer werd een geldtelmachine aangetroffen.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig concreet misdrijf afkomstig zijn van de geldbedragen die onder de verdachte in beslag zijn genomen. Gelet op de voorliggende beschuldiging van witwassen dient het hof daarom te beoordelen of er op grond van de feiten en omstandigheden zoals daarvan uit dit dossier blijkt, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, op grond waarvan van de verdachte verlangd mag worden dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven.

Het hof komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat de verdachte optrad als informeel bankier - een zogenoemde Hawala-bankier - en het in beslag genomen geld uit dien hoofde voorhanden heeft had om daarmee te bankieren. Gelet daarop en op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren is het enkele voorkomen van omstandigheden zoals hier aan de orde - wat er ook zij van een verschijningsvorm die doet denken aan voorbeelden uit de reeks witwas-typologieën - in dit geval onvoldoende om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat de verdachte zich bezig hield met witwassen. Nu het dossier overigens geen op witwassen duidende aanwijzingen bevat die niet door verdachtes werkzaamheden als Hawala-bankier (kunnen) worden verklaard, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over Hawalabankieren? Kom dan op Vrijdag 29 mei 2015 naar de Cursus Witwassen, met als sprekers:

  • Greetje Bos, witwasofficier bij het Landelijk Parket
  • Anita van Dis – Setz, Landelijk OvJ bestrijding witwassen en terrorismefinanciering bij het Functioneel Parket
  • Dirk Timmermans, 010 Strafrecht Advocaten
  • Paul Vugts, (misdaad)verslaggever bij Het Parool. Hij schreef o.a. de bestsellers Hells Angels, motorclub of misdaadbende? (samen met Henk Schutten), De Endstra-tapes en De oorlog in de Amsterdamse onderwereld (samen met Bart Middelburg), en De strijd tegen de Amsterdamse onderwereld. Vugts won met onder meer dat laatste boek de Persprijs Jacques van Veen 2013

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^