Witwassen: Voormalige profvoetballer heeft tijdens zijn carrière premies en tekengelden zwart uitgekeerd gekregen

Rechtbank Rotterdam 24 maart 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2112

In de slaapkamer van de verdachte is een geldbedrag aangetroffen ter waarde van €231.705,-. De OvJ heeft de verdachte vervolgd voor witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b Sr, kort gezegd het bezitten van geld dat van misdaad afkomstig is. Ter terechtzitting, mede naar aanleiding van de aldaar afgelegde verklaring van de verdachte, heeft de officier van justitie de tenlastelegging gewijzigd zodat aan de verdachte ook het witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder a Sr. wordt verweten, kort gezegd, het verhullen van de herkomst van dat geld.

Primaire verweer

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde witwassen bepleit, omdat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft het geld verdiend met voetballen, in België bij [Belgische voetbalclub] en in Nederland bij [Nederlandse voetbalclub] en verder bij enkele Nederlandse amateurclubs. De verdachte heeft contant uitbetaalde winstpremies en tekengelden over de loop der jaren gespaard als een vorm van pensioenvoorziening. Dit blijkt ook uit verklaringen in het dossier. De raadsman heeft ter terechtzitting voorts een stuk overgelegd dat een kopie is van een artikel, inhoudende, kort gezegd, dat in het Belgische professionele voetbal veel zwart geld in omloop was, in de periode dat de verdachte daar voetbalde.

Beoordeling rechtbank

Op 30 oktober 2007 is in een rieten mand en onder het bed in de slaapkamer van de woning waar de verdachte verbleef een contant geldbedrag (in kleine coupures) van € 231.705,-- aangetroffen.

De verdachte heeft hierover, tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 30 oktober 2007, verklaard, dat hij vroeger profvoetballer was geweest en een hoop zwart had gewerkt. Met het voetbal heeft hij ongeveer 150.000 euro verdiend, ook zwart.

Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte deze verklaring herhaald en aangevuld:

Ten aanzien van het bedrag van 231.705 euro heb ik al verklaard dat dat geld van mij was. Het was voor mij een soort pensioenvoorziening. Het geld dat ik verdiend had bij het voetballen. Ik heb tot ongeveer 1994 gespeeld bij [Belgische voetbalclub]. Daarmee heb ik een bedrag van omgerekend 150.000 euro verdiend. Dat was in zekere zin zwart geld. Naast die 150.000 euro bestaat het totaalbedrag ook nog uit drie maal 15.000 euro die ik bij amateurclubs heb verdiend.

Ter terechtzitting, tenslotte, heeft de verdachte nog verklaard, dat hij ook bij [Nederlandse voetbalclub] (voor een deel) contant werd uitbetaald en wel tot een bedrag van ongeveer € 34.000,-. Al deze bedragen, inclusief enkele leningen, verklaren het totaal van het aangetroffen geld. De verdachte heeft verder verklaard, dat hij dit geld niet bij de belasting heeft opgegeven. Hij heeft steeds geleefd van het geld dat de clubs hem per bank uitbetaalden. Het contant uitbetaalde geld heeft hij gespaard.

Deze verklaringen vinden steun in het dossier en in het verhandelde ter zitting. Meer in het bijzonder wat betreft verdachtes carrière als professionele voetballer en voor zover is gebleken dat de verdachte bij [Belgische voetbalclub] blijkens de afgedragen verzekeringspremies, in België een legaal inkomen heeft genoten tot een totaal van ongeveer € 39.000,-. Gelet hierop, gelet op verdachtes verklaringen dat het om zwartgeld ging, gelet op ontbrekende aanwijzingen voor het tegendeel en gelet op de verklaringen c.q. het standpunt van de verdachte ter terechtzitting dat het geld vrijwel volledig afkomstig is van contante betalingen, dat hij daar geen belasting over heeft betaald en dat hij het niet aan de fiscus heeft opgegeven, acht de rechtbank dan ook bewezen dat het geld is verkregen door enig fiscaal delict en dat de verdachte dat heeft geweten. De rechtbank acht tevens bewezen dat hij de herkomst van dat geld heeft verhuld door dit geld contant te houden.

Subsidiaire verweer 

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, nu – voor zover al sprake zou zijn van enig misdrijf – het een geldbedrag uit eigen misdrijf betreft en de verdachte geen handeling heeft verricht die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. De verdachte heeft het geld in de tenlastegelegde periode enkel voorhanden gehad op zijn verblijfsadressen bij zijn moeder dan wel bij zijn vriendin. Hij heeft geen handelingen verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van een eventuele criminele herkomst van het geld (GHAMS:2014:667 en HR:2014:1237).

Beoordeling rechtbank

Gelet op de inrichting van de tenlastelegging is het verweer te beschouwen als een bewijsverweer, maar nu het een verkapte kwalificatiekwestie betreft, zal de rechtbank het verweer hier bespreken.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat een gedeelte van het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit een fiscaal delict en daarmee verkregen uit eigen misdrijf. De verdediging wordt niet gevolgd in het verweer, dat geen sprake is van handelingen gericht op het daadwerkelijk verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag.

Kenmerkend voor een fiscaal delict is immers dat men niet wil dat het geld zichtbaar is om zo te voorkomen dat hierover verantwoording dient te worden afgelegd. Het contant uitbetalen door de voetbalclubs van het geld en daarop volgend het in elk geval vanaf 1994 gedurende vele jaren contant houden van het geld, dient tezamen te worden aangemerkt als de verhullingshandeling. Weliswaar is de verhullingshandeling aangevangen buiten de tenlastegelegde periode (het is immers voorafgaand aan die periode contant uitbetaald door de diverse voetbalclubs), maar het duurt voort in de tenlastegelegde periode. Door het onzichtbaar te houden – en daarmee niet traceerbaar voor overheidsinstanties zoals de Belastingdienst – heeft de verdachte de criminele herkomst van het geld verhuld.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

  1. witwassen;
  2. oplichting, meermalen gepleegd;
  3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
  4. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De verdachte heeft jarenlang voor zijn voetbalactiviteiten contant geld ontvangen van diverse voetbalclubs en geen aangifte gedaan bij de Belastingdienst van deze inkomsten. Het geld dat hij ten onrechte niet afdroeg aan de Belastingdienst en dus uitspaarde heeft hij contant bewaard, zodat dit ook niet zichtbaar en traceerbaar was voor overheidsinstanties zoals de Belastingdienst.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan oplichting, door met gebruik van een creditcard die niet van hem was, te parkeren in een parkeergarage.

Tot slot heeft de verdachte 4,6 gram cocaïne en ongeveer 439,80 gram hennep aanwezig gehad.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 73 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF