Bedoeling Flora- en Faunawet: niet meer dan 2 jachthouders voor dezelfde grond. Verdachte mocht jagen. Vrijspraak.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1862

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2013 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als houder van een jachtakte een geweer heeft gedragen en/of laten dragen op gronden, te weten op de percelen E17 en E18, waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers

a. kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet het genot van de jacht was verhuurd aan twee huurders en was/waren hij/zij dus niet gerechtigd daar een geweer te (laten) dragen,

en/of

kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 49 Flora- en faunawet er werd gejaagd op een jachtveld dat niet voldeed aan de eisen van artikel 10 en 11 van het Jachtbesluit, immers werd er met meerdere jachthouders gejaagd en/of liet(en) verdachte(n) meerder jachthouders jagen op een jachtveld van 45 hectaren.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

In de eerste vier regels en onder sub b is aan verdachte tenlastegelegd - kort weergegeven - dat hij een geweer heeft gedragen op gronden waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers kwam hem als jachthouder het genot van jacht daar niet toe omdat er werd gejaagd op een jachtveld dat niet aan de wettelijke eisen voldeed.

Het hof is van oordeel dat het in de eerste vier regels en onder sub b tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig is. Verdachte was uit hoofde van het jachthouderschap gerechtigd tot het genot van de jacht (art. 1 in samenhang met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet) op bedoelde percelen. Dat verdachte dat genot mogelijkerwijs niet mocht uitoefenen omdat het jachtveld niet zou voldoen aan de door de wet gestelde eisen, maakt dat niet anders.

Het hof zal de inleidende dagvaarding daarom, voor zover het betreft het onder sub b tenlastegelegde, nietig verklaren.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder sub a tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Bij schriftelijke overeenkomst, gedagtekend 22 maart 2010, hebben verdachte en betrokkene 1 het genot van de jacht van betrokkene 2 gehuurd. Blijkens die huurovereenkomst zijn de huurders gerechtigd tot het genot van de jacht op de gronden J17 en J18, waarvan betrokkene 2 eigenaar is.

Artikel 1 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

jachthouder: degene die overeenkomstig het in de artikelen 33 of 34 bepaalde gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht;

Artikel 33 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Gerechtigd tot het genot van de jacht is:

a. de eigenaar van de grond indien niet ingevolge het in onderdeel b of c bepaalde de erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft gehuurd (…);

Artikel 34 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Degene die ingevolge het bepaalde in artikel 33, onderdeel a, b of c, gerechtigd is tot het genot van de jacht, kan dat genot geheel of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits bij een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.

Uit het eerste lid van artikel 34 volgt dat het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht aan ‘één ander’ kan worden verhuurd. Aangezien zowel verdachte als betrokkene 1 hebben getekend als huurders van het genot van de jacht, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er - in het onderhavige geval - sprake is van een geldige overeenkomst.

Uit de memorie van toelichting volgt het volgende.

‘De jachthouder kan, voor zover hij het genot van de jacht op de betreffende grond niet heeft gehuurd, dat recht geheel of gedeeltelijk overdragen aan één ander door middel van gedagtekende en schriftelijke overeenkomsten van huur en verhuur van de jacht, aangezien het jachtrecht een vermogensrecht in de zin van artikel 1585 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 7A) is. Kiest hij voor gedeeltelijke verhuur van het jachtrecht, dan kan hij daarnaast niet nog een ander gedeelte van het jachthouderschap op de betreffende grond overdragen.

Anders dan thans het geval is, is het degene die het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht heeft gehuurd, niet toegestaan het door hem gehuurde genot van de jacht in gedeelten te verhuren. Wanneer het genot van de jacht in te veel delen wordt opgesplitst, bijvoorbeeld per wildsoort of groep van wildsoorten, per periode of per middel, dan zouden op hetzelfde stuk grond verschillende jachthouders aanwezig zijn met elk een eigen verantwoordelijkheid. Zo'n situatie komt de samenhang in de uitvoering van het wildbeheer niet ten goede. Hij die slechts een gedeeltelijk jachthouderschap bezit, kan het gedeelte dat hij bezit slechts in zijn geheel weder verhuren. Op deze wijze zijn er nooit meer dan twee jachthouders op dezelfde grond. De mogelijkheid van een gedeeltelijke verhuur van het jachthouderschap is gehandhaafd om terreinbeherende instanties de mogelijkheid te bieden

een deel van het wildbeheer te verhuren en een ander deel in eigen beheer te houden’.

Het hof begrijpt de strekking van artikel 34, eerste lid, van de Flora- en faunawet tegen de achtergrond van de memorie van toelichting aldus dat de wetgever het onwenselijk acht dat er meer dan twee jachthouders voor dezelfde grond zijn.

In de onderhavige casus is als gevolg van de huurovereenkomst sprake van twee jachthouders, te weten verdachte en betrokkene 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 33, onder a, is eigenaar betrokkene 2 immers geen jachthouder meer.

Naar het oordeel van het hof verdraagt dit zich met de bedoeling van de wet en moet in een geval als het onderhavige aan het woord “één” in “één ander” niet zodanige betekenis worden toegekend dat niet meer dan één persoon huurder kan zijn. Het hof merkt nog op dat er in de Nota van toelichting op het Jachtbesluit ook van uit wordt gegaan dat er van méér dan één huurder sprake kan zijn in een huurovereenkomst.

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet bewezen dat verdachte niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was op de percelen E17 en E18 en hem het genot van de jacht daar niet toekwam. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder a tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke milieuverontreiniging (art. 173a Sr) door asbestresten in de lucht te brengen

Gerechtshof Amsterdam 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5050 De verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld wegens het opzettelijk en wederrechtelijk een stof (asbest) in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft daartoe, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

  1. Niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming. Voor het brengen van asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal in de lucht dient in het dossier concreet bewijsmateriaal voorhanden te zijn, hetgeen ontbreekt. Het vaststellen dat op de vloer en op speakers asbest is aangetroffen is daartoe onvoldoende. Evenmin kan dan ook bewezen worden dat de verdachte asbestmateriaal in de lucht heeft gebracht;
  2. Niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op brengen van asbestmateriaal op de bodem, dan wel in de lucht, nu de verdachte hiervan geen wetenschap had. Dat hiervan sprake zou zijn blijkt niet uit de rapporten. Ook van voorwaardelijk opzet is geen sprake geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat asbestmateriaal op de bodem of in de lucht werd gebracht en dat de verdachte deze kans heeft aanvaard.
  3. Van de ten laste gelegde gedragingen kan niet gezegd worden dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid ontstond of te verwachten was. Uitgegaan dient te worden van de situatie zoals deze is aangetroffen op 17 en 21 maart 2008. Verder dient in ogenschouw genomen te worden hetgeen destijds bekend was over de gevaren van asbest. Uit het dossier volgt niet van welk potentieel blootstellingsrisico sprake is geweest. De verdediging leidt uit het dossier af dat dit risico in elk geval niet hoog was. Niet blijkt dat het asbestmateriaal in te hoge onaanvaardbare en ontoelaatbare concentraties aanwezig was.

Beoordeling hof

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

Search heeft blijkens de stukken in het dossier reeds op 11 juli 2003 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie met risicoanalyse in het winkelfiliaal van verdachte te Hoorn, waaruit bleek dat er onder meer plaatmateriaal met asbest (amosiet) was aangetroffen (dossierpagina’s 497 e.v.).

Op 19 november 2007 is er een rapport verschenen van Prevend, waaruit eveneens naar voren kwam dat er asbest in het pand was aangetroffen (dossierpagina’s 356 e.v.). Op 29 januari 2008 is er door bedrijf 3 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie in de winkelpanden van verdachte te Hoorn. Ook daaruit bleek dat er asbest (amosiet) was aangetroffen in het perceel adres 2 op onder meer plaatmateriaal tegen de plafonds, kolommen en wanden, dat emissierisico’s en daarmee ook gezondheidsrisico’s aanwezig waren en er grote saneringsurgentie was (dossierpagina’s 401 e.v.). Op 4 februari 2008 komt er een volledig asbestinventarisatierapport van bedrijf 1.

Hierin is vastgesteld dat er op verschillende plaatsen in het winkelfiliaal adres 2 asbest aanwezig was in de vorm van niet hechtgebonden amosiet. Onder meer is asbest aangetroffen in het plaatmateriaal tegen het plafond, rondom de kolommen en in de etalages. Het gezondheidsrisico wordt geschaald op 28 punten. Voorts zijn stoffen en resten van amosiet in de winkel aangetroffen op het systeemplafond, op de vloer van de etalage en op een speakerbox.

Het gezondheidsrisico hiervan wordt geschaald op 38 punten. Bij meer dan 20 punten dienen op korte termijn maatregelen te worden getroffen en wordt sanering dringend noodzakelijk geacht (dossierpagina’s 322 e.v.). Tot slot blijkt ook uit het analyserapport van bedrijf 2 van 25 januari 2008 dat in het filiaal op kleefmonsters asbest (amosiet) is aangetroffen (dossierpagina’s 462 e.v.).

Gezien het feit dat in het winkelfiliaal op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten is aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat – nu voor een andere verklaring geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken – de asbestdeeltjes afkomstig zijn van het beschadigde plafond/de plafondplaten en (derhalve) in de lucht zijn gekomen/gebracht. De lucht in een gebouw valt onder ‘lucht’ in de zin van artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof is blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. Inademing hiervan is ook in geringe hoeveelheid onomkeerbaar en vormt daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. Dat amosiet een schadelijk soort asbest is, volgt ook uit de rapportages. Niet kan worden vastgesteld of in dit geval personen in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht het hof op grond van de rapportages bewezen dat personen aan niet te verwaarlozen asbestvezelconcentraties zijn blootgesteld. Het gevaar van inademing van niet-hechtgebonden asbestvezels, waarvan in casu sprake is, schuilt juist in de cumulatie van die vezels in de longen. Voorkomen moet worden dat personen juist vanwege het risico van cumulatie onnodig dergelijke vezels inademen, nu samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

Gelet daarop en gezien het feit dat bij een asbestgerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom, naar van algemene bekendheid is, naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is het hof van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels doordat dergelijke vezels door luchtcirculatie verplaatst worden per definitie als ‘ernstige schade voor de gezondheid’ onderscheidenlijk ‘levensgevaar’ en afhankelijk van de omstandigheden als ‘gevaar voor de openbare gezondheid’ in de zin van artikel 173a Sr aangemerkt dienen te worden. De gedachte van de verdediging dat onderhavig delict slechts bewijsbaar is indien uit technisch onderzoek blijkt dat de geldende normen ter zake overschreden zijn is dan ook onjuist. Door een groot aantal personen aan deze asbestvezels bloot te stellen, waardoor zij aan meer asbestvezels zijn blootgesteld dan normaal zou zijn geweest, is gevaar voor de openbare gezondheid te duchten.

Uit het dossier volgt verder dat het bij de directie en de medewerkers van verdachte al geruime tijd bekend was dat er asbest in het filiaal aanwezig was en dat sanering met prioriteit moest plaatsvinden. De getuige getuige 1 (floormanager bij de verdachte) heeft verklaard dat alle personeelsleden ervan op de hoogte waren dat er asbest in het perceel zat, dat er na het asbestonderzoek een bijeenkomst voor het personeel is gehouden en dat hij op de hoogte was van de Risico Inventarisatie en Evaluatie (dossierpagina’s 52 e.v.). De getuige getuige 2 (directeur operations en logistiek bij de verdachte) heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport waarin werd vermeld dat er asbest was aangetroffen en dat er risico was voor asbestbesmetting, waardoor er actie moest worden ondernomen. Daarop is er besloten dat de verwijdering van asbest het best zou kunnen plaatsvinden na het winkel actie, nu er tijdens dit winkel actie circa 20% van de jaarinkomsten wordt gegenereerd. Hij ging er vanuit dat het asbest in de etalage al was opgeruimd (dossierpagina’s 136 e.v.).

De getuige 3 (regionaal manager bij de verdachte), heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport en dat er asbeststof in de etalage en op de speakerbox werd aangetroffen en dat hij niet weet of het personeel hieromtrent is geïnstrueerd. Hij wist dat het asbesthoudend plafond op diverse plaatsen beschadigd was (dossierpagina’s 114 e.v.).

Aldus was de wetenschap er bij de verdachte dat er beschadigde asbestplaten in de winkel waren en dat er op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten waren aangetroffen, die logischerwijs door luchtcirculatie in de lucht kunnen worden gebracht. Ook wist de verdachte dat er risico was voor asbestbesmetting, dat dit niet goed was en dat tot actie moest worden overgegaan. Ondanks dat heeft de verdachte ervoor gekozen te wachten met saneren tot na het winkel actie en ook tot die tijd geen asbestbeschermende maatregelen te treffen. Niet alleen had direct tot sanering overgegaan moeten worden, maar ook hadden er tot de sanering zou plaatsvinden andere maatregelen getroffen moeten worden om te voorkomen dat er asbestdeeltjes in de lucht konden worden gebracht met het risico dat deze konden worden ingeademd door de in het filiaal aanwezig personen.

De inhoud van de rapporten waarop de verdachte zich beroept doet aan vorenstaande niet af. Temeer nu uit (een aantal van) de rapporten juist volgt dat urgente saneringen noodzakelijk waren.

Het verweer dat niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming behoeft geen bespreking, nu verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Tot slot volgt naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen dat de verdachte kan worden aangemerkt als dader van het bewezen verklaarde strafbare feit, nu de betreffende gedragingen redelijkerwijs aan haar kunnen worden toegerekend. De gedragingen hebben immers plaatsgevonden en zijn verricht in de sfeer van de verdachte.

Bewezenverklaring

  • Feit 2 primair: Opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 60.000 waarvan € 20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De wetenschap dat er asbest is aangetroffen op plaatsen met het risico op verspreiding, wat een gezondheidsrisico voor personen opleverde, diende op zichzelf genomen voor de verdachte directe aanleiding te zijn om tot actie te moeten overgaan. Niet kon worden afgewacht op de expliciete advisering omtrent de saneringsnoodzaak. De verdachte had in deze een eigen verantwoordelijkheid die niet kon worden afgeschoven op haar adviseurs. Zulks klemt temeer nu de verdachte bovendien had besloten eerste winkel actie doorgang te laten vinden alvorens over te gaan tot de saneringswerkzaamheden. De verdachte kan dan ook het verwijt worden gemaakt dat zij geen maatregelen heeft getroffen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Regeling risico's zware ongevallen in werking getreden

Op donderdag 3 maart 2016 is de Regeling risico's zware ongevallen (Rrzo) gepubliceerd in de Staatscourant. De Rrzo treedt op vrijdag 4 maart 2016 in werking.

 

Print Friendly and PDF ^

Besluit risico's zware ongevallen van toepassing op verdachte rechtspersoon

Rechtbank Oost-Brabant 22 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:684 Verdachte, een bedrijf uit Hapert, heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag. Door de verdamping van aceton dreigden nadelige gevolgen voor het milieu te ontstaan.

Achtergrond

Verdachte drijft een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en wordt aangemerkt als een bedrijf waarop het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) van toepassing is. Burgemeester en wethouders hebben als bevoegd gezag hiertoe op aanvraag van verdachte op 14 februari 2012 een omgevingsvergunning verleend.

Tijdens een zogenoemde Brzo-inspectie op 10 september 2014 bleek dat bijna twee maanden daarvoor, op 3 juli 2014, tijdens het lossen van een tankwagen met aceton ongeveer driehonderd liter aceton is uitgestroomd via het ont-/beluchtingsventiel van de opslagtank.

Vast staat dat verdachte de gebeurtenis onmiddellijk heeft gemeld bij de lokale brandweer, die daarop is uitgerukt en maatregelen heeft getroffen. Vast staat ook dat verdachte de gebeurtenis niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld bij de bevoegde autoriteit. Verdachte heeft verder toegelicht dat dit een gebeurtenis was die niet viel onder de normale bedrijfsvoering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat sprake is van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 Wmb, omdat daaronder moet worden volstaan elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Verder moeten door het ongewone voorval nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Volgens de officier is aan beide vereisten, die leiden tot een meldingsplicht aan het bevoegd gezag, voldaan. De officier wijst er onder verwijzing naar het veiligheidsinformatieblad op dat aceton een zeer gevaarlijke, giftige en licht ontvlambare stof is, dat er na de lekkage milieugevaarlijke dampen in de lucht zijn vrijgekomen, en dat ook direct werd besloten tot inzet van de brandweer, die is overgegaan tot het aanbrengen van een schuimdeken. De officier stelt zich dan ook op het standpunt dat op zijn minst sprake is van dreigende nadelige gevolgen voor het milieu.

Volgens de officier had verdachte in dit geval daarom direct de bevoegde autoriteit, burgemeester en wethouders dan wel de mandaathouder Omgevingsdienst Midden- en West- Brabant (OMWB) moeten verwittigen, en niet eerst zelfstandig onderzoek of analyse moeten verrichten ter eigen beoordeling of zulks noodzakelijk is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat weliswaar sprake is geweest van een ongewoon voorval, maar dat hierdoor geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, omdat buiten het bedrijf geen schadelijke effecten zijn ontstaan of konden ontstaan. Volgens de verdediging was daarvoor de hoeveelheid uitgestroomde aceton te weinig. Verdachte wijst in dit verband naar de voor transport van gevaarlijke stoffen geldende ADR, waarin naar haar zeggen een ondergrens van 333 liter aceton is opgenomen. De waarschuwing en aansluitende inzet van de brandweer was louter preventief. Verder vindt de verdediging dat met het bellen van de brandweer als onderdeel van de gemeente in wezen melding is gedaan bij het bevoegde gezag. Verdachte wist niet dat dit burgemeester en wethouders waren. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij haar sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het oordeel van de rechtbank.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, moet een ongewoon voorval zo spoedig mogelijk worden gemeld indien door dat voorval nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.

Uit het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid van de Wmb blijkt dat onder gevolgen voor het milieu in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke dreiging in dit geval wel degelijk sprake was, nu er 300 liter aceton was uitgestroomd.

Immers, blijkens het veiligheidsinformatieblad van Brenntag betreffen het onder meer gevaren voor de gezondheid: een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht zal door verdamping van deze stof bij ca. 20 graden Celsius vrij snel worden bereikt; bij vernevelen nog sneller. Verder betreffen het gevaren voor de veiligheid: de dampen kunnen met lucht een explosief mengsel vormen. De rechtbank betrekt in haar oordeel mede dat volgens de weerinformatie van Infoplaza over Bladel op 3 juli 2014 tussen 15:00 uur en 17:00 uur de buitentemperatuur heeft gelegen tussen 26,1 en 27,3 graden Celsius, derhalve nog aanzienlijk boven de in het informatieblad genoemde gevaar indicatie bij 20 graden Celsius.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat verdachte kennelijk zelf eveneens heeft ingeschat dat sprake was van een (dreigende) gevaarlijke situatie, nu zij direct de brandweer heeft gewaarschuwd. Weliswaar heeft de verdediging hieromtrent gesteld dat dit een louter preventieve maatregel betrof, maar ter zitting heeft zij ook naar voren gebracht dat het personeel al ter evacuatie naar buiten was geleid voordat de brandweercommandant daarom had verzocht.

Het standpunt van de verdediging dat uit de regeling omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ADR, voortvloeit dat bij laden en lossen eerst bij een hoeveelheid van meer dan 330 liter aceton sprake is van gevaar doet hier niet aan af: dit betreft een ander beoordelingskader waarin andere feitelijke omstandigheden een rol spelen dan hier aan de orde.

De regelgeving is zodanig, dat bij twijfel aan de ernst van een incident als hoofdregel geldt dat ieder incident waarbij ook maar enige dreiging is van nadelige gevolgen voor het milieu, dit zo spoedig mogelijk moet worden gemeld. In zo‘n geval is het niet aan de inrichting om eerst zelf te onderzoeken of de milieuschade zich al dan niet heeft verwezenlijkt en of er sprake is van reële dreiging. Het is immers voor de overheid van het grootste belang dat indien nodig zo spoedig mogelijk maatregelen kunnen worden getroffen om bij een ongewoon voorval eventuele nadelige effecten op de omgeving te kunnen bestrijden.

Verdachte had dan ook zo spoedig mogelijk melding moeten doen bij de bevoegde autoriteiten, hetgeen niet is gebeurd. Verdachte heeft weliswaar melding gedaan bij de brandweer, maar dit is niet de bevoegde autoriteit. Dat de melding aan de brandweer op zichzelf genomen als adequaat kan worden gekenschetst kan hieraan niet afdoen; het betekent dat onder omstandigheden mogelijk meerdere te verrichten meldingen aan de orde zijn. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent mededelingen aan de gemeentelijke brandweer bij voorgaande gebeurtenissen in de voormalige vestigingsplaats Bergeijk kan evenmin leiden tot het oordeel dat hiermee een melding is verricht aan de bevoegde autoriteit.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag.

Strafoplegging

Geldboete van EUR 15.000 waarvan EUR 7.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Boete voor dakreiniger wegens handelen in strijd met Productenbesluit asbest

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8593 Verdachte heeft op ontoelaatbare wijze de leien dakbedekking van een woning met een hogedrukspuit schoongespoten en van mos ontdaan. Door het handelen van verdachte zijn asbestdeeltjes vrijgekomen. Bewoners en bezoekers van de woning zijn als gevolg van het handelen van verdachte blootgesteld aan deze kankerverwekkende stof. Voor hen is het nog onduidelijk of zij gezondheidsschade hebben opgelopen. 

Standpunt OM

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar tenlastegelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op verklaringen van getuigen en op documenten die zich in het dossier bevinden, waaronder onder meer twee asbestinventarisatierapporten. Het is verdachte geweest die het bedrag voor verrichte werkzaamheden heeft gefactureerd en opgeëist. De officier van justitie is verder van mening dat verdachte, die aangemerkt kan worden als een gespecialiseerd bedrijf in het ontmossen van daken, dit feit opzettelijk heeft begaan. Verdachte had moeten weten wat de risico’s waren van het met een hogedrukspuit reinigen van de leien.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De werkzaamheden op het dak zijn verricht door onbekend gebleven personen. Het onderzoek heeft volstrekt onvoldoende informatie opgeleverd om te komen tot een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Uit de communicatie en afwikkeling blijkt door de grote variëteit aan presenteerwijzen niet eenduidig op te maken of een rechtspersoon, en zo ja, welke, of dat wellicht gewoon de natuurlijke persoon contractspartij is geweest. Civielrechtelijk is door deze rechtbank uitgemaakt dat het de natuurlijke persoon is geweest die een overeenkomst heeft gesloten met de erven.

De enkele omstandigheid dat door verdachte is gefactureerd is onvoldoende om te komen tot het oordeel dat de gedraging van de onbekend gebleven personen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan naar de opvatting van de verdediging niet gesproken worden van een opzettelijk handelen. Geconcludeerd is tot vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Op verzoek van bedrijf 2 is op 12 mei 2012 een offerte uitgebracht voor het ontmossen en coaten van het dak van de woning gelegen in Ossendrecht. De offerte van “naam bedrijf 3”, is ondertekend door “naam contractpartij voornaam”. Aangegeven is dat de offerte is gemaakt naar aanleiding van zijn beoordeling ter plaatse. De offerte is digitaal verstuurd vanaf het emailadres naam contractpartij, welke mail is ondertekend door naam contractpartij, naam bedrijf 2.nl. Op 10 oktober 2012 is het totaalbedrag van de offerte aangepast. De adresgegevens in deze aangepaste offerte komen overeen met de adresgegevens zoals vermeld in de offerte van 12 mei 2012.

De werkzaamheden aan het dak zijn op 19 oktober 2012 verricht. Door een van de aanwezige personen werd daarbij tegen de bewoonster van de woning gezegd dat het mos van het dak zou worden gespoten waarna ze het mos in de tuin zouden laten liggen. De werklieden hadden geen speciale kleding aan. Vervolgens is met een hogedrukspuit het mos van het dak van de woning afgespoten. Bij thuiskomst zag een van de bewoners dat overal in de tuin mos lag.

Vanwege ongerustheid en naar aanleiding van een via naam bedrijf 2 ontvangen emailwisseling waarin gesproken werd over asbestsanering hebben de bewoners een asbestinventarisatierapport op laten stellen. Het onderzoek is verricht door Witteman Asbestonderzoek. Bij het onderzoek is geconstateerd dat de dakleien, een kleefmonster van een kozijn van de eerste verdieping en een kleefmonster van een buitenscherm asbest bevatten van het type chrysotiel en crocidoliet. Ook in de woning in Ossendrecht werd een asbestbesmetting aangetroffen.

Op grond van het vorenstaande kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden dat op 19 oktober 2012 onderhoudswerkzaamheden zijn verricht aan de woning te Ossendrecht waarbij asbestvezels zijn vrijgekomen terwijl die handelingen niet op zodanige wijze zijn verricht dat gevaar voor mens en/of milieu die door die handelingen konden ontstaan, werd voorkomen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verrichte handelingen zijn toe te rekenen aan verdachte bedrijfsnaam.

Een rechtspersoon is strafrechtelijk aansprakelijk indien een verboden gedraging van een natuurlijk persoon aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Volgens vaste jurisprudentie is toerekening aan de rechtspersoon mogelijk indien die strafrechtelijke gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan:

  • het gaat om handelen of nalaten van iemand die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering;
  • de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest;
  • de rechtspersoon kon beslissen of de gedraging wel of niet zou plaatsvinden en dergelijk gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken werd aanvaard. Onder aanvaarden wordt ook begrepen het niet betrachten van zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

De rechtbank is van oordeel dat in een strafzaak, los van de juridische constructie, gekeken dient te worden naar de gang van zaken zoals die zich feitelijk heeft voorgedaan.

Naam contractpartij heeft zich naar derden toe op diverse wijzen gepresenteerd. Zoals hiervoor al aangegeven zijn beide offertes op briefpapier van naam bedrijf 3 geprint. De adresgegevens komen overeen met het adres van verdachte bedrijfsnaam. De eerste offerte is verstuurd vanaf het emailadres naam contractpartij. De werkzaamheden zijn vervolgens gefactureerd door verdachte bedrijfsnaam De offertes en de factuur vermelden ook hetzelfde mobiele telefoonnummer.

Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel houdt verdachte bedrijfsnaam zich onder meer bezig met het reinigen van daken.

Vastgesteld wordt dat de hiervoor beschreven werkzaamheden zijn verricht door onbekend gebleven personen. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte bedrijfsnaam Dat de natuurlijk persoon naam contractpartij zich naar derden toe niet altijd eenduidig heeft gepresenteerd doet daar niets aan af. Verder kan worden vastgesteld dat het gaat om handelingen van personen die werkzaam zijn geweest ten behoeve van de rechtspersoon, immers het is verdachte bedrijfsnaam geweest die de door de onbekend gebleven personen verrichte werkzaamheden heeft gefactureerd.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de handelingen toegerekend kunnen worden aan de rechtspersoon.

Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank nog het volgende. Opzet van een natuurlijk persoon kan onder omstandigheden worden toegerekend aan de rechtspersoon. Dit is in ieder geval mogelijk wanneer aan een bepaalde functionaris het in het kader van de bedrijfs- of beleidsvoering is opgedragen of overgelaten om activiteiten te verrichten of initiatieven te ontplooien voor de rechtspersoon. Werkzaamheden die medewerkers verrichten binnen hun bevoegdheden vallen daar in ieder geval onder. In een dergelijk geval kan het opzet van een individuele medewerker worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Naam contractpartij presenteert zich naar derden toe als de naamgever en eigenaar van het bedrijf. Voorafgaande aan de ontmossingswerkzaamheden is de situatie ter plaatse beoordeeld door naam contractpartij. Naar aanleiding van deze beoordeling zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals hiervoor al aangegeven.

De rechtbank is van oordeel dat naam contractpartij, gelet op zijn specifieke expertise, namelijk het reinigen van daken, had kunnen en behoren te weten dat een leien dak van een dergelijke woning asbesthoudend materiaal zou kunnen bevatten. Door zijn handelwijze, namelijk het (laten) schoonspuiten van een leien dak met een hogedrukspuit, heeft naam contractpartij voorwaardelijk opzet gehad. Die opzet kan aan de rechtspersoon, bedrijfsnaam, toegerekend. De rechtbank acht daarmee de opzetvariant wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

EU Actieplan tegen handel in wilde dieren

De Europese Commissie heeft op 26 februari jl., samen met de Europese Unie onder voorzitterschap van Nederland, een intergouvernementeel Actieplan voor Europa tegen de illegale handel in wilde dieren gepresenteerd.

Dit besluit is een grote overwinning in de strijd tegen criminele bendes en hun leiders die met stroperij en de illegale handel het voortbestaan van ernstig met uitsterven bedreigde soorten in gevaar brengen.

Net als andere actieplannen reikt het Actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren een mechanisme aan waarmee eensgezind optreden van alle betrokken spelers gewaarborgd is – een cruciaal vereiste voor succes in de strijd tegen de illegale handel in wilde dieren binnen de EU en daarbuiten. Een goede onderlinge afstemming opent bijvoorbeeld de mogelijkheid om proactief financieel onderzoek te doen en in toekomstige handelsovereenkomsten beperkende voorwaarden op te nemen.

In het 5-jarenplan (2016-2020) is in grote lijnen, maar wel behoorlijk compleet vastgelegd wat er van elk van de actoren wordt verwacht (de Europese Commissie, de afzonderlijke lidstaten, Europol, de Hoge Vertegenwoordigers van de Unie voor buitenlandse zaken en overheidsbeleid, enz.) met drie prioriteitsterreinen:

1) preventie van de handel in wilde dieren en aanpakken van de onderliggende oorzaken,

2) implementatie van bestaande regelgeving, betere controle op de naleving en effectiever optreden tegen wildlifecriminaliteit,

3) versterking van de internationale samenwerking tussen de landen van herkomst, de consumentenlanden en de doorvoerlanden.

De belangrijkste aspecten van het Actieplan zijn:

  • Meer en effectievere financiële ondersteuning van ontwikkelingslanden met gebruikmaking van de Natuurbeschermingsstrategie voor Afrika en financieringsbronnen als het Europees Ontwikkelingsfonds voor acties in het kader van de strijd tegen de illegale handel.
  • Betere zorg voor in beslag genomen levende dieren in alle lidstaten, met tijdelijke opvangfaciliteiten voor dieren, mechanismen voor duurzame herhuisvesting, en goede samenwerking tussen de lidstaten.
  • De erkenning van wildlifecriminaliteit als een ernstige vorm van misdaad dient ook tot uiting te komen in de nationale wetgeving van de EU-lidstaten.
  • Mechanismen voor samenwerking tussen instanties (in de vorm van Speciale Eenheden, Memoranda van Overeenstemming e.d.) binnen de lidstaten (douane, politie, controle-instanties, CITES).
  • Grensoverschrijdende samenwerking door de lidstaten met Europol en Eurojust met het oog op de uitvoering van gezamenlijke operaties en het formeren van onderzoeksteams.
  • Verbeteren en stroomlijnen van het verzamelen van gegevens binnen de lidstaten, zodat de Europese Commissie kan beschikken over kwalitatief hoogwaardige statistische gegevens (o.a. naar aanleiding van controles, onderzoeken, inbeslagnames, geconstateerde delicten, vervolging en berechting van criminelen, enz.); de ENPE (het Europees Netwerk van openbare aanklagers die milieudelicten vervolgen) moet daartoe een ‘Database van delicten’ opzetten.
  • Aanpakken van cybercrime met actieve participatie vanuit het bedrijfsleven en opbouwen van capaciteit voor gespecialiseerde cybercrime-eenheden.
  • Samenwerking in CITES-verband - Op de 17de Conferentie van Partijen wordt een voorstel ingediend om een aantal soorten die als exotisch huisdier in de EU kunnen worden geïmporteerd, bedreigde status te verlenen; besluitvorming ten aanzien van corruptie; opschorting van handel bij niet-naleving.
  • Via invloed op EU-handelsbeleid en -instrumenten en overleg met hoge EU-functionarissen de illegale handel in wilde dieren op de agenda zetten.
  • Effectievere aanpak van de georganiseerde misdaad, met inbegrip van cybercrime, witwassen van geld en de illegale handel in wilde dieren.
  •  Bewustmaking versterken ten aanzien van kwetsbare diersoorten en het stellen van targets per land (landen nader in te vullen) om de vraag naar dieren terug te dringen.
  • Plannen om de handel in ivoor binnen en vanuit de EU verder aan banden te leggen, met door de Commissie op te stellen richtlijnen voor de opschorting van de export van ‘oud’ ruw ivoor (d.w.z., uit de tijd voor het Verdrag).
  • Intensievere controle bij grensovergangen, maar ook in eigen land bij dierenwinkels en fokkerijen.
  • Evaluatie van de effectiviteit van de Richtlijn Milieucriminaliteit 2008/99.
  • Voortzetting van de financiële steun aan ICCWC.

In een door de Commissie opgesteld werkdocument zijn globaal de gegevens, het bewijsmateriaal en de analyses vermeld die aan het Actieplan ten grondslag liggen. De Commissie houdt toezicht op de implementatie van het plan, met twee maal per jaar een beoordeling door de Wildlife Trade Enforcement Group van de EU en voortgangsrapportage aan het Europees Parlement en de Europese Raad in juli 2018. De eindevaluatie is voor 2020 gepland.

De besprekingen tussen de Europese Commissie en de Europese Raad gaan eind maart van start; naar verwachting zullen de conclusies in juni worden gepresenteerd.  In de tussentijd zal het IFAW alles in het werk stellen om te waarborgen dat er straks een robuust Actieplan wordt ondertekend.

Bron: IFAW

Documenten

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon (leghenhouder) voor valsheid in geschrift en voor het overtreden van de Meststoffenwet

Rechtbank Gelderland 26 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8304 De rechtbank heeft een leghenhouder uit Landhorst veroordeeld voor valsheid in geschrift en voor het overtreden van de Meststoffenwet. Het bedrijf had meerdere valse facturen voorhanden waarop minder leghennen stonden vermeld dan daadwerkelijk waren geleverd. Hiermee werd het mogelijk om meer hennen te houden dan op grond van wet- en regelgeving daadwerkelijk was toegestaan. Het bedrijf is veroordeeld tot een geldboete van 23.000 euro. Het bedrijf is vrijgesproken van overtreding van art. 3 Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en van verordening (EU) nr. 589/2008.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit het dossier en het gestelde door de officier van justitie blijkt dat een groot aantal (120 dan wel 37) bedrijven is verdacht van dezelfde (strafrechtelijke) handelingen als verdachte. De beslissing van de officier van justitie om in het Jeneverbes-onderzoek slechts drie bedrijven te vervolgen, terwijl de overige bedrijven niet strafrechtelijk worden vervolgd, is dermate onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Derhalve dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat bij het Jeneverbes-onderzoek is gebleken dat tenminste 120 bedrijven zich schuldig zouden hebben gemaakt aan het afnemen van significant meer jonge hennen dan op basis van de verstrekte certificaten was toegestaan. Bij 37 van deze bedrijven was sprake van een overschrijding met ten minste 4.000 pluimveerechten. Gekozen is voor het dagvaarden van een beperkt aantal leghenhouders, die qua hoeveelheid extra kippen opvielen door de hoge aantallen, in combinatie met een zekere geografische spreiding over het land. In een afzonderlijk project zal het (verwijtbare) handelen door de overige (thans niet vervolgde) bedrijven worden bezien.

Beoordeling rechtbank

 

Uit de door de officier van justitie gegeven toelichting leidt de rechtbank af dat geen sprake is van een groot aantal vergelijkbare zaken, nu onderscheid kan worden gemaakt in de mate van overschrijding van de toegestane pluimveerechten per bedrijf. Overigens is niet gebleken dat de overige bedrijven niet strafrechtelijk vervolgd zullen worden.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot de onderhavige vervolgingsbeslissing had kunnen komen. De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

Bij N.V., de leverancier van jonge leghennen aan verdachte, zijn in de administratie diverse facturen aangetroffen waarop stond vermeld: een aantal geleverde jonge hennen en een kostenpost “extra kosten in opfokperiode”. Deze kostenpost betrof extra geleverde jonge hennen. Van deze extra leveringen werd door een administratief medewerker bij N.V. een excel-bestand bijgehouden.

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift.

De op de betreffende facturen vermelde post ‘extra kosten in de opfokperiode’ betrof een deel van de geleverde hennen. Verdachte had geen enkele reden om een lager aantal hennen op de facturen te laten zetten. Immers, hij had voldoende ruimte om de hennen, ook volgens de betreffende Europese regelgeving, te houden. De door de officier van justitie gepretendeerde bewijsbestemming is dan ook niet aan de orde. Het opzet ontbreekt, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Voorts is niet aangetoond welke factuur in de administratie is opgenomen.

Rb: Namens verdachte is ter terechtzitting verklaard dat de kostenpost “extra kosten in de opfokperiode” betrekking had op extra geleverde jonge hennen. Om het daadwerkelijke aantal geleverde jonge hennen te kunnen bepalen, moest deze kostenpost gedeeld worden door de overige genoemde kosten per hen. In de administratie van N.V. werd een excel-bestand bijgehouden. Met dit bestand en de facturen kon het daadwerkelijke aantal geleverde hennen worden berekend.

De rechtbank constateert dat de kostenpost “extra kosten in de opfokperiode” is opgenomen naast een kostenpost waarbij melding wordt gemaakt van levering van een specifiek aantal jonge hennen. Een aanvullende berekening was nodig om de juiste aantallen hennen inzichtelijk te maken. Dit maakt dat de betreffende facturen konden dienen tot bewijs van een lager aantal geleverde hennen dan het daadwerkelijke aantal geleverde hennen. Immers, eenvoudige bestudering van de facturen leidt tot de conclusie dat een specifiek genoemd aantal jonge hennen is geleverd. Het dossier bevat aanwijzingen dat de facturen ook op deze eenvoudige wijze zijn gebruikt. Op basis van de facturen werden door N.V. en/of door haar afnemers meldingen gedaan bij de stichting Controle Pluimvee, Eieren en Eiproducten (het CPE). Derhalve is sprake van een valselijk opgemaakt geschrift.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bepaalde hoeveel hennen op de factuur vermeld konden worden en hoeveel onder de kostenpost “extra kosten in de opfokperiode” vermeld moesten worden.

De facturen werden vanuit N.V. opgestuurd naar verdachte, waarna deze facturen werden voldaan. Reeds gelet op het voldoen van de facturen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de facturen ook voorhanden heeft gehad. Derhalve acht de rechtbank het onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2 en 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering.

Feiten 4, 5 en 6

De officier van justitie heeft zich, kort samengevat en voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat het bedrijf van verdachte door het CPE gecertificeerd was voor het houden van een bepaald aantal jonge hennen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat bij het bedrijf van verdachte meer jonge hennen zijn opgezet dan was toegestaan volgens het (inrichtings-) certificaat. Door het overschrijden van dit certificaat voldeed het bedrijf niet langer aan de vereisten, voortvloeiend uit Europese regelgeving, voor het gebruiken van het predicaat houderijsysteem ‘vrije uitloop’ dan wel ‘volière’. De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van alle primair ten laste gelegde feiten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voordat aan geproduceerde eieren het predicaat ‘vrije uitloop’ of ‘scharrel’ mag worden toegekend, er voldaan moet worden aan inrichtingseisen zoals vermeld in Europese richtlijnen of verordeningen. In het dossier ontbreekt echter een feitelijk onderzoek naar de betrokken hokken op het bedrijf van verdachte. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat de betreffende hokken niet aan bedoelde inrichtingseisen voldeden. Het had op de weg van het openbaar ministerie (dan wel de NVWA) gelegen de hokken feitelijk te onderzoeken. Nu dit achterwege is gebleven, dient verdachte in verband met gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken.

Voorts wijst de verdediging erop dat de hokken sinds de laatste certificering door het CPE (elf jaar geleden) zijn uitgebreid. Door deze uitbreidingen hebben de betreffende hokken op het bedrijf van verdachte steeds voldaan aan de van toepassing zijnde Europese regelgeving.

Rb: De door de officier van justitie aan verdachte gemaakte verwijten komen (allereerst) in de kern erop neer dat de betrokken inrichtingen (de houderijsystemen) in de stallen van verdachte niet voldeden aan Europese regelgeving. Met name is (via artikel 3 van het Landbouwkwaliteitsbesluit (oud)) verwezen naar de verordeningen (EG) 1234/2007 en (EG) 589/2008 en naar richtlijn (EG) 1999/74.

In deze Europeesrechtelijke regelgeving staan (onder andere) opgenomen kwaliteitskenmerken en classificaties van eieren en vereisten waaraan hokken moeten voldoen om als eierproducent bepaalde classificaties te mogen voeren.

Om de classificatie “scharreleieren” te mogen voeren, moet de houderijvoorziening voldoen aan de vereisten opgenomen in artikel 4 van de richtlijn (EG) 1999/74 (bijvoorbeeld: de bezetting mag niet meer dan negen legkippen per m2 bruikbare oppervlakte bedragen).

Voor de classificatie “eieren van hennen met vrije uitloop” gelden, op grond van de bijlage II bij de verordening (EG) 589/2008, daarnaast aanvullende voorwaarden (bijvoorbeeld: de hennen moeten de hele dag door over vrije uitloop in de openlucht beschikken).

Op grond van de verordening (EG) 589/2008 wijzen lidstaten inspectiediensten aan die de naleving van deze verordening moeten controleren. Nederland heeft hieraan voldaan door het aanwijzen van (ten tijde van belang) het CPE.

Het CPE controleerde de inrichting van de hokken van de leghenhouders op de vereisten van de verordening (EG) 589/2008 en, indien de inrichting aan de vereisten voldeed, gaf het CPE (inrichtings-) certificaten af. Bij de controle van de inrichting werd bepaald wat daarin het maximaal aantal te houden leghennen mocht zijn, passend bij de gewenste classificatie. Daarnaast vond een controle plaats bij het opzetten van een nieuwe koppel leghennen. Indien deze koppel voldeed aan de regelgeving gaf het CPE eveneens voor die koppel een (opzet-)certificaat af.

Tot 28 september 2007 dienden leghenhouders bij het CPE aangesloten te zijn. Deze verplichting is door een wijziging van de Landbouwkwaliteitswet komen te vervallen. De controlerende taken van het CPE (ten tijde van belang) bleven gehandhaafd.

De rechtbank stelt voorop dat door deze, hiervoor kort weergegeven, systematiek de door het CPE afgegeven certificaten belangrijk bewijs kunnen zijn voor het aantonen dat de betreffende inrichting op de datum waarop het certificaat is afgegeven aan de gestelde (Europeesrechtelijke) regelgeving voldoet, uitgaande van het op het certificaat genoemde aantal hennen.

Indien bewezen kan worden dat de inrichting op de datum waarop een beweerdelijke overtreding zou hebben plaatsgevonden nog steeds overeenkomt met de inrichtingskenmerken op grond waarvan het certificaat is afgegeven, kan het openbaar ministerie het in dat certificaat genoemde maximaal te houden hennen als uitgangspunt nemen.

De rechtbank stelt vast dat het inrichtingscertificaat niet in het dossier is opgenomen. Voorts bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen waaruit de feitelijke situatie van de inrichtingen in de tenlastegelegde periode kan worden afgeleid. Het openbaar ministerie heeft er in het onderhavige strafrechtelijke onderzoek kennelijk voor gekozen geen feitenonderzoek op het bedrijf van verdachte te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld door het laten opmeten van de betreffende hokken of het bekijken van de actuele vergunde situatie.

In het dossier bevinden zich wel de certificaten betreffende de verschillende opzetten van leghennen op bepaalde data. Echter, uit deze certificaten (dan wel andere bewijsmiddelen) kan niet worden afgeleid op grond van welke feiten en omstandigheden het CPE tot dat bepaalde aantal maximaal te houden leghennen is gekomen. Zo is niet gebleken of de controleur van het CPE dit aantal heeft gerelateerd aan een daadwerkelijke meting van de betreffende inrichtingen. Er bestond voorts ook geen wettelijke verplichting voor de leghenhouders aanpassingen aan de inrichting van het bedrijf aan het CPE door te geven.

De rechtbank constateert dan ook dat thans gelet op de in het dossier voorhanden zijnde stukken niet beoordeeld kan worden of de inrichting gedurende de tenlastegelegde periode al dan niet aan de Europese regelgeving heeft voldaan.

Dit klemt te meer gezien het door de verdediging gevoerde verweer. De verdediging heeft immers aangevoerd dat de inrichtingen van het bedrijf van verdachte laatstelijk in 2007 door het CPE zijn gecontroleerd. Daarna zijn, volgens opgave van de verdediging, medio 2008 verbeteringen aangebracht. Recent heeft verdachte de inrichting laten herkeuren (waarvan bewijsstukken zijn overgelegd), waarbij een fors hoger maximum aantal te houden leghennen is vastgesteld. Deze omstandigheden kunnen relevant zijn voor het aantal te houden leghennen voor de productie van eieren van bepaalde classificaties.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat, bij gebrek aan voldoende (wettig) bewijs niet bewezen kan worden dat deze inrichtingen van de stallen van verdachte niet voldeden aan de betreffende Europeesrechtelijke verplichtingen. Nu dit niet is komen vast te staan, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden vastgesteld dat verdachte een onjuist houderijsysteem of een onjuiste houderijmethode heeft vermeld op respectievelijk eieren van leghennen en verpakkingen met eieren. Om die reden zal verdachte van al hetgeen onder de feiten 4, 5 en 6 ten laste is gelegd worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte de door N.V. valselijk opgemaakte facturen heeft gebruikt door aan het CPE per opzet minder leghennen op te geven dat zij daadwerkelijk opzette. Dat is echter niet ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschrift is bestemd voor zodanig gebruik, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feiten 2 en 3 telkens: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 23.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Gelderland 26 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8305

Een medeverdachte, een leghenhouder uit Haule, wordt veroordeeld tot een geldboete van € 31.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Afvalstoffen: Het ene begrip is het andere wel'

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 februari 2016 uitspraak gedaan over de uitleg die moet worden gegeven aan het begrip ‘afvalstof’, zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Deze uitspraak is interessant, omdat de Afdeling hierin de rechtspraak van het Hof van Justitie over het ‘afvalstof’-begrip onder de Richtlijn 2006/12/EG samenbrengt en eens te meer duidelijk maakt dat voor de uitleg van dit begrip onder de Kaderrichtlijn, aansluiting moet worden gezocht bij deze rechtspraak. Daarnaast biedt de uitspraak inzicht in welke omstandigheden van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een afvalstof. Lees verder:

 

Meer weten? Kom dan op Vrijdag 3 juni 2016 naar de Cursus Afvalstoffen.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Veehouder uit de gemeente Dongeradeel is veroordeeld tot 18 maanden celstraf voor het invoeren van verboden groeihormonen voor dieren

Rechtbank Overijssel 15 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:494 Een veehouder uit de gemeente Dongeradeel is veroordeeld tot 18 maanden celstraf voor het invoeren van verboden groeihormonen voor dieren. De man voerde welbewust telkens pakketten van ongeveer 5 kilogram van het verboden groeihormoon 17 beta-oestradiol uit China naar Nederland in. Om de inhoud te verdoezelen kregen de pakketten andere, onschuldige benamingen. De medeverdachte in deze strafzaak, de dochter, is vrijgesproken. 

De Fries ging aan zowel de gevaren voor de volksgezondheid als de economische risico’s van een handelsboycot volledig voorbij. Hij had alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

De consumptie van met 17 bèta-oestradiol behandeld vlees kan kankerverwekkend zijn. Bovendien zou, indien het diergeneesmiddel daadwerkelijk bij dieren was toegediend (hetgeen bij de levering in 2012 zeer wel kan zijn gebeurd) èn dat vervolgens bij controle zou zijn vastgesteld, voor de gehele vleessector verregaande consequenties gehad kunnen hebben. Andere landen zouden in zo’n geval bijvoorbeeld maandenlang de import van Nederlands vlees kunnen boycotten.

Standpunt verdediging

In een opmerking vooraf heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn met enkele maanden is overschreden hetgeen, in geval van bewezenverklaring, in ieder geval tot strafvermindering zou moeten leiden.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor feit 1 vrijspraak dient te volgen, aangezien er geen sprake is van een geneesmiddel bestemd voor dieren. De samenstelling van het product bestaat uit 95% pure 17 beta-oestradiol en dus is er volgens de raadsman sprake van een grondstof en niet van een diergeneesmiddel.

Ook voor de feiten 2 en 3 dient volgens de raadsman vrijspraak te volgen, aangezien de verantwoordelijkheid en eventuele aansprakelijkheid van de inhoud van de opgemaakte bescheiden c.q. facturen telkens bij de verzender ligt en niet bij verdachte. Ook blijkt uit niets van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verzender genaamd “mededader” uit China enerzijds en verdachte anderzijds. Daar komt wat betreft feit 2 bij dat, gelet op de verklaring van de getuige, namens de transporteur (logistiek bedrijf), niet kan worden uitgesloten dat geen (valse) documenten zijn gebruikt. Wat betreft feit 3 geldt dat, als al kan worden aangetoond dat er sprake is van valsheid in geschrifte, de inhoud van het verzonden pakket niet in een laboratorium is onderzocht, zodat niet bewezen kan worden dat de inhoud van dat pakket heeft bestaan uit een hoeveelheid 17 beta-oestradiol.

In het geval de rechtbank de verdediging niet (geheel) volgt, heeft de raadsman verzocht een straf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijk deel van een gevangenisstraf gelijk is aan de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen die zich in het onderhavige strafdossier bevinden en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Verdachte runt een eenmanszaak onder de naam “bedrijf verdachte”. In november 2013 komt bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit informatie binnen van de douane te Nijmegen dat zij in een postpakket de verboden stof 17 bèta-oestradiol hadden aangetroffen, terwijl op de begeleidende documenten Potassium Carbonate stond vermeld. Dit pakket was geadresseerd aan verdachte.

Het pakket is, nadat de inhoud in overleg met de officier van justitie S. Buist voor een groot deel is vervangen door bakpoeder, voorzien van plaatsbepalingsapparatuur en audioapparatuur.

Op 20 november 2013 is het pakket door verdachte opgehaald op het adres van logistiek bedrijf te Roden. Verdachte vertrekt vervolgens, met het pakket in zijn auto, naar hotel Van der Valk in Emmeloord.

Uit de inhoud van de in de bewijsmiddelen weergegeven, aan deze zending voorafgaande e-mail berichten, tussen een te name van verdachte gesteld e-mail adres en een e-mail adres van ene “mededader”, komt, in onderlinge samenhang bezien, naar voren dat de stof 17 bèta-oestradiol wordt besteld en dat deze stof onder de valse benaming Potassium Carbonate wordt verzonden.

De redelijke termijn

Op 21 november 2013 is verdachte aangehouden en op 22 november 2013 is hij in verzekering gesteld. De zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 10 maart 2014 en is toen verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Vervolgens is de zaak weer op 1 februari 2016 op zitting aangebracht en is de zaak inhoudelijk behandeld. Ter zitting heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op 15 februari 2016. Aldus wordt ruim twee jaar en (bijna) drie maanden na verdachtes aanhouding en inverzekeringstelling vonnis gewezen.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat sprake is van schending van de redelijke termijn en wel met een duur van (bijna) drie maanden.

Het betreft in deze een zaak waarin veel en uitvoerig onderzoek is verricht door zowel de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit als door de rechter-commissaris.

De rechtbank is van oordeel dat met de enkele constatering van die geringe schending kan worden volstaan en dat daaraan geen verdere consequenties moeten worden verbonden.

Het verweer met betrekking tot feit 1: het aantreffen van een grondstof en niet van een diergeneesmiddel.

In de Wet Dieren staat in de begripsbepalingen van artikel 1.1. het volgende.

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder diergeneesmiddel: elke samenstelling van enkelvoudige of meervoudige substanties die op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als te beschikken over therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij dieren.”. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu sprake van het aantreffen van een diergeneesmiddel bestaande uit een enkelvoudige substantie, als bedoeld in voormelde begripsbepaling, zodat de rechtbank het verweer verwerpt.

Uit de verklaring van de getuige-deskundige blijkt dat de aangetroffen stof onder meer wordt toegepast om een zwangerschap bij honden te onderbreken c.q. te voorkomen. De stof heeft dus een profylactische eigenschap. Dat de stof voor andere toepassingen wellicht nog een bewerking moet ondergaan, doet daaraan niet af. Bovendien kan een diergeneesmiddel tegelijkertijd een grondstof zijn. Beide begrippen sluiten elkaar niet uit.

Verdachte heeft wat betreft feit 1 ter terechtzitting erkend dat hij het pakket in Roden heeft opgehaald, maar eveneens dat hij niet wist wat zich in het pakket bevond. Verdachte heeft verklaard dat hij niets bij de hem bekende “mededader” uit China had besteld, maar dat mededader hem heeft gebeld met de mededeling dat er een pakket naar hem onderweg was. Wat er op het pakket en op de begeleidende documenten heeft gestaan is hem niet bekend.

Verdachte heeft eveneens ter terechtzitting verklaard dat het juist is dat zijn dochter hem op 20 november 2013 heeft gebeld met de mededeling dat het pakket was aangekomen en dat hij toen tegen zijn dochter heeft gezegd dat het “geweldig en heel mooi was”, maar dat hij dat gezegd heeft omdat hij de weg naar het logistiek bedrijf in Roden had gevonden.

Ter terechtzitting heeft verdachte wat betreft de feiten 2 en 3 verklaard dat hij niet in staat is om e-mails te maken en dat dus ook niet gedaan heeft en dat hij ook nooit een email naar mededader heeft gestuurd. Verdachte heeft verklaard dat hij een buurvrouw had die voor hem zijn e-mails beantwoordde, maar dat hij niet weet welke naam zij gebruikte. Het is wel juist dat bedrijf verdachte zijn bedrijf is en dat het daarbij behorende adres ook zijn woonadres is.

De rechtbank stelt de verklaring van verdachte, dat er zo maar uit het niets en voor niets door mededader een pakket naar hem wordt opgestuurd - waarvan de inhoud bij verkoop een waarde vertegenwoordigt van vele duizenden euro’s - en de voor het eerst ter zitting gegeven verklaring dat de beantwoording van zijn e-mails op zijn computer door een buurvrouw zijn verricht, als ongeloofwaardig ter zijde.

Dat geldt eveneens voor zijn antwoord “dat het geweldig en mooi was” na de mededeling van zijn dochter dat het pakket was aangekomen. Dat zou hij gezegd hebben omdat hij de locatie van logistiek bedrijf in Roden had weten te vinden. Uit de stukken blijkt echter dat zijn dochter hem die bewuste dag omstreeks 12.13 uur op de hoogte heeft gesteld (pag. 665) en hij die dag pas om 16.30 uur (pag. 666) het pakket in ontvangst heeft genomen bij logistiek bedrijf in Roden.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 3 vermelde stof 17 beta-oestradiol niet is aangetroffen en (dus) ook niet is onderzocht, zodat het feit niet bewezen verklaard kan worden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook dit ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. De Hoge Raad laat toe dat bewijsmiddelen, die ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaring van een strafbaar feit, in casu van de feiten 1 en 2 in onderlinge samenhang bezien, mede worden gebruikt als steunbewijs voor andere, soortgelijke, strafbare feiten (schakelbewijs), in casu feit 3. Voorwaarde is dat uit dit bewijsmateriaal blijkt van een specifiek gedragspatroon van de verdachte, dat op essentiële punten overeenstemt met de gang van zaken bij het te bewijzen feit. Daarvan is hier sprake.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 het misdrijf: overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 2.8, eerste lid, juncto artikel 2.19, eerste lid, van de Wet Dieren, strafbaar gesteld bij artikel 1 onder 1° van de Wet op de Economische Delicten, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan;
  • Feit 2 en feit 3 telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien maanden.

Verdachte heeft welbewust een aanmerkelijke hoeveelheid (telkens ongeveer 5 kilogram) van het verboden groeihormoon voor dieren (17 beta-oestradiol) Nederland doen binnen komen. In de poging om de werkelijke inhoud van die pakketten te verdoezelen hebben verdachte en zijn mededader afspraken gemaakt over de wijze van verzending en hebben zij de pakketten aangeboden onder vermelding van “onschuldige” benamingen, te weten “sample of potassium carbonate” en “ammonium polyphosphate”. Op die wijze hebben verdachte en zijn mededader het kwalijke van hun handelen willen verdonkeremanen.

De consumptie van met 17 bèta-oestradiol behandeld vlees kan schadelijk zijn (kankerverwekkend) voor de gezondheid van mensen.

Bovendien zou, indien het diergeneesmiddel daadwerkelijk bij dieren was toegediend (hetgeen bij de levering in 2012 zeer wel kan zijn gebeurd) èn dat vervolgens bij controle zou zijn vastgesteld, voor de gehele vleessector verregaande consequenties gehad kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld een maandenlange boycot van andere landen die de export van vlees zouden verbieden. Verdachte is echter aan zowel de gevaren voor de volksgezondheid als de economische risico’s van een handelsboycot volledig voorbij gegaan en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

Verdachte neemt, ook ter zitting, geen enkele verantwoordelijkheid voor het kwalijke en gevaarzettende karakter van zijn handelen.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij een slechte gezondheid heeft en dat hij de dag na de zitting (2 februari 2016) wordt opgenomen in het ziekenhuis.

Ter zitting zijn dienaangaande ook bescheiden door de verdediging overgelegd. De rechtbank heeft ook dit aspect in de strafmaat overwegingen meegenomen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Lees ook:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak invoer van verboden groeihormonen voor dieren uit China. Verdachte heeft weliswaar handelingen verricht, maar daarmee staat haar betrokkenheid bij het strafbare feit niet vast.

Rechtbank Overijssel 15 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:493 De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk handelingen heeft verricht met de bedoeling ongeveer 5 kilogram van een diergeneesmiddel, te weten 17 beta-oestradiol, in Nederland te brengen en/of te vervoeren en/of te ontvangen en/of voorhanden of in voorraad te hebben.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren; tot een geldboete van € 14.500 en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte inverzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het onder verdachte inbeslaggenomen geld, te weten € 14.500, dient volgens de officier van justitie, aan haar te worden teruggegeven.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich samen met haar vader aan het ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt, zij het dat de betrokkenheid van verdachte bij dat feit minder groot is dan die van haar vader. Door de handelingen die verdachte heeft verricht, zoals die door de officier van justitie in zijn schriftelijke requisitoir zijn weergegeven, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van dat feit.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld, overeenkomstig de door haar ter zitting overgelegde pleitnota, dat verdachte van het haar tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft betoogd dat uit alle door haar genoemde omstandigheden in het geheel niet blijkt dat er sprake is geweest van een gezamenlijk plan om de stof 17 beta-oestradiol in te voeren. De door verdachte verrichte handelingen zijn van volstrekt onvoldoende gewicht en kaliber om van medeplegen te kunnen spreken. Tevens heeft de raadsvrouw verzocht het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag aan haar terug te geven.

Bewijsoverwegingen rechtbank

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verdachte weliswaar handelingen heeft verricht die zien op het tenlastegelegde feit, maar daarmee staat betrokkenheid bij het strafbare feit nog niet vast..

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit wettige bewijsmiddelen niet dat de dochter enig opzet (al of niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het plegen of medeplegen van het tenlastegelegde feit, niet toen zij haar vader vergezelde bij een beursbezoek, niet bij het door hem laten afhalen van een pakje en ook niet op enig ander moment. Verdachte heeft een ondersteunende rol gespeeld bij het afhalen van het pakket bij bedrijf, maar het ontbreekt aan overtuigend en sluitend bewijs, dat deze verdachte op dat moment de inhoud van het pakket kende en dat haar bemoeienissen verder gingen dan hiervoor omschreven.

Van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het plegen van het tenlastegelegde feit, is dan ook niet gebleken.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^