Besluit risico's zware ongevallen van toepassing op verdachte rechtspersoon

Rechtbank Oost-Brabant 22 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:684 Verdachte, een bedrijf uit Hapert, heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag. Door de verdamping van aceton dreigden nadelige gevolgen voor het milieu te ontstaan.

Achtergrond

Verdachte drijft een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en wordt aangemerkt als een bedrijf waarop het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) van toepassing is. Burgemeester en wethouders hebben als bevoegd gezag hiertoe op aanvraag van verdachte op 14 februari 2012 een omgevingsvergunning verleend.

Tijdens een zogenoemde Brzo-inspectie op 10 september 2014 bleek dat bijna twee maanden daarvoor, op 3 juli 2014, tijdens het lossen van een tankwagen met aceton ongeveer driehonderd liter aceton is uitgestroomd via het ont-/beluchtingsventiel van de opslagtank.

Vast staat dat verdachte de gebeurtenis onmiddellijk heeft gemeld bij de lokale brandweer, die daarop is uitgerukt en maatregelen heeft getroffen. Vast staat ook dat verdachte de gebeurtenis niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld bij de bevoegde autoriteit. Verdachte heeft verder toegelicht dat dit een gebeurtenis was die niet viel onder de normale bedrijfsvoering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat sprake is van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 Wmb, omdat daaronder moet worden volstaan elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Verder moeten door het ongewone voorval nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Volgens de officier is aan beide vereisten, die leiden tot een meldingsplicht aan het bevoegd gezag, voldaan. De officier wijst er onder verwijzing naar het veiligheidsinformatieblad op dat aceton een zeer gevaarlijke, giftige en licht ontvlambare stof is, dat er na de lekkage milieugevaarlijke dampen in de lucht zijn vrijgekomen, en dat ook direct werd besloten tot inzet van de brandweer, die is overgegaan tot het aanbrengen van een schuimdeken. De officier stelt zich dan ook op het standpunt dat op zijn minst sprake is van dreigende nadelige gevolgen voor het milieu.

Volgens de officier had verdachte in dit geval daarom direct de bevoegde autoriteit, burgemeester en wethouders dan wel de mandaathouder Omgevingsdienst Midden- en West- Brabant (OMWB) moeten verwittigen, en niet eerst zelfstandig onderzoek of analyse moeten verrichten ter eigen beoordeling of zulks noodzakelijk is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat weliswaar sprake is geweest van een ongewoon voorval, maar dat hierdoor geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, omdat buiten het bedrijf geen schadelijke effecten zijn ontstaan of konden ontstaan. Volgens de verdediging was daarvoor de hoeveelheid uitgestroomde aceton te weinig. Verdachte wijst in dit verband naar de voor transport van gevaarlijke stoffen geldende ADR, waarin naar haar zeggen een ondergrens van 333 liter aceton is opgenomen. De waarschuwing en aansluitende inzet van de brandweer was louter preventief. Verder vindt de verdediging dat met het bellen van de brandweer als onderdeel van de gemeente in wezen melding is gedaan bij het bevoegde gezag. Verdachte wist niet dat dit burgemeester en wethouders waren. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij haar sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het oordeel van de rechtbank.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, moet een ongewoon voorval zo spoedig mogelijk worden gemeld indien door dat voorval nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.

Uit het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid van de Wmb blijkt dat onder gevolgen voor het milieu in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke dreiging in dit geval wel degelijk sprake was, nu er 300 liter aceton was uitgestroomd.

Immers, blijkens het veiligheidsinformatieblad van Brenntag betreffen het onder meer gevaren voor de gezondheid: een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht zal door verdamping van deze stof bij ca. 20 graden Celsius vrij snel worden bereikt; bij vernevelen nog sneller. Verder betreffen het gevaren voor de veiligheid: de dampen kunnen met lucht een explosief mengsel vormen. De rechtbank betrekt in haar oordeel mede dat volgens de weerinformatie van Infoplaza over Bladel op 3 juli 2014 tussen 15:00 uur en 17:00 uur de buitentemperatuur heeft gelegen tussen 26,1 en 27,3 graden Celsius, derhalve nog aanzienlijk boven de in het informatieblad genoemde gevaar indicatie bij 20 graden Celsius.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat verdachte kennelijk zelf eveneens heeft ingeschat dat sprake was van een (dreigende) gevaarlijke situatie, nu zij direct de brandweer heeft gewaarschuwd. Weliswaar heeft de verdediging hieromtrent gesteld dat dit een louter preventieve maatregel betrof, maar ter zitting heeft zij ook naar voren gebracht dat het personeel al ter evacuatie naar buiten was geleid voordat de brandweercommandant daarom had verzocht.

Het standpunt van de verdediging dat uit de regeling omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ADR, voortvloeit dat bij laden en lossen eerst bij een hoeveelheid van meer dan 330 liter aceton sprake is van gevaar doet hier niet aan af: dit betreft een ander beoordelingskader waarin andere feitelijke omstandigheden een rol spelen dan hier aan de orde.

De regelgeving is zodanig, dat bij twijfel aan de ernst van een incident als hoofdregel geldt dat ieder incident waarbij ook maar enige dreiging is van nadelige gevolgen voor het milieu, dit zo spoedig mogelijk moet worden gemeld. In zo‘n geval is het niet aan de inrichting om eerst zelf te onderzoeken of de milieuschade zich al dan niet heeft verwezenlijkt en of er sprake is van reële dreiging. Het is immers voor de overheid van het grootste belang dat indien nodig zo spoedig mogelijk maatregelen kunnen worden getroffen om bij een ongewoon voorval eventuele nadelige effecten op de omgeving te kunnen bestrijden.

Verdachte had dan ook zo spoedig mogelijk melding moeten doen bij de bevoegde autoriteiten, hetgeen niet is gebeurd. Verdachte heeft weliswaar melding gedaan bij de brandweer, maar dit is niet de bevoegde autoriteit. Dat de melding aan de brandweer op zichzelf genomen als adequaat kan worden gekenschetst kan hieraan niet afdoen; het betekent dat onder omstandigheden mogelijk meerdere te verrichten meldingen aan de orde zijn. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent mededelingen aan de gemeentelijke brandweer bij voorgaande gebeurtenissen in de voormalige vestigingsplaats Bergeijk kan evenmin leiden tot het oordeel dat hiermee een melding is verricht aan de bevoegde autoriteit.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag.

Strafoplegging

Geldboete van EUR 15.000 waarvan EUR 7.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF