Veroordeling voor asbest gerelateerde feiten en valsheid in geschrifte

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153

Aan verdachte is een zestal asbest gerelateerde feiten tenlaste gelegd alsmede valsheid in geschrifte.

Geldigheid van de dagvaarding

Op de in de pleitnota weergegeven gronden heeft de raadsman van verdachte geconcludeerd dat de dagvaarding ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten nietig moet worden verklaard omdat de aan verdachte verweten gedraging telkens zo ruim en weinig concreet is geformuleerd dat de dagvaarding ten aanzien van die feiten strijdig is met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij zowel het onder 1 als het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit worden concrete data en concrete feitelijke handelingen vermeld, die door verdachte zelf zouden zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onder 1 en onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feiten daarmee voldoende duidelijk en concreet geformuleerd en voldoet de dagvaarding aan de daaraan door artikel 47 van de Wet op de economische delicten in samenhang met de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat zij, uit de wijze waarop door en namens verdachte de verdediging is gevoerd, afleidt dat het voor verdachte en zijn raadsman glashelder was wat verdachte werd verweten.

Oordeel rechtbank 

Feit 1

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan adres 2 te Maarheeze. Deze inrichting waarvoor deze vergunning is verleend valt onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning is een aantal voorschriften gekoppeld.

Een deel van die voorschriften heeft betrekking op de wijze waarmee met asbesthoudend materiaal moet worden omgegaan. Meer concreet is daarover in hoofdstuk 14.4 van de voorschriften het navolgende bepaald.

14.4.1: Asbest(houdend) afval dient onmiddellijk te worden verpakt in afgesloten niet-luchtdoorlatend, van voldoende sterkte, kunststof ver- pakkingsmateriaal (...).

14.4.5: De afgesloten container of opslagplaats zoals bedoeld in de voorschriften waarin asbest en asbesthoudend afval is opgeslagen, moet op duidelijke wijze van onderstaande aanduidingen zijn voorzien: “Asbest- houdend afval” en “Bij ondeskundige handeling kan een voor de gezondheid schadelijke stof vrijkomen” en “Zakken en container gesloten houden”.

Op 18 maart 2009 bevindt verbalisant 1 zich op adres 2 te Maarheeze, gemeente Cranendonck. Op het buitenterrein van die locatie vindt opslag van afvalstoffen plaats. Bij nader onderzoek ziet verbalisant 1 op het buitenterrein een blauwe afvalcontainer staan. Hij ziet dat op deze afval- container geen asbestgevaaraanduiding is geplaatst. Ook ziet hij dat in die afvalcontainer opslag van onverpakt materiaal, bestaande uit golfplaten en stukken van gebruikte rookkanalen plaatsvond. Van de aangetroffen situatie zijn foto’s gemaakt.

Nadat de getuige 1 foto 3, pag. 2014, is getoond bevestigt deze dat de containers er bij hebben gestaan zoals verbalisant 1 heeft waargenomen en dat dit materiaal van verdachte was.

Van het in de afvalcontainer aangetroffen materiaal heeft verbalisant 1 monsters genomen. Deze monsters heeft hij ter analyse aangeboden aan bedrijf 3. Bedrijf 3 heeft de door verbalisant 1 toegezonden monsters onderzocht. Als resultaat van dit onderzoek heeft bedrijf 3 vastgesteld dat het rookkanaal 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat, dat een van de golfplaten 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) en 2-5% hechtgebonden crocidoliet (blauw asbest) bevat en dat een andere golfplaat 10-15% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat.

Op 8 april 2009 is persoon 1 over deze constateringen gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze is. Ten tijde van haar verhoor had zij dit perceel aan bedrijf 4 verhuurd. De eigenaar van dit sloopbedrijf is – aldus persoon 1 – verdachte. Met de bedrijfsvoering van bedrijf 4 bemoeit persoon 1 zich niet. Deze verklaring heeft zij bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 20 februari 2013 bevestigd. Bij dat verhoor heeft zij verder verklaard dat verdachte de milieuvergunning heeft aangevraagd, dat verdachte alles regelde en dat hij op het adres 2 de dienst uitmaakte.

Verdachte zelf heeft eveneens verklaard de vergunning te hebben aangevraagd, samen met zijn secretaresse, en dat hij dit heeft gedaan op naam van persoon 1.

De verklaring van persoon 1 wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 1. Hij heeft verklaard dat verdachte alle beslissingen nam, dat verdachte de leidinggevende was en dat verdachte alles regelde. Ook getuige 2, werkzaam bij het bedrijf 5, heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten waar hij verklaart dat verdachte altijd zijn aanspreekpunt was voor zaken met betrekking tot het perceel adres 2 te Maarheeze. Tenslotte heeft verdachte zelf verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op het perceel adres 2 te Maarheeze.

Ook heeft verdachte bij zijn verhoor door de politie nog verklaard dat in de blauwe container die op dit terrein van het adres 2 te Maarheeze stond, op 18 maart 2009 asbest is aangetroffen. Daarvan is bedrijf 4 tot het faillissement op 19 december 2007 eigenaar geweest. Verdachte was de enig bestuurder van bedrijf 4. De in de afvalbak aangetroffen asbest is afkomstig van verschillende locaties van verschillende sloopwerken die door bedrijf 4 in 2007 zijn uitgevoerd. De aangetroffen afvalcontainer werd gebruikt als verzamelbak voor resten asbest. Doordat na de terugkomst van een sloopwerk iedere keer asbest in de afvalcontainer werd gegooid, is het asbest nooit verpakt opgeslagen denk ik. Bij de behandeling van deze zaak op de zitting van 9 juli 2014 heeft verdachte nog verklaard dat hij van alle ins en outs van het omgaan met asbest op de hoogte is, en dat hij bij de aanvraag van de milieuvergunning voor de locatie aan het adres 2 te Maarheeze betrokken is geweest en hij heeft nogmaals bevestigd dat hij de enige bestuurder van bedrijf 4 was.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken omdat niet verdachte, maar ofwel persoon 1 als vergunninghouder en eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze, dan wel de eigenaar van de op dat perceel aanwezige voorwerpen en goederen, te weten bedrijf 4 tot haar faillissement in 2007 en na dit faillissement de curator, verantwoordelijk zijn voor de naleving van de vergunningvoorschriften.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat het verdachte is op wie de vergunningvoorschriften zien. Verdachte had immers de vergunning zelf aangevraagd, zij het op naam van persoon 1, was op de hoogte van de inhoud van de vergunningvoorschriften geldend voor de locatie adres 2 te Maarheeze, hij was belast met de naleving van die vergunningvoorschriften, hij was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken van de inrichting en hij was degene die de daarmee samenhangende beslissingen nam.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte dus ook op 18 maart 2009 degene die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften op die locatie. Het faillissement van bedrijf 4, waarvan verdachte de enige bestuurder was doet daaraan niet af. Ook na dit faillissement bleef verdachte degene die verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op deze locatie zoals verdachte bij een van zijn verhoren zelf ook heeft verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 2

Verdachte wordt verweten dat hij op 27 mei 2010 en/of 31 mei 2010 asbesthoudende afvalstoffen van Nederland naar België heeft gebracht zonder daarvan kennis aan de aan de autoriteiten te hebben gegeven of daarvoor toestemming te hebben gekregen.

De getuige 3, eigenaar/directeur van bedrijf 6, heeft verklaard dat hij vanaf 2006 in Nederland asbestsaneringen voor verdachte uitvoert omdat verdachte niet langer in het bezit was van het daarvoor benodigde procescertificaat. Verdachte is de opdrachtgever, getuige 3 voert de asbestsanering uit en verdachte zorgt zelf voor de afzet van het asbest.

Verdachte plaatst daartoe een container en getuige 3 doet het verpakte asbest daarin. Vanaf dat moment is het asbest eigendom van verdachte en zorgt verdachte ervoor dat het asbest op de stortplaatsen komt. Nadat in januari 2010 de storttarieven voor asbest behoorlijk waren verhoogd, vroeg getuige 3 naast facturen ook om stortbonnen. Daaruit bleek getuige 3 dat verdachte het asbest naar een stortplaats in België bracht, te weten bedrijf 7 in Hasselt. getuige 3 was het daarmee niet eens omdat het volgens hem niet was toegestaan asbest uit Nederland in België te storten. Daarna heeft getuige 3 geen asbest meer naar verdachte gebracht. Op verzoek van getuige 3 heeft bedrijf 7 stortbonnen van asbesttransporten naar getuige 3 gezonden.

De getuige 1 heeft de feitelijke gang van zaken bevestigd. Hij heeft verklaard dat verdachte de containers met asbest vanaf de saneringslocatie van getuige 3 naar het adres 2 te Maarheeze bracht en dat de containers daar werden neergezet. Zeker twee keer heeft verdachte zelf het asbest van Maarheeze naar bedrijf 7 gebracht.

Uit de stortbonnen blijkt dat bedrijf 8 op 27 mei 2010 en 31 mei 2010 met behulp van een vrachtauto voorzien van het kenteken gebonden asbest bij bedrijf 7 heeft gestort waarbij als herkomst is vermeld diverse werven van bedrijf 9. Dat er met gebruikmaking van bedoelde vrachtauto stortingen hebben plaatsgevonden bij bedrijf 7 wordt ondersteund door de uitkomst van het onderzoek van de tachograafschijf van de op 27 mei 2007 met deze vrachtauto uitgevoerde ritten. Daaruit blijkt dat die dag met dit voertuig identieke ritten zijn uitgevoerd van industrieterrein de Engelsman te Maarheeze, Nederland, naar Houthalen-Helchteren, België. Op 27 mei 2010 werd tweemaal van Nederland naar België gereden en tweemaal van België naar Nederland. Blijkens de informatie op de tachograafschijf zijn er tijdens genoemde ritten geen tussenstops geweest waarbij in België asbest geladen zou kunnen zijn.

Op 3 juni 2010 heeft bedrijf 8 een factuur aan bedrijf 6 gezonden. Deze factuur heeft betrekking op het vervoer van asbest door bedrijf 8 voor bedrijf 6 naar bedrijf 7 België op 27 mei 2010 en 31 mei 2010. Verdachte is vanaf 16 september 2008 bestuurder van bedrijf 8.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 mei 2010 en 31 mei 2010, onder de vlag van bedrijf 8, met een door hem bestuurde vrachtauto voorzien van het Belgische kenteken, asbest afkomstig van asbestsaneringsprojecten van het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, naar bedrijf 7 in België heeft vervoerd. Van deze transporten is geen kennisgeving of melding aan de autoriteiten gedaan.

Verdachte heeft echter gesteld dat dit asbest afkomstig is van Belgische saneringsprojecten van getuige 3 en dat er dus geen melding van die transporten hoefde te worden gemaakt omdat het getransporteerde asbest niet uit Nederland afkomstig was, maar uit België zelf. Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 3

Op 30 mei 2010 heeft persoon 2 een sloopvergunning aangevraagd voor de sloop van een woonboerderij gelegen aan de adres 3 te Budel. In de aanvrage wordt melding gemaakt dat er bij de sloop asbesthoudend sloop- afval vrij zal komen omdat uit onderzoek is gebleken dat asbesthoudende platen deel van het dak uitmaken.

Op 17 juni 2010 is door bedrijf 10 een inventarisatie uitgevoerd voor totaalsloop/renovatie van het dakbeschot op het woonhuis op het adres 3 te Budel waarbij de asbesthoudende materialen in kaart zijn gebracht. Daarbij is gebleken dat het dakbeschot op het dak van het woonhuis asbesthoudend materiaal van risicoklasse 2 bevat met een omvang van circa 185m2. Materiaalanalyse heeft aangetoond dat het dakbeschot 5-10% chrysotiel bevat en hechtgebonden is.

Voor de uitvoering van deze sloopwerkzaamheden is een offerte uitgebracht door bedrijf 11. Deze offerte is door verdachte ondertekend en houdt zakelijk weergegeven onder meer in een prijsopgave voor de verwijdering van een asbest dakbeschot. In de offerte wordt nader uitgelegd op welke wijze met de asbesthoudende materialen zal worden omgegaan.

Op 23 juli 2010 is door vergunninghouder persoon 2 een formulier “start sloop” ingediend voor het starten van de sloopwerkzaamheden op 26 juli 2010. Op 28 juli 2010 heeft persoon 3, handhaver bij de gemeente Cranendonck, de slooplocatie aan de adres 3 te Budel bezocht. Hij heeft toen geconstateerd dat er al begonnen was met het verwijderen van de asbesthoudende delen van het dakbeschot. Bij het betreden van het terrein treft persoon 3 verdachte en getuige 1 aan. Desgevraagd overhandigt verdachte diverse documenten aan persoon 3. Uit die documenten blijkt onder meer dat bedrijf 1 de uitvoerder van de verwijderingswerkzaamheden was. Vervolgens heeft persoon 3 onderzoek ingesteld naar de vraag of bedrijf 1 gecertificeerd was deze werkzaamheden uit te voeren. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat bedrijf 1 een gecertificeerd asbest- verwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring die de getuige 4 heeft afgelegd. Hij heeft echter ook verklaard dat de geldigheid van het eens aan bedrijf 1 verleende asbestverwijderingscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar, en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd. 

Bedrijf 1 was voorafgaand aan de verweten gedragingen in staat van faillissement verklaard.

De getuige 1 heeft verklaard dat hij samen met verdachte een asbest- sanering heeft gedaan aan de adres 3 in Budel. Terwijl zij bezig waren met het verwijderen van de asbestplaten van het dakbeschot kwam er iemand van de gemeente op het moment dat zij bijna klaar waren met het uitvoeren van die werkzaamheden. Nadat de gemeenteambtenaar was vertrokken heeft verdachte tegen getuige 1 gezegd dat verdachte helemaal geen asbest mocht verwijderen. Naderhand heeft getuige 3 de klus afgemaakt. De werkzaamheden zijn in twee dagen uitgevoerd. Dit wordt bevestigd door de verklaring die getuige 3 heeft afgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 4

In het dossier bevindt zich een begeleidingsbrief waarop staat vermeld dat bedrijf 1, adres 2 te Maarheeze de ontdoener is van asbesthoudende afval, afkomstig van de locatie adres 3 en dat het transport op 29 juli 2010 zal aanvangen. Deze begeleidingsbrief is door verdachte ondertekend. Tevens bevindt zich in het dossier een Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling. In deze melding staat vermeld dat bedrijf 1 een (asbestverwijde- rings)bedrijf is, dat gebruik maakt van het KOMO-certificaat met nummer AV167/1 en dat dit bedrijf (hoofd)aannemer is van het asbestverwij- deringswerk in opdracht van persoon 2 te Budel en dat de werkzaamheden op 28 juli 2010 zullen starten. Deze melding is gedateerd 28 juli 2010 en is door verdachte ondertekend.

Verdachte heeft erkend dat deze formulieren in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Uit de door de getuige 1, de getuige 3 en de ver- dachte afgelegde verklaringen blijkt dat niet bedrijf 1 de ontdoener van het afval is geweest omdat dit bedrijf al in 2007 failliet was verklaard, maar het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, en voorts dat bedrijf 1 na het faillissement niet langer een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 4. Hij heeft verklaard dat de geldigheid van het aan bedrijf 1 verleende asbestverwij- deringscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 4 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 5 en 6

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan het adres 2 te Maarheeze. Deze vergunning valt onder meer onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning zijn onder meer de navolgende voorschriften verbonden.

  • voorschrift 1.1.1.: Binnen de inrichting mogen ten hoogste de volgende hoeveelheden grond- en hulpstoffen aanwezig zijn: (...) 35m3 asbest platen/buizen;
  • voorschrift 1.1.9.: Ingeval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 3 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving moeten worden afgevoerd.

Bij een controle op 29 juni 2010 ziet persoon 4, een medewerker van de milieudienst bedrijf 5, tijdens een bedrijfsbezoek aan de locatie adres 2 te Maarheeze, op het buitenterrein en in de bedrijfshal 18 zogenaamde big bags staan met daarin vermoedelijk asbest. Tijdens deze controle was persoon 4 in het gezelschap van verdachte. Verdachte bevestigde tijdens dit bezoek dat er asbest in deze big bags zat. Ook ziet persoon 4 tonnen met afval staan afkomstig uit een voormalige autospuiterij. Van deze situatie zijn foto’s gemaakt.

Op 1 juli 2010 omstreeks 10.00 uur is verbalisant 2, vergezeld door onder meer persoon 4 voornoemd en medewerkers van bedrijf 3 , naar voormelde locatie aan het adres 2 te Maarheeze gegaan. Tijdens de rondgang over het bedrijf ziet verbalisant 2 dat de situatie zoals persoon 4 die op 29 juni 2010 heeft geconstateerd, nog steeds bestaat. Ook verbalisant 2 constateert de aanwezigheid van 18 big bags waarin asbest is opgeslagen. Bij de vaten waarvan verdachte bij de controle op 29 juni 2010 tegen persoon 4 had verteld dat daarin afval van een autospuiterij zat, geurde het– aldus verbalisant 2 – naar verfoplosmiddel.

Bij nader onderzoek is vastgesteld dat de 18 big bags met asbest bestonden uit 14 big bags met een inhoud van ongeveer 17m3 en 4 kleinere partijen van elk ongeveer 2 m3. Op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 was derhalve ongeveer 250m3 asbest aanwezig op de locatie adres 2 te Maarheeze. Tijdens het bezoek aan voormelde locatie zijn door medewerkers van bedrijf 3, een geaccrediteerd laboratorium voor onderzoek aan asbest, 22 monsters genomen van het asbestverdachte materiaal. Uit door bedrijf 3 verricht onderzoek bleek dat 21 van die 22 monsters hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevatten. Uit nader onderzoek bleken voorts de vaten die naar verfoplosmiddel geurden 20 blikken van 20 liter met lak te zijn, geëtiketteerd ADR klasse 9.

De hiervoor genoemde bevindingen worden bevestigd door de verklaring van getuige 1, destijds werkzaam op de locatie adres 2 te Maarheeze. Hij heeft verklaard dat er in 2009 en 2010 teveel asbest, en lak afkomstig van een spuiterij op de locatie waren opgeslagen. Nadat de lak een jaar lang op het terrein opgeslagen had gestaan, heeft getuige 1 de lak naar de milieustraat gebracht.

Zowel bij zijn verhoor door de politie als ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft verdachte erkend dat op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 op de locatie adres 2 te Maarheeze, de door verbalisant 2 en persoon 4 aangetroffen big bags met asbesthoudende materialen en 20 blikken verf aanwezig waren. Verdachte heeft verklaard dat het asbest aan verschillende, inmiddels failliet verklaarde bedrijven toebehoorde die op voormelde locatie waren gevestigd. Verdachte heeft toen ook verklaard dat hij de dagelijkse leiding op deze locatie heeft, dat hij verantwoordelijk is voor het toezicht op het terrein en in de gebouwen en dat hij zorg draagt voor de naleving van de voorschriften uit de geldende vergunning Wet milieubeheer. 

De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor onder feit 1 uiteengezet, dat verdachte ook in de periode van 18 maart 2009 tot en met 1 juli 2010 degene was die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften aldaar.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 5 en onder feit 6 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 7

Op 2 juli 2010 heeft de officier van justitie aan verdachte kennis gegeven van de – op grond van artikel 28 van de Wet op de economische delicten bevolen – voorlopige maatregel dat verdachte zich met ingang van het moment van uitreiking van deze kennisgeving zal onthouden van het (doen) verplaatsen, aanroeren, bewerken, verwerken en/of verplaatsen van het binnen de inrichting gelegen aan het adres 2 te Maarheeze aanwezige asbest anders dan na voorafgaande goedkeuring van -, en onder toezicht van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost. Op 2 juli 2010 is deze voorlopige maatregel aan verdachte uitgereikt en met hem besproken.

Op 17 september 2010 heeft het Regionaal Milieuteam van de gemeente Cranendonck een melding ontvangen waaruit bleek dat op maandag 20 september 2010 een asbestverwijdering plaats zou gaan vinden ter plaats van het adres 2 te Maarheeze. Deze verwijdering zou worden uitgevoerd door bedrijf 6 (verder ook: bedrijf 6). Op 23 september 2010 bleek uit contacten tussen de gemeente Cranendonck en bedrijf 6 dat het asbest op de locatie aan het adres 2 te Maarheeze opnieuw was verpakt en in containers was geplaatst. Op 24 september 2010 zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 ter plaatse gegaan. Op de openbare weg adres 2, zien hij twee containers staan, gevuld met materiaal verpakt in wit plastic. Het witte plastic was op meerdere plaatsen gescheurd. Door de gescheurde gedeeltes zag verbalisant 3 asbestverdacht plaatmateriaal. Enige tijd later op diezelfde dag werd geconstateerd dat de twee containers niet meer op de openbare weg adres 2 stonden maar waren verplaatst naar het terrein adres 2,

Vervolgens hebben verbalisant 2 en verbalisant 3 met verdachte gesproken en is een kopie van de voorlopige maatregel met parketnummer 01/995021-10 aan verdachte uitgereikt, waarna de inhoud van die maatregel met hem is besproken. Omdat het vermoeden bestond dat de inhoud van de witte plastic zakken in de aangetroffen containers het asbesthoudend materiaal betrof dat op 1 juli 2010 op de locatie werd aangetroffen, heeft verdachte desgevraagd het asbestinventarisatierapport aan verbalisant 2 overhandigd. Hieruit bleek dat het materiaal in de containers asbest bevatte.

Bij brief van 24 september 2010 heeft verbalisant 2 verdachte er nogmaals op gewezen dat het hem, gelet op de tegen hem bevolen voorlopige maatregel, was verboden het aanwezige asbest zonder goedkeuring van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost te verplaatsen.

Als reactie op een aantal faxen van verdachte van 28 september 2010, waarin hij melding maakte dat hij roerende zaken vanaf het terrein aan het adres 2 te Maarheeze op de openbare weg had geplaatst, zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 op 29 september 2010 ter plaatse gegaan. Daar zag verbalisant 3, op de openbare weg rond het terrein r 2010 via een aantal faxen aan de gemeente Cranendonck, de politie en de curator heeft aangekondigd en dat hij waar hij in die faxen over roerende goederen heeft gesproken, onder andere heeft gedoeld op containers die verpakt asbest bevatten. 

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 7 aan verdachte ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd [artikel 2 onder 35, van de Verordening EEG nr. 1013/2006).

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 4: Valsheid in geschrift.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 6: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1., eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 7: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 28 van de Wet op de economische delicten).

Strafoplegging

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De onderhavige feiten heeft verdachte gedurende een langere periode gepleegd. Uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte blijkt van een groot gebrek aan respect voor het milieu en de gezondheidsbelangen van zijn medemensen. Verdachte was niet gecertificeerd als asbestverwijderaar. Dat dit mogelijk (lang geleden) anders is geweest doet daaraan niet af. Asbestsanering is gelet op de grote risico’s voor de volksgezondheid aan strikte regels gebonden. Verdachte heeft die – hem welbekende - regels doelbewust genegeerd, waarbij verdachte louter door financiële motieven lijkt te zijn gedreven. Gelet op het aantal bewezen verklaarde feiten en het tijdsbestek waarin die feiten zich hebben afgespeeld is het handelen van verdachte als stelselmatig en hardnekkig te betitelen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank het gegeven dat verdachte reeds eerder veroordeeld voor overtreding van de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer, feiten soortgelijk aan de hiervoor onder 1 en onder 6 bewezen verklaarde feiten. Uit de bewezenverklaarde feiten en verdachtes attitude blijkt voorts een nagenoeg ontbrekend respect voor aanwijzingen en beslissingen van de autoriteiten en negeert hij ook die stelselmatig.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Inwerkingtreding Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen

Op 17 juli 2014  is de Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware en ernstige asbestovertredingen in de Staatscourant gepubliceerd. De beleidsregel vormt de juridische uitwerking voor de openbaarmaking van inspectiegegevens op het gebied van asbestsanering.  De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hierover op 21 februari jl. een brief aan de Tweede Kamer gestuurd.

In artikel 3 van de beleidsregel en de bijbehorende toelichting valt te lezen welke gegevens over zware en ernstige asbestovertredingen openbaar wor- den gemaakt:

  1. de naam en vestigingsplaats van de rechtspersoon dan wel van de natuurlijke persoon;
  2. de geconstateerde overtreding;
  3. de datum waarop de overtreding is geconstateerd;
  4. de locatie waar het asbest aanwezig is of is geweest;
  5. welk bestuurlijk besluit is genomen, dan wel welke bestuurlijke besluiten zijn genomen vanwege de overtreding op grond van de artikelen 28a, 33 of 34 van de Arbeidsomstandighedenwet;
  6. of tegen de onder e bedoelde bestuurlijke besluiten een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe nog de mogelijkheid bestaat.

Ook wordt toegelicht hoe deze worden gepubliceerd en de procedure die daarbij wordt gevolgd.

De beleidsregel treedt in werking vier weken na de publicatie ervan in de Staatcourant, dus op 15 augustus. Met het oog op de doorlooptijd tussen het constateren van een overtreding en het vaststellen van de boete wordt de openbaarmaking van de eerste overtredingen in het najaar op de website van de Inspectie SZW verwacht.

Print Friendly and PDF ^

'Bij milieuschade is ook de top aansprakelijk'

Een taakstraf van 240 uur plus zes maanden voorwaardelijk voor de directeur van Chemie-Pack: milieuschade kan leiden tot strafrechtelijke vervolging van natuurlijke personen die de eindverantwoordelijkheid dragen, waarschuwen Anne-Marie Klijn en Chantal van Mil van Boekel de Nerée.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Melding doen aan het bevoegde gezag van verandering (van de werking) van de inrichting

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2034

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

2: hij op of omstreeks 21 september, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, heeft veranderd (gehouden) en/of de werking daarvan heeft veranderd (gehouden) (door het (laten) plaatsen en/of laten staan van 2, in elk geval een of meer propaantanks/propaanreservoirs) al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorggedragen hiervan tenminste vier weken voor die verandering (van de werking) van die inrichting aan burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, althans aan het bevoegd gezag , melding te doen, immers was (in ieder geval) op 21 september 2011 en/of op 12 december 2011 die melding nog niet gedaan;

3: hij op of omstreeks 21 september 2011 en/of 12 december 2011, in elk geval in of omstreeks de periode van 21 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dreef, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan een of meer bij of krachtens dit besluit gestelde regels, immers was/waren in strijd met voorschrift 4.8.35 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 (PGS 19) twee, in elk geval een of meer propaanreservoir(s) en het/de vulpunt(en) niet goed bereikbaar voor de tankwagen en/of de tankwagenchauffeur.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij er niet voor heeft zorggedragen dat tenminste vier weken voordat zijn inrichting veranderd werd (gehouden) dan wel de werking daarvan werd veranderd, van die verandering (van de werking) van die inrichting melding werd gedaan aan het bevoegde gezag. Op grond van artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer dient degene die een inrichting opricht, hiervan ten minste vier weken voor de oprichting melding te doen aan het bevoegde gezag. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing geacht met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Voorts is in het tweede lid van voornoemd artikel opgenomen dat een dergelijke melding achterwege kan blijven indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en op grond van de in dit artikel genoemde artikelen geen andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.

Door de raadsvrouw is gesteld dat de eigenaar van het terrein (hierna: eigenaar terrein) waarop het garagebedrijf van de verdachte staat, reeds op juiste wijze melding had gemaakt van de plaatsing van de propaantanks en dat de verdachte dientengevolge niet strafbaar is. De advocaat-generaal heeft deze stelling als zodanig niet betwist. Het dossier biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de stelling van de raadsvrouwe niet juist kan zijn. Nu niet valt uit te sluiten dat reeds een melding in de zin van de Wet milieubeheer (nader uitgewerkt bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) was gedaan door eigenaar terrein en dat de verdachte conform het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer daarom niet was gehouden melding te doen van het laten staan van voornoemde propaantanks, moet de verdachte van het hem ter zake ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Het hof is met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan of de propaantanks behorende bij de inrichting van de verdachte nog in gebruik waren in de ten laste gelegde periode en derhalve bereikbaar dienden te zijn voor de tankwagen en de chauffeur daarvan. Het hof zal de verdachte daarom tevens vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Werkinstructie niet op juiste wijze gevolgd waardoor na een heftige chemische reactie alkalische dampen konden ontsnappen. Sprake van een zwaar ongeval in de zin van het BRZO?

Rechtbank Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 juni 2014 tweemaal is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 18 januari 2012 in de gemeente 's-Hertogenbosch, als degene die een inrichting aan de adres 1, niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij

  1. bij de productie van Radsol T841 gebruik gemaakt van een andere tank dan de tot dan toe gebruikte tank (tank 21 in plaats van tank 20) en daarvoor (in strijd met eigen procedures nrs 1.1.3 en nr 1.1.3 WI 01) geen risicobeoordeling heeft uitgevoerd (door middel van het toepassen van een management of change (MOC)), en/of
  2. bij de productie van Radsol T 841 niet de betreffende werkinstructie (workorder) gevolgd (door eerst broomzuur en daarna ethyleendiamine in tank 21 te gieten waardoor een hevige exotherme reactie ontstond), en/of
  3. bij de productie van Radsol T841 gebruik gemaakt van een niet of minder goed werkende direct op vat 21 aangesloten afzuiginstallatie (waardoor, althans mede waardoor, de door de exotherme reactie ontstane alkalische dampen niet althans onvoldoende werden afgezogen en aldus in hal CM-3 konden uittreden);

artikel 5 BRZO juncto artikel 6 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de drie ten laste gelegde overtredingen wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken, waarbij de raadsman het standpunt inneemt dat er sprake is van één tenlastegelegde overtreding.

Oordeel rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van de punten 1 en 3 op de tenlastelegging

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie zich bij de tenlastelegging ten aanzien van punt 1 beroept op veronachtzaming van een intern protocol van verdachte, het zogeheten business management systeem. Dit protocol geeft voorschriften die gevolgd dienen te worden indien sprake is van wijzigingen die gevolgen kunnen hebben voor risico’s met gevaarlijke stoffen. De officier van justitie beroept zich daarbij evenwel op de conceptversie van dit protocol gedateerd 16 september 2011, zonder dat vast is komen te staan dat dit protocol ook daadwerkelijk van kracht was ten tijde van het incident op 18 januari 2012. Derhalve heeft de rechtbank niet kunnen beoordelen of verdachte op die datum in strijd met de eigen procedures heeft nagelaten om een risicobeoordeling uit te voeren door toepassing van een management of change. Dit onderdeel van de tenlastelegging is dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van punt 3 heeft de officier van justitie na wijziging van de tenlastelegging expliciet de afzuiginstallatie die direct op tank 21 is aangesloten aangewezen als de afzuiginstallatie die niet of minder goed werkte, met als gevolg dat de tijdens het incident vrijkomende dampen niet, althans onvoldoende werden afgevoerd en zich konden verspreiden in hal CM-3. De rechtbank is van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend is bewezen.

Getuige 1, productie-coördinator en Hoofd BHV bij verdachte, heeft over de niet of niet goed werkende afzuiginstallatie immers het volgende verklaard:

Ik ben achter getuige 2 aangerend omdat hij zo hard liep. En zag toen dat het bij CM3 was. Ik kwam op de afdeling binnen. Ik zag dat er iets niet goed was, ik zag damp uit tank 21 treden. Ik zag de rook uit het kabinet (“de afzuigkap”), en dat was voor mij het teken dat er iets mis was met de afzuiging. Ik riep tegen getuige 3 (supervisor): “Kijk naar de afzuiging, daar is iets niet goed mee.” Getuige 3 was er al mee bezig. Hij was bezig de hoofdschakelaar aan en uit te zetten op zijn kantoor. Verschillende keren, want we hoorden de motor van de afzuiging en zagen dat de damp niet werd afgezogen.

Vraag verbalisanten: Dit was de afzuiging van het kabinet?

Antwoord: Ja deze afzuiging van het kabinet bedoel ik, er zit namelijk ook nog een afzuiging op het vat zelf. Getuige 3 riep terug: “Hij staat aan maar hij zuigt niet af!” Ik weet dat wanneer de damp uit het kabinet treedt, de brandmelding wordt geactiveerd. (zie bijlage 7, pagina 1 onderaan).

De rechtbank is van oordeel dat in het licht van deze getuigenverklaring niet bewezen kan worden verklaard dat de – direct op tank 21 aangesloten – afzuiginstallatie niet of onvoldoende werkte zodat verdachte ook van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van punt 2 op de tenlastelegging (niet volgen van de workorder)

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de workorder niet is gevolgd, immers is de volgorde van de workorder dat eerst gedemineraliseerd water in de tank moet worden gedaan en dan Broomzuur en dan Ethyleendiamine. De stelling van de raadsman dat het juist is dat eerst Broomzuur en daarna Ethyleendiamine in de tank is gedaan, miskent het feit dat – in afwijking van de werkorder – niet eerst gedemineraliseerd water aan de tank is toegevoegd, zodat deze stelling een onjuiste lezing van de tenlastelegging betreft en derhalve wordt verworpen.

Zwaar ongeval in de zin van het BRZO?

De raadsman heeft voorts het verweer gevoerd dat er geen sprake is van een zwaar ongeval in de zin van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank kwalificeert, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen het incident op 18 januari 2012 als een zwaar ongeval. Gelet op de aard van het incident, de daarbij betrokken chemische en/of gevaarlijke stoffen en de heftige reactie die het afwijken van de werkbon in het productieproces teweeg heeft gebracht is tot ontruiming van de werkvloer overgegaan. Ethyleendiamine is een potentieel gevaarlijke stof voor de mens. Bij de productie van Radsol T841, zoals tijdens het incident, stonden meerdere operators dicht bij tank 21, waar de heftige reactie plaatsvond. Hierdoor ontstond een gevaarlijke situatie voor hen, waardoor wel degelijk sprake is van een zwaar ongeval in de zin van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Dat er geen gewonden zijn gevallen doet daaraan niet af.

Bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: op 18 januari 2012 in de gemeente 's-Hertogenbosch, als degene die een inrichting aan verdachte, niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij bij de productie van Radsol T841 niet de betreffende werkinstructie (workorder) gevolgd (door eerst Broomzuur en daarna Ethyleendiamine in tank 21 te gieten waardoor een hevige exotherme reactie ontstond).

Beroep op AVAS

De verdediging heeft ten aanzien van punt 2 (het niet naleven van de workorder) bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken wegens afwezigheid van alle schuld. Het handelen van de werknemers getuige 3 en getuige 4 kan verdachte niet worden toegerekend. De officier van justitie acht het handelen van de werknemer wel toerekenbaar aan de rechtspersoon.

De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden zijn verricht door de medewerker van verdachte en dat de werkzaamheden zijn verricht in het kader van het productieproces van verdachte. Ook pasten deze in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Verdachte is een bedrijf dat is aangemerkt als een BRZO-bedrijf. Gewerkt wordt met gevaarlijke en/of met chemische stoffen. Onder die omstandigheden mag van verdachte verwacht worden dat zij er alles aan doet om een onveilige dan wel gevaarlijke situatie te voorkomen, immers voor verdachte gelden hoge veiligheidsnormen. Alleen al uit hoofde van het BRZO heeft verdachte een bijzondere zorgplicht. Door onvoldoende toezicht te houden op het op juiste wijze uitvoeren van een workorder dan wel onvoldoende specifiek geschoold personeel de workorder uit te laten voeren heeft verdachte aanvaard dat in het onderhavige geval in afwijking van de workorder is gehandeld. Door verdachte werd kennelijk oogluikend toegestaan dat personeel in voorkomend geval en naar eigen goeddunken konden en mochten afwijken van de bij het productieproces uit te voeren workorder, zulks gelet op de verklaring van getuige 3 dat hij wel vaker van het voorgeschreven procedé placht af te wijken.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de door de werknemer verrichte gedraging toegerekend kan worden aan verdachte.

Strafoplegging

De officier van justitie vordert ten aanzien van drie overtredingen 3 keer een geldboete van €25.000,= waarvan telkens €10.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De raadsman is van mening dat er hooguit sprake is van één overtreding.

De rechtbank legt een geldboete op van €30.000,00 en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft onrust veroorzaakt in het bedrijf van verdachte. De gehele werkvloer is ontruimd naar aanleiding van het incident. Bij de productie van Radsol T841 is de workorder niet op juiste wijze gevolgd, waardoor na een heftige chemische reactie tussen een hoeveelheid Broomzuur en een daaraan toegevoegde hoeveelheid Ethyleendiamine, alkalische dampen konden ontsnappen. Hierdoor is een soort dichte mist ontstaan met een zicht van minder dan zes meter. De medewerkers in de directe omgeving van de tank waarin voornoemd product werd geproduceerd konden daar op dat moment aan worden blootgesteld. Het feit is weliswaar te herleiden tot een menselijke fout, maar juist in een bedrijf waar risico’s bestaan op zware ongevallen met ingrijpende gevolgen voor mens en milieu, had verdachte haar bedrijfsprocessen zodanig moeten inrichten dat dergelijke risico’s beter in de hand kunnen worden gehouden. Uit de verklaring van getuige 3 (“Het is voor mij een overwogen afweging geweest om het op deze manier te doen. We doen het eigenlijk wel vaker op deze manier”) leidt de rechtbank af dat binnen de onderneming van verdachte ten tijde van het voorval kennelijk een veiligheidscultuur bestond die dergelijk solistisch – inherent onveilig – gedrag faciliteerde. Consistent met deze – indertijd – tekortschietende veiligheidscultuur is het gegeven dat verdachte in diezelfde periode ook al eens (bij strafbeschikking) een geldboete is opgelegd voor een soortgelijk feit.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat zij de ernst van de door haar gepleegde overtreding inziet en heeft aangetoond dat zij haar bedrijfsveiligheid en opleidingstraject heeft verbeterd. Hierdoor zijn na het aan het licht komen van het door verdachte gepleegde strafbare feit haar bedrijfsprocessen zodanig in positieve zin gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat dit de veiligheid op de werkvloer van het bedrijf van verdachte ten goede zal komen. Daarbij komt dat sinds het tijdstip waarop het door haar gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken, waarin – voor zover bekend – geen vergelijkbare, op een tekortschietende veiligheidscultuur terug te voeren incidenten hebben plaatsgevonden.

De rechtbank zal voor de bewezenverklaarde overtreding een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf per overtreding, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Verdachte valt reeds onder toezicht in het kader van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 en de vertegenwoordiger van verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven dat verdachte onder dit toezicht wil blijven vallen. Het niet wederom plegen van strafbare feiten kan daarmee in afdoende mate worden ingekaderd dan wel worden ondervangen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Strafrechtelijk onderzoek naar afvalinzamelaar

Bij een gecoördineerde actie van de Politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Omgevingsdienst Noord Veluwe zijn er gisteren en vandaag in totaal negen bedrijfslocaties en drie woningen doorzocht in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar fraude met afvalstromen die bestemd zijn voor co-vergisters. De doorzoekingen vonden plaats op meerdere locaties in het land. Er is administratie in beslag genomen.

De verdachten zijn een afvalinzamelaar uit de omgeving Noord West Veluwe en de directeur van het bedrijf. De verdenking is dat het bedrijf vanaf 2010 verontreinigd afvalwater en vetten inzamelt, terwijl het die afvalstoffen niet mag ontvangen volgens de omgevingsvergunning. Dat afval zouden zij vermoedelijk weer doorleveren aan co-vergisters die de stoffen ook niet zouden mogen verwerken. Het gaat in totaal om circa 50.000 ton afval, dat zijn circa 2000 vrachtwagens vol. De afvalinzamelaar zou het illegale afval omkatten door de bijgesloten documenten te vervalsen, waardoor het lijkt of het om afval gaat dat zij en de co-vergisters wel hadden mogen ontvangen.

Co-vergisters mogen niet alle afval verwerken, omdat hetgeen overblijft na het productieproces in de co-vergister als mest over het land wordt uitgereden. Wanneer er niet-toegestane afvalstoffen in een co-vergister terecht komen kan dat risico's hebben voor mens en milieu. Door de mest die over het land wordt uitgereden bestaat het risico dat er stoffen in onze voedselketen of in de bodem terecht komen. Ook kan het invloed hebben op het vergistingsproces in de co-vergistingsinstallatie met veiligheidsrisico's voor de directe omgeving.

De Omgevingsdienst heeft gelijktijdig met de actie van politie, NVWA en het OM, zelfstandig een controleactie uitgevoerd, die zich richt op de naleving van de vergunningen. De opsporingsdiensten hebben gezocht in een bedrijfspand in de gemeente Hoogeveen, een woonhuis en bedrijfspand in de gemeente Tytsjerksteradiel, twee bedrijfspanden en twee woningen in de provincie Gelderland, twee bedrijfspanden in Amsterdam en Schiphol, twee bedrijfspanden in de omgeving van Rotterdam en een bedrijfspand in de gemeente Heerhugowaard. Tijdens deze actiedag is samengewerkt tussen diverse overheidsdiensten.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

Aankondiging publicatie advies ‘Milieuschade verhalen, advies over financiële zekerheidsstelling risicobedrijven’

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur brengt op 3 juni 2014 het briefadvies 'Milieuschade verhalen, advies over financiële zekerheidsstelling risicobedrijven' uit over de mogelijkheden van financiële zekerheidsstelling voor aansprakelijkheid bij milieuschade. Dit gaat over milieuschade die ontstaat of aan het licht komt bij de bedrijfsbeëindiging van majeure risicobedrijven (vallend onder het Brzo-besluit). Daarbij kijkt de raad ook naar de verzekerbaarheid van deze aansprakelijkheid. Staatssecretaris Mansveld van Infrastructuur en Milieu heeft de Rli om dit advies gevraagd. De directe aanleiding voor de adviesvraag was het debat over externe veiligheid in de Tweede Kamer (december 2013) en de aangenomen motie-Van Tongeren). Ook het Rli-advies Veiligheid bij Brzo-bedrijven, verantwoordelijkheid en daadkracht veiligheid' (juni 2013) vormde aanleiding voor dit briefadvies.

Bij het beoordelen van de waarde en de rol van financiële zekerheidsstelling bij de beperkte groep van Brzo- en IPPC categorie 4 bedrijven richtte de raad zich op twee effecten:

  • De mate waarin het stellen van financiële zekerheid het verhalen van de kosten van milieuschade vergemakkelijkt, en daarmee voorkomt dat de kosten bij een overheid terechtkomen
  • De mate waarin het stellen van financiële zekerheid een prikkel tot preventie van milieu-incidenten is

Print Friendly and PDF ^

Aanhoudingen in onderzoek naar fraude met verontreinigde grond

Het regionaal milieuteam van de politie-eenheid Oost-Nederland heeft op maandag 19 en woensdag 21 mei vijf verdachten aangehouden. Zij worden verdacht van fraude met verontreinigde grond. De verdachten sturen binnen hun bedrijf op de verwerking van grond dan wel hebben de controle over de grondzaken.

Het onderzoek richt zich tegen een tweetal Gelderse bedrijven. Beide bedrijven handelen onder andere in grond en men wordt ervan verdacht verontreinigde grond zodanig te hebben gemengd met andere grond, dat dit weer bruikbaar was.

Een derde bedrijf uit Zuid-Holland houdt zich bezig met de controle op de grondzaken van deze bedrijven. De aangehouden verdachten zijn werkzaam voor of namens deze bedrijven.

Gecombineerd onderzoek

Het betreft een gecombineerd onderzoek van de politie Oost-Nederland en buitengewoon opsporingsambtenaren van Rijkswaterstaat. Het onderzoek staat onder leiding van de officier van justitie van het Functioneel Parket in Zwolle.

Administratie in beslag genomen

In september 2013 werden ten behoeve van dit onderzoek al doorzoekingen verricht, waarbij administratie in beslag werd genomen in Doetinchem, Lichtenvoorde, Zutphen en Opheusden.

Bron: Politie.nl

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor overtreding Wet milieubeheer door oliehoudende gevaarlijke afvalstoffen in te nemen, te bewerken en te mengen met andere oliehouddende afvalstoffen en dit mengsel als stookolie te verkopen

Rechtbank Amsterdam 24 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2181

Essentie

Verdachte heeft zich in 2005 tot 2007 stelselmatig schuldig gemaakt aan overtredingen van voorschriften gesteld bij de Wet milieubeheer door oliehoudende gevaarlijke afvalstoffen in te nemen, te bewerken en te mengen met andere oliehoudende afvalstoffen en dit mengsel als brandstof (stookolie) te verkopen. Zij heeft zich aldus schuldig gemaakt aan concurrentievervalsing en inbreuk gemaakt op voorschriften die beogen het milieu te beschermen. Zij heeft haar eigen commerciële belangen laten prevaleren boven de maatschappelijk belangen.

Verdachte

Verdachte heeft aan de Jan van Riebeeckhavenweg in de haven van Amsterdam een inrichting waar zij oliehoudende stoffen inzamelt, ontvangt, opslaat, opbulkt, be- en verwerkt, waarna zij een deel daarvan aan derden verkoopt en levert. In essentie is de vraag die aan de rechtbank voorligt of de inneming, bewerking en afgifte door verdachte van deze stoffen in de jaren 2005 tot en met 2007, onder de reikwijdte van de in 1979 aan verdachte afgegeven Hinderwetvergunning valt.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

  1. zij in de jaren 2005 tot en met 2007 te Amsterdam opzettelijk een of meerdere malen bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, door (telkens) oliehoudende afvalstoffen, te weten oliefractie(s) afkomstig uit scheiding van olie/water/slib-mengsels, in ieder geval gevaarlijke afvalstoffen, op te slaan, te bewerken en/of te verwerken;
  2. zij in de periode oktober 2005 tot en met januari 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere malen zich door afgifte (als stookolie) aan (onder meer) Overslagbedrijf Amsterdam en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3], in elk geval aan een ander of anderen, heeft ontdaan van oliehoudende afvalstoffen, in elk geval van gevaarlijke afvalstoffen.

De vergunningen en relevante wettelijke bepalingen

Op 30 november 2001 heeft verdachte Olie Verwerking Amsterdam BV (OVA) overgenomen. Verdachte is hiermee de rechtsopvolger van OVA.

Bij besluit van 29 november 1979 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge de Hinderwet (Hw) verleend aan OVA voor het opslaan, distribueren en verwerken van aardolieproducten in de inrichting.

Op 1 januari 1984 zijn artikel 8 en 25 van de Wet chemische afvalstoffen (Wca) in werking getreden. Artikel 8 lid 1 Wca bepaalde: “Het is verboden chemische afvalstoffen waarvan anderen zich hebben ontdaan, te bewaren, te bewerken, te verwerken of te vernietigen zonder vergunning van onze Minister.”

Artikel 25 Wca bepaalde: “Het is verboden van anderen afkomstige afgewerkte olie te bewaren, te bewerken, te verwerken of te vernietigen zonder vergunning van onze Minister.”

De overgangsbepaling van artikel 57 Wca luidde: “Voor degene voor wie het verrichten van handelingen waarvoor op grond van artikel 8, 21 of 25 een vergunning vereist is, reeds tot het terrein van zijn werkzaamheden behoort op het tijdstip waarop het artikel waarin dat vereiste is vervat, van kracht wordt, blijft dat artikel buiten toepassing gedurende drie maanden na dat tijdstip en indien binnen die termijn een aanvraag om vereiste vergunning is ingediend, ook nadien tot twee maanden nadat het besluit waarbij op die aanvraag wordt beslist van kracht is geworden.”

OVA heeft op grond van deze artikelen een Wca-vergunning aangevraagd en gekregen. Deze vergunning zag op het bewaren en bewerken van verontreinigde stromen lichte- en zware stookolie, gasolie en dieselolie, verontreinigde petroleum, verontreinigde synthetische olie, voor zover het moet worden aangemerkt als een chemische afvalstof in de zin van de Wet chemische afvalstoffen. Deze vergunning was geldig tot 1 juli 1993 (map 10, 0002749).

Bij besluit van 15 september 1993 heeft de Minister van VROM een Wca-vergunning verleend als bedoeld in de artikelen 8 en 25 Wca voor het bewaren en bewerken van anderen afkomstige afgewerkte olie en van een aantal (met name genoemd in artikel 2, lid 2) van anderen afkomstige chemische afvalstoffen (kenmerk DGM/A 930226.004/14 en 930226.005/14). De vergunning ex artikel 25 Wca voor het bewaren en bewerken van afgewerkte olie is verleend tot uiterlijk 1 januari 1995. De vergunning ex artikel 8 Wca voor chemische afvalstoffen is verleend tot uiterlijk 1 juli 1998 (map 10, 0002759).

Met ingang van 1 maart 1993 is de Wca door inwerkingtreding van de Wet milieubeheer komen te vervallen.

Artikel 10.1 Wet milieubeheer luidt onder meer: “3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.”

Artikel 10.37 lid 1 Wet milieubeheer luidt: “Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.”

Bij besluit van 25 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam besloten te zullen gedogen dat OVA de activiteiten zoals gesteld in de beschikkingen DGM/A 9302260 004/14, DGM/A 930226 005/14, DGM/A 1378511, 11/3372 BWT 1977, 15/74 BWT 1984, B15/003 MD, 11/4410 BV 1981 voortzet tot het van kracht worden van de gevraagde vergunning, mits aan de daarbij opgenomen voorschriften wordt voldaan (map 10, 0002777 en 0002778). De gedoogbeschikking volgt uit een verzoek dat OVA heeft gedaan vanwege het expireren van de Wca-vergunningen in combinatie met het gegeven dat op een aanvraag voor een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer (datum aanvraag 22 maart 1996) nog niet was beschikt. Burgemeester en wethouders wijzen er op dat de beschikking vervalt ingeval er binnen de beroepstermijn van de verleende vergunning geen verzoek om schorsing is ingediend. In de gedoogbeschikking is bepaald dat deze “slechts tot verzoeker is gericht en bij rechtsopvolging vervalt”.

De gedoogbeschikking is door de overname van OVA op 30 november 2001 door verdachte komen te vervallen.

Bij besluit van 1 september 2003 heeft de minister van VROM aan verdachte een inzamelvergunning ex artikel 10.48 Wm verleend voor het inzamelen van afgewerkte olie afkomstig van landactiviteiten. Aanleiding voor de aanvraag was de wijziging van de tenaamstelling van de inzamelaar. Gevraagd werd om OVA B.V. te wijzigen in AVR-Industrial Waste B.V. (map 10, 0002852 - 0002856). De vergunning is verleend tot uiterlijk 1 september 2008. De looptijd van vijf jaar hangt samen met het beleid zoals in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) is beschreven (0002854).

Werkwijze van verdachte

Naam 4, de locatiemanager van OVA, belast met de dagelijkse leiding (de planning, personeel en vergunningen) heeft over de ten laste gelegde periode samengevat verklaard dat OVA bij acceptatie van oliehoudende stoffen van de Koninklijke Marine naam 5 te Den Helder alleen naar het chloorgehalte, vlampunt en watergehalte kijkt. Als blijkt dat deze gehalten voldoen dan gaat ‘het de route in van opwerken tot stookolie’. Deze gevaarlijke afvalstoffen worden meestal in ontvangsttank 8 gelost, de zogeheten BOHB-tank. Deze tank is voor de opslag van oliehoudende afvalstoffen waarvan het chloorgehalte kleiner is dan 50 ppm. Tank 5 wordt meestal gebruikt voor oliehoudende afvalstoffen met een chloorgehalte van meer dan 50 ppm. Als de stoffen bij OVA binnenkomen dan worden zij gesetteld, verwarmd en eventueel gecentrifugeerd. Na verwarming en setteling wordt van de tankinhoud nogmaals een monster getrokken om te bekijken wat de kwaliteit van de oliefractie is. Er wordt geanalyseerd op watergehalte, chloorgehalte, vlampunt en een enkele keer op sediment en zwavelgehalte. Vervolgens wordt de oliefractie gecentrifugeerd of via een 100 microfilter naar tank 3 of 4 verpompt, de bewerkte-olietanks. Ten slotte is het product klaar en gaat het naar de afnemers. De afvalstoffen afkomstig van APS komen vanuit hun inzameling vanaf landactiviteiten en vanuit de scheepvaart. APS bepaalt de afvalstofcode van deze drijflagen. Het zijn met water en sediment verontreinigde minerale olieproducten en zij worden al sinds jaar en dag al aangeboden als brandstofresten. Afgewerkt olie komt in de afgewerkte-olietanks. De drijflagen van APS komen in de regel in tank 8 wat betreft chloorgehalte kleiner dan 50 ppm en in tank 5 wat betreft chloorgehalte groter dan 50 ppm. Er wordt op vlampunt geanalyseerd, niet op PAK’s en niet altijd op metalen. Bij acceptatie wordt niet op oplosmiddelen geanalyseerd en evenmin op koudemiddelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het schriftelijk requisitoir onder verwijzing naar het door hem opgesteld “Juridisch Kader” gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie samengevat het volgende te berde gebracht. Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode niet over een vergunning om gevaarlijk afvalstoffen op te slaan en te be-/verwerken. Zelfs als verdachte over de inmiddels verlopen Wca-vergunningen zoals die destijds in 1993 aan OVA verleend waren zou hebben beschikt, dan nog was haar niet toegestaan zogenaamde drijflagen op te slaan en te be-/verwerken. De conclusie is dat verdachte handelde in strijd met wettelijke bepalingen en met het door de overheid voorgestane afvalstoffenbeleid.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht. Verdachte had geen vergunning drijflagen te accepteren binnen haar inrichting. Inname en bewerking van drijflagen met een ‘chloorgehalte’ > 50 ppm is verdachte verboden ingevolge het Besluit organisch-halogeengehalte brandstoffen. Bewerking van de drijflagen door verdachte heeft niet tot gevolg dat een aan een reguliere brandstof gelijk product ontstaat. Deze laatste conclusie brengt mee dat het doorverkopen van die bewerkte drijflagen als stookolie als strijdig gekwalificeerd moet worden met artikel 10.37 Wet milieubeheer. Dit doorverkopen moet gezien worden als het afgeven van afvalstoffen aan een ander dan – kortgezegd – erkende inzamelaars of verwerkers van afval.

Het gaat hierbij om kleurloos opzet. Het opzet op het niet naleven van wettelijke bepalingen behoeft niet bewezen te worden (HR 20 december 2011, LJN BT1873).Maar in dezen heeft verdachte zelfs opzet op het niet naleven van wettelijke bepalingen gehad. Verdachte, een professionele afvalinzamelaar en -verwerker, met een locatiemanager die het bedrijf ook runde onder OVA en de afvalbranche van haver tot gort kende, behorend tot een groot en gerenommeerd afvalconcern, kende de toepasselijke regelgeving, het toepasselijke beleid waarop die regelgeving was gebaseerd en de oude Wca-vergunningen van OVA. Desondanks werden aangeboden partijen afvalstoffen niet onderzocht op verontreinigingen en duidde verdachte deze partijen ten onrechte als brandstofrestanten aan, terwijl zij de herkomst van die afvalstoffen kende en op basis daarvan wist dat het geen brandstofrestanten met enkel water en sediment betroffen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnoties vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging samengevat het volgende aangevoerd. Ten tijde van de ten laste gelegde periode was wat betreft verdachte de Hinderwetvergunning van toepassing. De omgevingsdeskundigen van StAB concluderen dat de Hw-vergunning in 2005-2007 van toepassing was en dat “sprake is van een ‘ruime’ vergunning aangezien geen beperkingen gelden aan de aard en samenstelling van geaccepteerde oliehoudende afvalstoffen en de in de handel gebrachte brandstoffen”. Het vervallen van de (met de gedoogbeschikking verlengde) Wca-vergunning uit 1993 is niet relevant voor de beoordeling wat wel of niet was toegestaan in de periode 2005-2007. Op dat moment was immers de Wet milieubeheer in werking getreden en gold op basis van het overgangsrecht de Hinderwetvergunning als (integrale) milieuvergunning. Het gegeven dat deze vergunning veel minder gedetailleerd was dan de Wca-vergunning en niet geactualiseerd, is daarbij niet van belang. Deze vergunning voorzag in de door verdachte in deze periode verrichte handelingen met oliehoudende afvalstoffen, waaronder het be- en verwerken van de oliehoudende afvalstoffen, alsmede het verhandelen van de aldus verkregen product als brandstof (en derhalve niet als afvalstof). Derhalve behoort verdachte, mede op basis van het bepaalde in art. 10.1 lid 5 Wm, te worden vrijgesproken van het haar onder 1 ten laste gelegde. Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode wel degelijk over een vergunning voor het opslaan, overslaan, bewerken, verwerken, vernietigen en/of verbranden van buiten die inrichting afkomstige oliehoudende afvalstoffen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw samengevat het volgende betoogd. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij zich in de periode oktober 2005 tot en met januari 2006 opzettelijk door afgifte aan derden (OBA, naam 1, [naam 2] en [naam 3]) heeft ontdaan van oliehoudende afvalstoffen (althans gevaarlijke afvalstoffen) als bedoeld in artikel 10.37 Wm. De wijze waarop dit is ten laste gelegd, heeft tot gevolg dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat zij zich ontdeed van de oliehoudende stoffen als zijnde afvalstoffen, alvorens het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. In het onderhavige geval zal in lijn met dit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:24) bewezen moeten (kunnen) worden verklaard dat verdachte zich opzettelijk ontdeed van oliehoudende afvalstoffen. Verdachte ontdeed zich evenwel niet (willens en wetens) van de desbetreffende stoffen, noch was zij zich ervan bewust dat zij oliehoudende afvalstoffen afgaf aan de in de tenlastelegging genoemde bedrijven. Zij verkocht aan de in de tenlastelegging genoemde derden een brandstof, aldus de verdediging.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op grond van de verklaring van de locatiemanager van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in de ten laste gelegde periode conform haar eigen acceptatiebeleid handelde. De vertegenwoordiger van verdachte heeft dit ter zitting bevestigd. Uit dit beleid volgt dat voorafgaand aan de acceptatie van afvalstoffen elke partij uitsluitend werd onderzocht op EOX, vlampunt en watergehalte.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode zogeheten drijflagen van Amsterdam Port Services B.V. (APS) en [naam 5], onderhoudsbedrijf van de Koninklijke Marine heeft ontvangen. Een drijflaag is een afgescheiden oliefractie uit olie-water-slibmengsels. De partijen/afvalstromen die verdachte van APS ontving, werden bij APS gecontroleerd en vervolgens geaccepteerd en ingenomen in tank 5 en 8. [naam 5] verstrekte geen informatie over het PCB-gehalte en verdachte controleerde enkel op EOX, vlampunt en watergehalte. Hieruit volgt dat verdachte ook in deze specifieke gevallen voorafgaand aan acceptatie niet het gehalte aan PCB’s bepaalde.

Uit het dossier volgt dat deze drijflagen moeten worden gekwalificeerd als ‘olie-water-slibmengsel uit olie-, vet-, slib- of benzineafscheiding’ afkomstig van het ‘ledigen van een stationaire opslagtank’. Wanneer dit wordt gerubriceerd volgens de in de Regeling integrale tekst afvalstoffenlijst aangegeven methode, zijn dit gevaarlijke afvalstoffen.

De ontvangen stoffen werden bewerkt in die zin dat zij werden verwarmd zodat een zekere scheiding tussen de lagen (fracties) ontstond.

Ten slotte werd het aldus verkregen product opgeslagen en voor eigen verwarming aangewend in de stookinstallatie dan wel als stookolie aan de afnemers verkocht en geleverd die in het onder 2 ten laste gelegde feit staan vermeld.

De stookinstallatie op het terrein van verdachte betrof een stoomketel voor het opwekken van stoom voor de verwarming van de opslagtanks. Het is een stookinstallatie die onder het besluit emissie-eisen stookinstallatie milieubeheer B valt en die niet aan het Besluit verbranden afvalstoffen voldoet. Verder is komen vast te staan dat verdachte de stoffen niet destilleerde of verbrandde in een daar voor speciaal geschikte oven.

Tussenconclusie

De conclusie is dat verdachte, door gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen, te bewerken en te gebruiken en verkopen, nadelige effecten voor het milieu kon doen ontstaan.

Vergunning?

De volgende vraag is of het verdachte was toegestaan drijflagen te ontvangen en te be- en verwerken, met andere woorden of verdachte een vergunning had voor de door haar uitgevoerde handelingen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in de ten laste gelegde periode – uitsluitend nog – de oude Hinderwetvergunning gold.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verdachte niet was toegestaan handelingen met oliehoudende afvalstoffen te verrichten, ook niet op grond van de haar in het verleden verleende Hinderwetvergunning. Op 1 februari 1952 is de Hinderwet (Hw) in werking getreden. Deze wet was lange tijd de enige milieuhygiënische wet. Op een gegeven moment is een groot aantal nieuwe milieuhygiënewetten uitgevaardigd waarbij een sectorale benadering voorop stond. Zo zijn in 1984 de artikelen 8 en 25 Wca inwerking getreden. Deze sectorale aanpak is geleidelijk verlaten en vervangen door een meer centrale en geïntegreerde aanpak. Deze ontwikkeling resulteerde in de Wet milieubeheer die op 1 maart 1993 in werking is getreden. De bepalingen over afvalstoffen zijn grotendeels terechtgekomen in hoofdstuk 10 van deze wet, dat op 1 januari 1994 in werking is getreden. De Wca is hiermee komen te vervallen. De wettelijke eisen betreffende het omgaan met chemische stoffen zijn in de loop der tijd steeds strenger geworden. Wat aanvankelijk onder de Hinderwetvergunning was gedekt, is deel voor deel uit de Hinderwet gehaald en ter bescherming van het milieu onder een nieuw regime geplaatst.

Uit de aan OVA verstrekte Wca-vergunning volgt dat onder die vergunning (samengevat) chemische afvalstoffen mochten worden bewaard en bewerkt. Uitdrukkelijk wordt hierbij het volgende overwogen:

“Indien het water verontreinigd is met minerale olieproducten valt deze afvalstof onder de definitie “met water en sediment verontreinigde minerale olieprodukten”(…) Indien de afvalstof niet valt onder deze definitie (…) is er sprake van een afvalstof die qua aard en samenstelling dermate anders is dan de bedoelde brandstofrestanten of afgewerkte olie, dat deze niet zonder meer kan worden ingezet ten behoeve van de produktie van substituutbrandstof. Een vergunning voor deze stromen kan dan ook niet worden verleend.”

Uit deze vergunning blijkt klip en klaar dat OVA enkel brandstofrestanten met water en sediment mocht accepteren. Uit artikel 2 tweede lid onder b. van deze vergunning volgt dat de aangegeven PCB-waarden niet overschreden mochten worden. Ook uit deze vergunning blijkt dat de verrichtingen van OVA niet langer onder de Hw vielen, maar onder een apart, strenger regime. De activiteiten van verdachte werden in de ten laste gelegde periode derhalve niet gedekt door de Hw-vergunning. Juist deze verdachte, een professionele speler als het gaat om (oliehoudende) afvalstoffen, moet dit hebben geweten. Verdachte heeft onder de nieuwe Wet milieubeheer een vergunning aangevraagd en gekregen. Op de zienswijze van StAB kan verdachte zich niet beroepen, al was het maar omdat deze zienswijze dateert van een tijdstip, geruime tijd gelegen nadat de in de tenlastelegging bedoelde feiten zich heb ben voorgedaan. Onder 7. Gaat de rechtbank hierop nog nader in.

Conclusie

De conclusie is dat verdachte in de ten laste gelegde periode drijflagen, dat wil zeggen oliefracties afkomstig uit scheiding van olie/water/slib-mengsels, heeft opgeslagen, be- en verwerkt, terwijl dat verboden was en zij wist dat het haar niet vergund was dat te doen. Verdachte moet ook hebben geweten dat hierdoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Zij kende de steeds strenger wordende regelgeving en het beleid van de overheid. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte willens en wetens en dus opzettelijk de regels heeft overtreden.

Strafbaarheid

Voor zover de verdediging met verwijzing naar het StAB-rapport zich op verontschuldigbare rechtsdwaling beroept, omdat zij meende te beschikken over een vergunning en daarom niet strafbaar is, overweegt de rechtbank het volgende.

De StAB heeft in haar rapport van 27 juni 2013 de volgende beschouwing opgenomen: “Sinds 1979 beschikt OVA over een milieuvergunning die niet specifieerde welke (afval)stoffen geaccepteerd mochten worden, welke be- en verwerkingen waren toegestaan en welke producten onder welke voorwaarden in het handelsverkeer mochten worden gebracht. In de Wca-vergunning uit 1993 waren meer specifieke voorschriften qua acceptatie en in het handelsverkeer brengen van producten opgenomen, maar deze vergunning expireerde op 1 juli 1998. Het gedoogbesluit waarmee deze vergunning is verlengd tot onbepaalde tijd verviel op het moment van rechtsopvolging in 2001. In de periode 2005-2007 vigeerde de vergunning uit 1979 krachtens de Wet milieubeheer. Doordat deze vergunning een ruim toepassingsbereik heeft, kan worden gesteld dat het accepteren van oliehoudende afvalstoffen, het bewerken en het als brandstof in het handelsverkeer brengen van bewerkte producten, daaronder vielen.”

De rechtbank merkt allereerst op dat de zienswijze van StAB niet bepaald stellig is verwoord en evenmin is voorzien van een met argumenten geschraagde onderbouwing. Verder stelt ook StAB zich op het standpunt dat de milieuvergunning niet meer actueel was en een revisievergunning was ingediend waarop in de periode 2005-2007 nog niet was beschikt. De rechtbank acht de hiervoor aangehaalde zienswijze, zoals uit het voorgaande voortvloeit, onjuist. Zij ziet ook niet in welk opzicht deze pas jaren na de ten laste gelegde handelingen gedane beschouwing voor de beoordeling van deze zaak gewicht in de schaal kan leggen in die zin dat verdachte een beroep op verontschuldigbare dwaling zou toekomen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Bewezenverklaring

  1. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  2. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank verklaart verdachte, AVR-Industrial Waste B.V, strafbaar en veroordeelt verdachte tot een geldboete van €480.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden & overgangsrecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3361

Essentie

Verdachte wordt vrijgesproken van het (opzettelijk) op de markt brengen, voorhanden hebben, in voorraad hebben en binnen Nederland brengen en of gebruiken van het gewasbeschermingsmiddel Topsprout, bevattende de werkzame stof Carvon. Niet kan worden bewezen dat dit gewasbeschermingsmiddel ten tijde van het tenlastegelegde niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten. Het beroep dat de AG doet op doorwerking van EG recht ten nadele van verdachte wordt verworpen.

Verdenking

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 maart 2011 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk Topsprout, bevattende de werkzame stof Carvon, althans een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad en/of binnen Nederland heeft gebracht en/of heeft gebruikt, terwijl dat gewasbeschermingsmiddel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Topsprout een gewasbeschermingsmiddel?

Verdachte betwist dat Topsprout een gewasbeschermingsmiddel is.

Het hof verstaat de tenlastelegging aldus dat het daarin voorkomende woord “gewasbeschermingsmiddel” wordt gebezigd in de betekenis die de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden daaraan toekent.

Op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter terechtzittingen van het hof komt het hof tot het oordeel dat Topsprout een gewasbeschermingsmiddel is, als omschreven in het ten tijde van het ten laste gelegde geldende artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, namelijk een werkzame stof of preparaat dat een of meer werkzame stoffen bevat, namelijk Carvon, bestemd of aangewend om (onder 5e) een ongewenste groei van planten af te remmen of te voorkomen.

Het hof wijst in dit verband op de verklaringen van de gebruikers van Topsprout, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], maar ook op de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 28 mei 2013 dat Topsprout met daarin Carvon is bedoeld om het klimaat in de koelcel te beïnvloeden. Deze beïnvloeding leidt ertoe dat de aardappels minder gekoeld hoeven te worden. De koeling van aardappelen is nodig om (ongewenste) kiemvorming te beperken.

Toelating vereist?

Verdachte heeft verder gesteld dat Topsprout (als gewasbeschermingsmiddel) mag worden gebruikt zonder dat daarvoor een toelating is vereist. Hij heeft een beroep gedaan op overgangsrecht.

Het hof stelt op basis van de stukken en het onderzoek ter terechtzittingen vast dat Topsprout uitsluitend d-carvon (CAS nummer 2244-16-8) als werkzame stof bevat. Het hof beschouwt de aanduiding met CAS nummer 2224-16-8 in de ter zitting van 28 mei 2013 overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota van de raadsman en het daarachter gevoegde certificaat als kennelijke verschrijving. D-carvon is verkregen uit de olie van karwijzaad.

Ingevolge artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn gewasbeschermingsmiddelen die op grond van artikel 1, derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn uitgezonderd van de toepassing van die wet, bij de inwerkingtreding van Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van rechtswege toegelaten tot het moment waarop het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden de toelating intrekt of wijzigt op grond van deze wet of het middel toelaat op grond van artikel 35 of 55.

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is op 17 oktober 2007 in werking getreden. Tot dat moment gold artikel 1, derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de daarop gebaseerde Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen. Op basis hiervan was de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 niet van toepassing op, onder meer en voor zover hier van belang (artikel 1, eerste lid, III, onder f): producten die gedefinieerd zijn in of onder de werkingssfeer vallen van richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184).

Artikel 5, punt 1, onder het derde, vierde, vijfde en zesde gedachtestreepje van richtlijn nr. 88/388/EEG bepaalt dat de Raad passende voorschriften stelt betreffende door passende fysische dan wel enzymatische of microbiologische procédés uit plantaardige of dierlijke grondstoffen verkregen aromastoffen alsmede door chemische synthese verkregen of chemisch geïsoleerde aromastoffen.

Ter uitvoering van artikel 5, punt 1, derde, vierde, vijfde en zesde gedachtestreepje van richtlijn nr. 88/388/EEG is, bij Verordening (EG) nr. 2232/96 van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 1996 tot vaststelling van een communautaire procedure voor in of op levensmiddelen gebruikte of te gebruiken aromastoffen, onder meer bepaald (artikel 3, tweede lid) dat de aromastoffen waarvan het wettig gebruik in een Lid-Staat door de andere Lid-Staat moet worden erkend, worden opgenomen in een repertorium.

Bij beschikking van 23 februari 1999 heeft de Commissie bedoeld repertorium vastgesteld.

In dit repertorium is onder meer opgenomen d-carvon met CAS-nummer 2244-16-8. Gelet hierop stelt het hof vast dat de in Topsprout aanwezige werkzame stof d-carvon ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden een stof was die gedefinieerd is of onder de werkingssfeer valt van richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184).

Dit betekent dat dit gewasbeschermingsmiddel ten tijde van het in werking treden van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van rechtswege was toegelaten. De omstandigheid dat dit gewasbeschermingsmiddel niet was opgenomen op de (door de deskundigen E. de Vries en M.H. van Diesen ter terechtzitting van het hof op 9 april 2014 genoemde) lijst van middelen en stoffen die destijds binnen de verschillende departementen werd gebezigd en welke lijst ook de basis is geweest voor hetgeen dienaangaande is opgenomen in de Staatscourant van 1 februari 2012 (nr. 2007) en de brief van 16 maart 2012 van de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, doet hieraan niet af. Daartoe overweegt het hof dat in de regelgeving geen grondslag is te vinden voor het bestaan van een dergelijke beperkte lijst.

Het hof stelt verder op grond van het verhandelde ter terechtzitting van het hof van 9 april 2014 vast dat een beoordeling door het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als voorzien in artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, met betrekking tot d-carvon (CAS nummer 2244-16-8) ten tijde van het ten laste gelegde niet had plaatsgevonden.

De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat een uitzondering voor Carvon niet meer mogelijk was op het moment dat deze stof op de annex 1 van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen werd geplaatst. Dit is gebeurd bij Richtlijn 2008/44/EG van de Commissie van 4 april 2008. De datum van inwerkingtreding was 1 augustus 2008.

Dienaangaande overweegt het hof dat - in het midden latend of het in laatstgenoemde richtlijn genoemde Carvon met CAS-nummer 99-49-0 ook consequenties heeft voor de toelating van d-carvon met CAS-nummer 2244-16-8 - deze richtlijn niet - hetzij via regelgeving, hetzij door een of meer beoordelingen, voorzien in artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden - is geïmplementeerd in de Nederlandse regelgeving, noch, zoals voorzien in de richtlijn, uiterlijk op 1 februari 2009, noch op enig moment daarna.

Het hof begrijpt het standpunt van de advocaat-generaal aldus dat het overgangsrecht van artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. Echter, de mogelijkheden tot richtlijnconforme interpretatie zijn op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet onbeperkt. Zo is richtlijnconforme interpretatie niet toegelaten wanneer die uitlegging ertoe zou leiden dat aan een particulier een verplichting wordt tegengeworpen die voorkomt in een niet-geïmplementeerde richtlijn of, a fortiori, wanneer zij tot gevolg heeft, dat op grond van de richtlijn en bij ontbreken van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met haar bepalingen handelen, wordt vastgesteld of verzwaard. In dit verband wijst het hof op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 september 1996, zaak C-168/95 (Arcaro).

Gelet hierop ziet het hof voor de door de advocaat-generaal kennelijk voorgestane interpretatie van het overgangsrecht geen aanknopingspunten.

Conclusie: vrijspraak

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat niet kan worden bewezen dat het door verdachte gebezigde gewasbeschermingsmiddel ten tijde van het tenlastegelegde niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten. De conclusie is - nu het hier een essentieel en bepalend onderdeel van de tenlastelegging betreft - dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^