‘Doorvoer’ in de zin van EVOA (oud)

Hoge Raad 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:674

Feiten

Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 5 januari 2011 voor: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot twee geldboetes van € 10.000 en € 5000.

Mr. C.L.A. de Sitter, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

Tweede Middel

Het middel klaagt onder meer over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot vrijspraak, omdat geen sprake is van doorvoer in de zin van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEGL 30) (hierna: EVOA (oud)).

Beoordeling Hoge Raad

Het gaat in deze zaak om een verdachte die, naar het Hof heeft vastgesteld, op tijdstippen in de periode van 7 maart 2006 tot en met 26 maart 2006 in Rotterdam containers met afvalstoffen via Nederland heeft overgebracht van het Verenigd Koninkrijk naar Vietnam, zonder de vereiste kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten.

Gelet op Art. 2 EVOA (oud), Art. 23, eerste lid, EVOA (oud) en Art. 26, eerste lid, aanhef en onder a, EVOA (oud), moet ter zake van de bewezenverklaarde afvaltransporten Nederland als staat van doorvoer in de zin van art. 2, aanhef en onder 2, EVOA (oud) worden aangemerkt. Het oordeel van het Hof dat de verdachte op grond van art. 26 EVOA (oud) verplicht was tot kennisgeving van deze transporten aan de bevoegde autoriteit in Nederland getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het gevoerde verweer is dus terecht verworpen, wat er ook zij van de gronden waarop die verwerping steunt.

Het voorgaande brengt mee dat de overige onderdelen van het middel, die klagen dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is en dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, eveneens tevergeefs zijn voorgesteld.

Het middel faalt.

Vijfde Middel

Het middel klaagt over de kwalificatie van het bewezenverklaarde als "meermalen gepleegd" en over de strafoplegging.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: "Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd."

Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer in: "Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 10.000,00 (tienduizend euro) met betrekking tot het eerste afvaltransport. Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) met betrekking tot het tweede afvaltransport."

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof, op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7.2 tot en met 7.4, het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als "Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en dit aangemerkt als meerdaadse samenloop, doch had het Hof voor deze feiten één straf moeten opleggen, in plaats van twee.

AG Machielse:

Voor zover het middel erover klaagt dat het hof ten onrechte straf heeft opgelegd voor een feit dat op 27 maart 2006 zou hebben plaatsgevonden, verwijs ik naar mijn bespreking van het derde middel.

Overtreding van het in het eerste lid van artikel 10.60 Wet milieubeheer voorgeschrevene is ingevolge artikel 1a lid 1 jo artikel 2 WED een misdrijf als zij opzettelijk is begaan. Het hof heeft veroordeeld voor de opzettelijke overtreding van artikel 10.60 Wet milieubeheer, meermalen gepleegd.

Ten tijde van het bewezenverklaarde luidde artikel 10.60 Wet milieubeheer aldus: “Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.”

Nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte op twee onderscheiden data handelingen heeft verricht in strijd met artikel 26 lid 1 van Verordening 259/93 heeft het hof terecht het bewezenverklaarde als meerdaadse samenloop aangemerkt. Maar het hof had voor die feiten slechts één straf moeten opleggen. De Hoge Raad kan bewerkstelligen wat het hof heeft verzuimd.

De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof de verdachte heeft veroordeeld tot de betaling van één geldboete van € 15.000,-. Daardoor komt aan het middel, voor zover dat klaagt over de strafoplegging, de feitelijke grondslag te ontvallen zodat het niet tot cassatie kan leiden.

Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, vermindert de geldboete in die zin dat deze € 13.500,- bedraagt en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Strenger toezicht op chemiesector bepleit

De Kamer vindt dat chemische bedrijven die een loopje nemen met de veiligheid strenger moeten worden aangepakt. Staatssecretaris Mansveld (Milieu) wil de wet aanpassen om in het uiterste geval zelf te kunnen ingrijpen.

Uit een rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kwam naar voren dat de brandveiligheid in 2012 onvoldoende was bij 121 bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. De Kamer vindt dit onaanvaardbaar, met onder andere de problemen bij het Rotterdamse tankopslagbedrijf Odfjell en de chemiebrand in Moerdijk in het achterhoofd. Van Tongeren (GroenLinks) zegt dat sprake is van een structureel veiligheidsprobleem in de chemiesector: "De overheid is beter in het controleren van achterlichten van fietsen." Volgens haar moeten de drie gevaarlijkste bedrijven gesloten worden om een daad te stellen.

Het bevoegd gezag moet de veiligheid strakker handhaven 

De regelgeving is in het verleden afgezwakt om ruimte te geven aan economische groei, oordeelt Van Gerven (SP): "Vertrouwen is goed, maar controle is beter." Dijkstra (VVD) pleit voor "bestuurlijk lef" om meer werk te maken van handhaving en het eerder intrekken van vergunningen. Waarom komt het bevoegd gezag soms niet in actie?, vraagt Geurts (CDA) zich af. Van Tongeren wil weten waarom de staatssecretaris ultiem zelf wil kunnen ingrijpen. De regionale inspectie kan een vergunning intrekken, antwoordt Mansveld, maar als stok achter de deur wil zij dat de ILT bij "acuut gevaar" een bedrijf kan sluiten.

Er is meer veiligheidsbewustzijn bij chemische bedrijven nodig 

De chemiesector denkt te weinig na over veiligheid, vindt De Graaf (PVV). Ook Rebel (PvdA) bepleit een verantwoordelijke houding bij chemiebedrijven. Daarnaast vindt zij dat inspectiekosten moeten worden verhaald op nalatige bedrijven. Van Veldhoven (D66) stelt één veiligheidschef per bedrijf en één toezichtsloket voor. De chemiesector moet volgens Van Gerven veel meer fysieke controles kunnen verwachten. De Graaf gaat een stap verder: alle inspecties moeten onaangekondigd zijn. "Veiligheid is niet onderhandelbaar", zegt Mansveld. Zij is het ermee eens dat de chemiesector verantwoordelijk moet handelen en wil betere samenwerking tussen toezichthouders.

De Kamer stemt op 10 september over de ingediende moties.

Bron: Tweede Kamer

Print Friendly and PDF ^

Veiligheid bij grote chemische bedrijven wordt versterkt

Het kabinet heeft een pakket maatregelen opgesteld dat erop is gericht de veiligheid bij grote chemische bedrijven te versterken. Het gaat om bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo-bedrijven). Dit pakket wordt samen met het bedrijfsleven en andere overheden uitgewerkt.

Het bedrijfsleven moet van het kabinet initiatieven ontwikkelen om de veiligheidscultuur en veiligheidsprestaties van deze bedrijven te verbeteren. Primair is het bedrijfsleven verantwoordelijk voor de veiligheid en bescherming van werknemers en de omgeving.

De huidige structuur van toezicht en bevoegdheden blijft overeind. Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD) houden in opdracht van provincies en gemeenten toezicht op bedrijven die omgaan met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat zij deze rol waarmaken.

Het kabinet wil wel de mogelijkheid creëren om in uitzonderlijke gevallen in actie te komen. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu krijgt de bevoegdheid rechtstreeks in te grijpen bij deze bedrijven indien de externe veiligheid van mens of milieu in gevaar komt. Dat kan het geval zijn bij dreigende calamiteiten of indien grote chemische bedrijven langdurig hun vergunningseisen niet naleven.

Met deze maatregel werkt het kabinet de OvV-aanbeveling uit om de staatssecretaris doorzettingsmacht te geven. Als het toezicht goed wordt uitgevoerd, hoeft de staatssecretaris niet in actie te komen.

Samen met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Inspectie SZW, het Veiligheidsberaad en het OM stelt het kabinet een meerjarenprogramma met verbeterpunten op. Overlappingen en verschillende eisen in vergunningen moeten aangepakt worden. Bij het verlenen van de vergunning moet voortaan duidelijk zijn of een bedrijf een eigen brandweer moet hebben. Ook moet er een uniforme controle komen op de Brzo-bedrijven.

Dit meldt het kabinet in zijn reactie op het onderzoek ‘Veiligheid bij Odfjell Terminals Rotterdam’ van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OvV) en het advies  ‘Veiligheid bij Brzo-bedrijven, verantwoordelijkheid en daadkracht’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli). De kabinetsreactie is vandaag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

De Wabo een succes: heeft de toepassing van de Wabo in de praktijk geleid tot rechtsonzekerheid?

Nu de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ruim twee jaar in werking is, hebben vele bestuursorganen de wet vele malen toegepast, heeft die toepassing tot menig geschil aanleiding gegeven en begint ook de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak enige vorm te krijgen. Dit geldt ook voor de procedurele aspecten van die wet. Het zijn die aspecten die centraal staan in deze bijdrage.

Enkele belangrijke ontwikkelingen van de afgelopen twee jaren worden op een rij gezet, waarbij de nadruk  wordt gelegd op een door menig gebruiker van nieuwe wetgeving gedeelde wens: rechtszekerheid. Heeft de toepassing van de Wabo in de praktijk geleid tot rechtsonzekerheid over de verdeling van de verantwoordelijkheid voor de (volledigheid van de) aanvraag, over de gevolgen van de op grond van die aanvraag te volgen procedure ter voorbereiding van de omgevingsvergunning en over de rechtsbescherming die de bestuursrechter moet bieden?

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Voorzieningenrechter schorst dwangsom Odfjell

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft de dwangsom van (maximaal) 20 miljoen euro geschorst die Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hadden opgelegd aan het tankoverslagbedrijf Odfjell in de Botlek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vergunningvoorschriften waarop GS hun dwangsombesluit hebben gebaseerd, geen grondslag bieden voor het buiten gebruik laten stellen van tanks. Daarnaast hebben GS, van geen enkele tank die Odfjell nu gebruikt, aangetoond dat die niet geschikt zou zijn voor gebruik.

Odfjell heeft eind juli vorig jaar een terminal volledig gesloten en een aantal tanks begin dit jaar weer in gebruik genomen. GS verwijten Odfjell geen gegevens te hebben verstrekt waaruit blijkt dat een aantal opslagtanks die Odfjell weer gebruikt, geschikt is voor gebruik (“integer”). Uit die gegevens moet blijken dat de tanks regelmatig zijn geïnspecteerd volgens de voorschriften in de omgevingsvergunning van Odfjell en zijn goedgekeurd door een keuringsinstantie.

GS mogen Odfjell alleen verbieden tanks te gebruiken als GS hebben aangetoond dat die tanks niet integer zijn. Daarbij kan het ontbreken van gegevens in de administratie van Odfjell over periodieke inspecties en goedkeuringen van die tanks wel een rol spelen. GS hebben Odfjell nu echter gelast alle tanks buiten werking te stellen en buiten werking te houden, tenzij Odfjell bewijst dat zij geschikt zijn voor gebruik. Daarmee draaien GS de zaken om, zo stelt de voorzieningenrechter. Verder heeft Odfjell van de meeste tanks waarom het nu gaat inspectierapporten bij verweerder ingeleverd en is Odfjell bezig die te laten keuren. Daarom schorst de voorzieningenrechter de werking van het dwangsombesluit.

Voor de tanks met vloeistoffen uit de twee hoogste risicocategorieën gelden al sinds augustus vorig jaar afspraken tussen Odfjell en de DCMR. De oudste en daarom meest risicovolle tanks van Odfjell blijven sowieso buiten bedrijf. Er is een ontwerpvergunning in procedure waarin is bepaald dat Odfjell tanks die niet periodiek zijn geïnspecteerd en goedgekeurd niet mag gebruiken. GS moeten nog over die ontwerpvergunning beslissen.

Print Friendly and PDF ^

DCMR doet aangifte tegen Odfjell vanwege verzwijgen grote lekkage

Oldfjell, het olie-opslagbedrijf dat al een aantal malen eerder in opspraak raakte, zou een groot incident uit oktober 2009 hebben verzwegen. Daarbij zouden duizenden liters van het uiterst giftige en brandbare goedje Methanol zijn gemorst. Odfjell meldde het incident niet en oefende intern druk uit om de zaak stil te houden. Dit meldt EenVandaag, dat beschikt over een vertrouwelijk intern rapport van Odfjell. Het programma speelde het rapport door naar milieudienst DCMR, dat afgelopen vrijdag bij het OM aangifte deed tegen Odfjell.

Bij het onveilig beladen van een tankwagen in 2009 werden duizenden liters Methanol gemorst. De vloeistof werd volgens EenVandaag zonder waarschuwing naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie gepompt, wat later weer werd ontkend.

DCMR-directeur Jan van den Heuvel zegt tegen EenVandaag: 'Odfjell had dit bij ons moeten melden en heeft dit nagelaten. De inhoud van het rapport is van dien aard dat op 26 juli onmiddellijk aangifte is gedaan bij het Openbaar Ministerie.' De milieudienst wil dat het OM het incident onderzoekt, ook al stamt het uit 2009.

EenVandaag meldt dat in het rapport een "ontluisterend beeld" wordt geschetst van de werkwijze tijdens het beladen van een tankwagon met methanol. "De laadcomputer is kapot en vanwege commerciële druk wordt tegen alle veiligheidsvoorschriften in besloten om de vulslangen gewoon bovenin de tank te hangen tot deze vol is. Dat gaat mis; het methanol spuit en klotst uit de wagon."

EenVandaag stelt op basis van het rapport dat er druk is uitgeoefend op werknemers om onveilig te werken. Het incident werd intern stil gehouden. Achteraf werd ontkend dat de gemorste methanol zonder waarschuwing naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie werd gepompt.

Odfjell werd vorig jaar grotendeels stilgelegd omdat het niet meer aan de veiligheidseisen voldeed. In 10 jaar tijd was de Rotterdamse terminal zeker 64 keer in de fout gegaan. Vaak werden die fouten niet gemeld. De tanks waren zeker 30 jaar lang niet gecontroleerd.

Begin juli betaalde Odfjell 8 ton aan dwangsommen omdat het zich niet aan de afspraken had gehouden en incidenten had verzwegen. De milieudienst controleert extra bij het gedeelte van Odfjell dat nog wel in gebruik is.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens het leiding geven aan een onderneming om in strijd met de Wet milieubeheer te bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen

Rechtbank Midden-Nederland 19 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2795

Samenvatting

Verdachte is als medewerker van CAV Agrotheek de initiatiefnemer geweest van de Aktie Tankslag. Het doel van Aktie Tankslag was het aanbieden van een all-in pakket voor ondernemers c.q. klanten van CAV Agrotheek die op basis van nieuwe milieuregelgeving hun oude tank diende te vervangen. Op zichzelf was deze actie bedoeld om de ondernemers in de regio tegemoet te komen. De rechtbank ziet geen aanleiding dit anders te zien. Voor de rechtbank is duidelijk dat de Aktie Tankslag niet in het leven was geroepen om doelbewust de geldende wet- en regelgeving te overtreden om zo enig financieel gewin te behalen. Echter, bij de uitvoering van Aktie Tankslag heeft verdachte als zijnde feitelijk leidinggever van CAV Agrotheek de Wet milieubeheer overtreden in die zin dat hij als bemiddellaar heeft opgetreden, terwijl CAV Agrotheek daartoe niet gecertificeerd was. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Verdenking

Feit 1: leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan CAV Agrotheek om in strijd met de Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor tanksanering HBO/Diesel te handelen.

Feit 2: leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan CAV Agrotheek om valselijk opgemaakte tanksaneringscertificaten te doen gebruiken.

Feit 3: leiding, dan wel opdracht heeft geven aan CAV Agrotheek om strijd met de Wet Milieubeheer olietanks te saneren dan wel te reinigen.

Feit 4: leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan CAV Agrotheek om in strijd met de Wet Milieubeheer te bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Voorvragen

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging, omdat door een daartoe bevoegd te achten opsporingsfunctionaris de toezegging is gedaan of de bindende verwachting is gewekt dat geen strafvervolging zou worden ingesteld tegen verdachte.

Naar aanleiding van de doorzoeking bij CAV Agrotheek d.d. 26 oktober 2010 heeft de vertegenwoordiger van CAV Agrotheek in december 2010 contact opgenomen met de heer R.M. van der Zee, brigadier van politie. Tijdens dit telefoongesprek is de vraag aan de orde geweest of CAV Agrotheek op de oude voet verder kon werken met medeverdachte Wenau Transport & Cleaning B.V. en ook Damco Installatie B.V. Van der Zee heeft duidelijk te kennen gegeven dat verdachte als administratieve tussenschakel geen verdachte was en dat op de oude voet doorgewerkt kon worden. Aan deze mededeling mocht verdachte, aldus de raadsman, het vertrouwen ontlenen dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zou worden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen brigadier Van der Zee gezegd zou hebben in december 2010 niet relevant is. Op het moment dat de zoeking bij CAV Agrotheek plaatsvond op 26 oktober 2010 waren CAV Agrotheek en verdachte al als verdachten aangemerkt.

Daarbij heeft CAV Agrotheek na de zoeking een wijziging in het traject aangebracht door werkzaamheden bij de sanering bij Damko weg te halen. In december 2010 was er geen sprake van dezelfde situatie en werkwijze als in de tenlastegelegde periode. De verdenking ziet immers op handeling gepleegd tot 1 maart 2010.

Oordeel van de rechtbank

Enkele maanden na de doorzoeking bij CAV Agrotheek op 26 oktober 2010 zou door brigadier Van der Zee de mededeling zijn gedaan dat verdachte niet strafrechtelijk vervolgd zou worden. Een bij een verdachte op grond van een mededeling van een politieagent opgewekt vertrouwen dat tegen hem in een bepaalde zaak geen vervolging zal worden ingesteld, zal alleen kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie indien dat vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was. Zoals hiervoor uiteengezet had het gesprek tussen Van der Zee en de vertegenwoordigen van CAV Agrotheek betrekking op een werkwijze die na de doorzoeking was aangepast en derhalve niet op de periode die thans ten laste is gelegd. Reeds om die reden mocht verdachte niet vertrouwen op die mededeling. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

Beoordeling van het bewijs 

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1: Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen CAV Agrotheek en Wenau. Nu Wenau, gelet op het gevoerde verweer van diens raadsman, van dit feit dient te worden vrijgesproken, zal ook verdachte van het medeplegen vrijgesproken moeten worden. Daarbij was verdachte niet op de hoogte van de afspraken tussen Wenau en Damko.

Verdachte vertrouwde blind op Wenau en medeverdachte Tollenaar. Wenau was immers als deskundig bedrijf benaderd, omdat verdachte op het punt van tanksaneringen geen kennis heeft.

Ten aanzien van feit 2: Verdachte heeft de tanksaneringscertificaten niet opgemaakt. De enige rol die verdachte hierin heeft gespeeld, is dat zij deze certificaten van Wenau heeft ontvangen en heeft doorgestuurd naar haar klanten. Verdachte heeft geen opzet gehad op het (doen) gebruiken van valselijk opgemaakte tanksaneringscertificaten. Verdachte dient van feit 2 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3: Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen CAV Agrotheek en Wenau. Nu Wenau, gelet op het gevoerde verweer van diens raadsman, van dit feit dient te worden vrijgesproken, zal ook verdachte van het medeplegen vrijgesproken moeten worden.

Ten aanzien van feit 4: Verdachte wist niet dat hij als bemiddellaar van afvalstoffen kon worden aangemerkt en uit dien hoofde over een vergunning moest beschikken. Deze norm is onopzettelijk door verdachte overtreden. Verdachte dient van feit 4 te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak voor de feiten 1, 2 en 3

Verdachte is werkzaam bij CAV Agrotheek als bedrijfsleider van de winkel van CAV Agrotheek. CAV Agrotheek is een coöperatie. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel is de bedrijfsomschrijving van CAV Agrotheek: ‘De aankoop en zo nodig verwerking van benodigdheden voor het landbouwbedrijf in de uitgebreidste zin, ten bate van haar leden, kruiwagenfabriek en houthandel, kleinhandel in boerengeriefhout, smeerolie, benzine, gasolie en stookolie, kleinhandel in electrische huishoudelijke apparaten, exploitatie van een weegbrug, handel in stro’.

In het kader van vernieuwde milieuregelgeving op grond waarvan oude olietanks vervangen moesten worden voor nieuwe en de vraag daarnaar van diverse klanten van CAV Agrotheek heeft verdachte namens CAV Agrotheek de bedrijven Wenau en Damko benaderd. Zo ontstond de Aktie Tankslag. Aktie Tankslag had als doel een totaalservice te bieden aan ondernemers c.q. klanten van CAV Agrotheek die in het kader van vernieuwde milieuregels hun oude olie tank voor een nieuwe moesten verruilen. Binnen Aktie Tankslag zou Damko optreden als installateur van olietanks en Wenau was er voor het saneren van deze tanks. CAV Agrotheek is niet gecertificeerd op het terrein van tankinstallatie en tanksanering en om die reden ook niet bekend met de daartoe geldende wet-en regelgeving.

Verdachte heeft Damko en Wenau benaderd, omdat zij als professionele bedrijven te boek staan en kundig/gecertificeerd zijn op het gebied van tankinstallatie respectievelijk tanksanering. Verdachte ging er dan ook van uit dat deze bedrijven conform de geldende wet-en regelgeving zouden handelen. Hierop mocht hij ook vertrouwen.

Wanneer klanten bij CAV Agrotheek aangaven dat zij een oude tank wilden laten saneren en een nieuwe tank wilden laten plaatsen, gaf verdachte aan Wenau door dat een tank gesaneerd moest worden. De tanksaneringscertificaten ontving CAV Agrotheek achteraf van Wenau. Verdachte maakte hier een kopie van voor in de administratie van CAV Agrotheek. Het origineel werd aan de klant toegestuurd. Verdachte was niet betrokken bij het opmaken van deze tanksaneringscertificaten. Op de waarachtigheid van de inhoud van deze tanksaneringscertificaten had verdachte geen zicht. Dit behoorde tot de taak van het tanksaneringsbedrijf Wenau was juist door CAV Agrotheek bij Aktie Tankslag betrokken vanwege haar specialisatie op dit gebied.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met Damko dan wel Wenau in strijd met de BRL-K902/03 en de daarbij behorende Wijzigingsbladen heeft gehandeld. Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en het (doen) gebruik maken van valselijk opgemaakte geschriften.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de aan hem onder 1,2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte namens CAV Agrotheek ten behoeve van haar klanten heeft bemiddeld bij het vernieuwen van (olie)tanks. CAV Agrotheek was hiertoe niet bevoegd.

Gelet op artikel 2 van de Wet op de economische delicten is het voor een bewezenverklaring van het opzet voldoende dat wordt vastgesteld dat de dader van het delict willens en wetens heeft gehandeld, overeenkomstig hetgeen in de strafbepaling is verwoord.

Nu verdachte heeft verklaard dat hij het initiatief heeft genomen om aan klanten van CAV Agrotheek een dienst aan te bieden, waarvan het plaatsen van een nieuwe tank en het saneren van een oude tank was uitbesteed aan Damko en Wenau en verdachte daartoe ook de opdrachten verstrekte aan Wenau en Damko, is daarmee het opzet een gegeven.

Het verweer van de raadsman dat verdachte onopzettelijk heeft gehandeld, wordt verworpen. Daarmee is ook het verweer verworpen dat bij verdachte sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gelet op het voorgaande en de door de verdediging voorgelezen verklaring van Otto Smid ziet de rechtbank geen aanleiding de heer Smid alsnog als getuige met betrekking tot dit feit alsnog te horen.

Feitelijk leidinggeven

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan het aan hem als zodanig ten laste gelegde feit, neemt de rechtbank de door de Hoge Raad benoemde criteria als uitgangspunt.

Uit die criteria volgt dat eerst een antwoord dient te worden gegeven op de vraag of CAV Agrotheek in strijd met artikel 10.55, eerste lid en onder c van de Wet milieubeheer heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen, sprake.

Vervolgens is de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat verdachte aan deze gedragingen van CAV Agrotheek feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij het initiatief heeft genomen voor Aktie Tankslag en daartoe de bedrijven Wenau en Damko heeft benaderd. Vervolgens heeft verdachte de klanten van CAV Agrotheek benaderd en hen op de hoogte gesteld van de mogelijkheid via CAV Agrotheek een oude tank te saneren en een nieuwe tank te laten plaatsen.

Nadat verdachte met de partijen Wenau en Damko om de tafel had gezeten heeft hij de bestuurder van CAV Agrotheek, de heer J.A.A. de Schutter hiervan op de hoogte gebracht. De Schutter heeft zich, aldus verdachte, niet bemoeit met de keuze van de samenwerkende partijen. Gelet op deze verklaring van verdachte, in samenhang met genoemde bewijsmiddelen, leidt de rechtbank af dat verdachte in de praktijk de leiding en verantwoording had over Aktie Tankslag. Verdachte trad op als aanspreekpunt voor de ondernemers en gaf de opdrachten door aan Wenau en Damko wanneer een tank gesaneerd moest worden en een nieuwe tank geplaatst moest worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gezien het vorenstaande, door zijn handelen niet alleen geen maatregelen genomen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de rechtspersoon, maar deze gedragingen ook bevorderd. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor het feitelijk leidinggeven aan het bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen zonder vermelding als bemiddellaar op de daartoe vereiste lijst.

Bewezenverklaring

Feit 4: Opzettelijk begaan van een overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, terwijl verdachte tot dit feit feitelijk leiding heeft gegeven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 150,00 met een proeftijd van twee jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Kabinet stemt in met wetsvoorstel Omgevingswet

Minder regels, grotere keuzevrijheid voor burgers en ondernemers, een loket voor omgevingsvergunningen, kortere procedures en een besparing van honderden miljoenen euro’s. Dat zijn de opbrengsten van de Omgevingswet. Het omgevingsrecht, nu verspreid over 40 sectorale wetten, 117 AMvB’s en honderden ministeriële regelingen, wordt gebundeld in één nieuwe Omgevingswet. Een megaoperatie waar iedereen mee te maken krijgt: overheid, bedrijfsleven én burgers.

De ministerraad heeft ingestemd met het wetsvoorstel Omgevingswet van minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu. Met de Omgevingswet wordt het omgevingsrecht vereenvoudigd en gemoderniseerd. De Omgevingswet haalt de schotten weg  tussen een flink aantal wetten en ordent de regelgeving die betrekking heeft op het omgevingsrecht.

De omgevingswet maakt het aanvragen van vergunningen eenvoudiger. Voor burgers en bedrijven komt er een aanvraag, een loket en een besluit. Procedures voor vergunningen gaan van 26 naar 8 weken. Door een effectieve samenvoeging van wetten en regelgeving hoeven ook minder vergunningen te worden aangevraagd. Hiermee wordt besluitvorming effectiever ingericht, neemt het gebruikersgemak toe en nemen de kosten af. Een meer integrale afweging van belangen aan het begin verbetert niet alleen de besluitvorming maar leidt ook tot een snellere uitvoering.

Met de wet kan eenvoudiger, efficiënter en beter aan een duurzame leefomgeving worden gewerkt. De wet moet het mogelijk maken dat projecten – van de aanleg van (spoor-)wegen en natuurprojecten tot de vestiging van een bedrijf – efficiënt verlopen. De wet biedt ruimte voor regionaal en lokaal maatwerk doordat de bestuurlijke afwegingsruimte wordt vergroot. Daardoor kan beter worden ingespeeld op regionale verschillen.

Het wetsvoorstel vloeit voort uit het regeerakkoord. Zes departementen zijn bij de totstandkoming van het wetsvoorstel betrokken. Met de praktijk - gemeenten, provincies, waterschappen, bedrijfsleven, milieu-organisaties - en andere belanghebbenden is uitvoerig overleg geweest over de totstandkoming van het wetsvoorstel.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Aantal overtredingen bij het verwijderen van asbest blijft te hoog

Het speciale asbestteam van de Inspectie SZW controleerde in 2012 bij 391 saneringslocaties. Bij 70% van de inspecties  werden in totaal 582 overtredingen geconstateerd. Hoewel in deze sector gewerkt wordt met persoonscertificaten en gecertificeerde bedrijven, is  ‘veilig werken’ nog niet vanzelfsprekend. Bijna 50% van de overtredingen waren zo ernstig dat de Inspectie het werk onmiddellijk stillegde, boetes gaf en/of proces-verbaal opmaakte.

Dit staat in de zojuist verschenen ‘Sectorrapportage Asbest 2013’. Asbesthoudende toepassingen zijn nog overal in Nederland te vinden, vooral in gebouwen van voor 1994. In dat jaar werd een totaalverbod op import, productie en gebruik van asbest van toepassing. Blootstelling aan asbestvezels kan levensbedreigend zijn. Nog steeds sterven er jaarlijks tussen de 900 en 1.300 mensen aan de gevolgen van blootstelling in het verleden. Het voorkomen van blootstelling aan asbestvezels heeft een hoge prioriteit gekregen van de Inspectie SZW. Niet alleen omdat de gezondheidsrisico’s hoog zijn, maar ook omdat de naleving van de regels bij het verwijderen van asbesthoudend materiaal nog onder de maat was.

Gecertificeerde bedrijven

In 2012 In 2012 heeft de Inspectie 391 inspecties verricht bij werklocaties waar gecertificeerde bedrijven asbest saneren. Op 275 locaties - zo’n 70% - werden 582 overtredingen geconstateerd. Bij de verschillende inspectieprojecten zijn bij 44 tot 50% van de overtredingen zware handhavingsinstrumenten ingezet als stillegging van het werk, boetes en/of proces-verbaal. De meest voorkomende overtredingen betreffen het niet of onvoldoende noodzakelijke maatregelen nemen om emissie van asbestvezels te voorkomen, het niet beschikken over of werken volgens een goed werkplan, het in verkeerde verpakking afvoeren van asbest en het niet volledig verwijderen van alle asbest voordat met de rest van de sloopactiviteiten wordt begonnen. Het handhavingspercentage dat de afgelopen jaren lag rond de 55-60 procent is gestegen naar 70%. De verklaring hiervoor ligt in de intensieve aanpak die de Inspectie sinds januari 2012 hanteert. Er is geen aanwijzing dat er onveiliger gewerkt wordt dan voorheen. Wel is volgens de Inspectie SZW dit handhavingspercentage veel te hoog voor een sector waar de bedrijven procescertificaten hebben en de werknemers over persoonscertificaten beschikken.

Malafide saneerders

In 2012 heeft het asbestinspectieteam de aandacht voor malafide saneringen sterk geïntensiveerd. In totaal zijn er 205 inspecties uitgevoerd. Bij de aanpak van malafide saneringen werkt de Inspectie nauw samen met andere inspectiediensten, zoals bouw- en woningtoezicht van de gemeenten, milieuteams van de politie en het Openbaar Ministerie. Over 2012 heeft de Inspectie 236 signalen en tips ontvangen die voor een belangrijk deel afkomstig waren van deze collega-inspectiediensten. Bij de malafide saneringen wordt meestal bewust de wet- en regelgeving ontlopen om financieel gewin te bereiken. Er lopen op dit moment meerdere strafrechtelijke onderzoeken naar aanleiding van de inspecties van de Inspectie SZW.

Vervolg aanpak

De aanpak van het asbestinspectieteam zal de komende jaren worden voortgezet. Sinds 1 januari 2013 zijn de boetebedragen twee tot drie keer zo hoog geworden als daarvoor. De Inspectie zal bij bedrijven die herhaaldelijk en veelvuldig de regels overtreden gebruik maken van de mogelijkheid om bedrijfsactiviteiten, zoals de saneringsactiviteiten, tot maximaal drie maanden stil te leggen in verband met recidive. De Inspectie SZW gaat de certificerende en keurende instellingen (cki’s) nadrukkelijker aanspreken op hun verantwoordelijkheid in het stelsel. De Inspectie verwacht dat de cki’s de hen sinds februari 2012 ter beschikking staande sanctie-instrumenten gericht op de asbestsaneerders daarbij gaan toepassen.

De aandacht voor de risico’s van asbest in andere sectoren die bij hun werk in aanraking kunnen komen met asbest, zoals de installatiebranche en de sector scheepsreparatie en –onderhoud, maakt ook onderdeel uit van de vervolgaanpak. In 2013 vinden inspecties plaats in de scheepsreparatie en -onderhoudbranche . De Inspectie SZW verricht deze inspecties mede op basis van signalen die zij gekregen heeft van de Inspectie Leefomgeving en Transport over het nog aanwezig zijn van asbest ook in schepen die na 1994 gebouwd zijn.

Bron: Rijksoverheid

  • Kamerbrief rapportages asbest: Minister Asscher zendt de Tweede Kamer de sectorrapportage Asbest 2013 en het rapport ‘Weten waar asbest zit’ die door de Inspectie SZW zijn opgesteld.

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe Crisis- en herstelwet projecten

Op 5 juli 2013 is – met de publicatie in het Staatsblad - de zesde tranche Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. De nieuwe initiatieven staan voor een groot deel in het teken van duurzaamheid. Het gaat onder meer om 3 innovatieve experimenten. Door gebruik te maken van de Chw kunnen ontwikkelingen worden gerealiseerd, die tot nu toe niet of moeilijk van de grond kwamen.

De gemeenten Amsterdam, Beuningen, Den Helder, Maastricht, Overbetuwe en Tynaarloo kunnen gaan experimenteren met flexibele bestemmingsplannen. Platform 31 begeleidt dit experiment. Daarnaast zijn er twee innovatieve experimenten in de gemeenten Assen en Katwijk. Doordat twee bestemmingsplannen in deze gemeenten een verlengde looptijd van 20 in plaats van 10 jaar krijgen, kunnen deze gemeenten flexibeler inspelen op veranderende omstandigheden.

Ook zijn met ingang van 5 juli twee nieuwe categorieën projecten aan de Crisis- en herstelwet toegevoegd. Het gaat dan om duurzame mobiliteit (de aanleg of uitbreiding van energielaadpunten (o.a. voor waterstof) voor voertuigen, en de transformatie van kantoren en industriële gebouwen naar andere bestemmingen. Dergelijke initiatieven, die bij uitstek bijdragen aan duurzaamheid, kunnen nu sneller van de grond komen.

Het bedrijventerrein Amsterdam Connecting Trade (ACT)/A4 Zone West (een bedrijventerrein van 142 ha aan de zuidkant van Schiphol), en Schiphol Logistics Park (SLP) (een bedrijventerrein van 53 ha aan de zuidkant van Schiphol), zijn aangewezen als gebieden waar de gemeente gebruik kan maken van de bestuursrechtelijke versnellingsmogelijkheden van de Crisis- en herstelwet. Zo doet de Raad van State binnen zes maanden uitspraak bij geschillen na vaststelling van het bestemmingsplan.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^