Veroordeling wegens het leiding geven aan een onderneming om in strijd met de Wet milieubeheer te bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen

Rechtbank Midden-Nederland 19 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2795

Samenvatting

Verdachte is als medewerker van CAV Agrotheek de initiatiefnemer geweest van de Aktie Tankslag. Het doel van Aktie Tankslag was het aanbieden van een all-in pakket voor ondernemers c.q. klanten van CAV Agrotheek die op basis van nieuwe milieuregelgeving hun oude tank diende te vervangen. Op zichzelf was deze actie bedoeld om de ondernemers in de regio tegemoet te komen. De rechtbank ziet geen aanleiding dit anders te zien. Voor de rechtbank is duidelijk dat de Aktie Tankslag niet in het leven was geroepen om doelbewust de geldende wet- en regelgeving te overtreden om zo enig financieel gewin te behalen. Echter, bij de uitvoering van Aktie Tankslag heeft verdachte als zijnde feitelijk leidinggever van CAV Agrotheek de Wet milieubeheer overtreden in die zin dat hij als bemiddellaar heeft opgetreden, terwijl CAV Agrotheek daartoe niet gecertificeerd was. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Verdenking

Feit 1: leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan CAV Agrotheek om in strijd met de Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor tanksanering HBO/Diesel te handelen.

Feit 2: leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan CAV Agrotheek om valselijk opgemaakte tanksaneringscertificaten te doen gebruiken.

Feit 3: leiding, dan wel opdracht heeft geven aan CAV Agrotheek om strijd met de Wet Milieubeheer olietanks te saneren dan wel te reinigen.

Feit 4: leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan CAV Agrotheek om in strijd met de Wet Milieubeheer te bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Voorvragen

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging, omdat door een daartoe bevoegd te achten opsporingsfunctionaris de toezegging is gedaan of de bindende verwachting is gewekt dat geen strafvervolging zou worden ingesteld tegen verdachte.

Naar aanleiding van de doorzoeking bij CAV Agrotheek d.d. 26 oktober 2010 heeft de vertegenwoordiger van CAV Agrotheek in december 2010 contact opgenomen met de heer R.M. van der Zee, brigadier van politie. Tijdens dit telefoongesprek is de vraag aan de orde geweest of CAV Agrotheek op de oude voet verder kon werken met medeverdachte Wenau Transport & Cleaning B.V. en ook Damco Installatie B.V. Van der Zee heeft duidelijk te kennen gegeven dat verdachte als administratieve tussenschakel geen verdachte was en dat op de oude voet doorgewerkt kon worden. Aan deze mededeling mocht verdachte, aldus de raadsman, het vertrouwen ontlenen dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zou worden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen brigadier Van der Zee gezegd zou hebben in december 2010 niet relevant is. Op het moment dat de zoeking bij CAV Agrotheek plaatsvond op 26 oktober 2010 waren CAV Agrotheek en verdachte al als verdachten aangemerkt.

Daarbij heeft CAV Agrotheek na de zoeking een wijziging in het traject aangebracht door werkzaamheden bij de sanering bij Damko weg te halen. In december 2010 was er geen sprake van dezelfde situatie en werkwijze als in de tenlastegelegde periode. De verdenking ziet immers op handeling gepleegd tot 1 maart 2010.

Oordeel van de rechtbank

Enkele maanden na de doorzoeking bij CAV Agrotheek op 26 oktober 2010 zou door brigadier Van der Zee de mededeling zijn gedaan dat verdachte niet strafrechtelijk vervolgd zou worden. Een bij een verdachte op grond van een mededeling van een politieagent opgewekt vertrouwen dat tegen hem in een bepaalde zaak geen vervolging zal worden ingesteld, zal alleen kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie indien dat vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was. Zoals hiervoor uiteengezet had het gesprek tussen Van der Zee en de vertegenwoordigen van CAV Agrotheek betrekking op een werkwijze die na de doorzoeking was aangepast en derhalve niet op de periode die thans ten laste is gelegd. Reeds om die reden mocht verdachte niet vertrouwen op die mededeling. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

Beoordeling van het bewijs 

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1: Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen CAV Agrotheek en Wenau. Nu Wenau, gelet op het gevoerde verweer van diens raadsman, van dit feit dient te worden vrijgesproken, zal ook verdachte van het medeplegen vrijgesproken moeten worden. Daarbij was verdachte niet op de hoogte van de afspraken tussen Wenau en Damko.

Verdachte vertrouwde blind op Wenau en medeverdachte Tollenaar. Wenau was immers als deskundig bedrijf benaderd, omdat verdachte op het punt van tanksaneringen geen kennis heeft.

Ten aanzien van feit 2: Verdachte heeft de tanksaneringscertificaten niet opgemaakt. De enige rol die verdachte hierin heeft gespeeld, is dat zij deze certificaten van Wenau heeft ontvangen en heeft doorgestuurd naar haar klanten. Verdachte heeft geen opzet gehad op het (doen) gebruiken van valselijk opgemaakte tanksaneringscertificaten. Verdachte dient van feit 2 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3: Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen CAV Agrotheek en Wenau. Nu Wenau, gelet op het gevoerde verweer van diens raadsman, van dit feit dient te worden vrijgesproken, zal ook verdachte van het medeplegen vrijgesproken moeten worden.

Ten aanzien van feit 4: Verdachte wist niet dat hij als bemiddellaar van afvalstoffen kon worden aangemerkt en uit dien hoofde over een vergunning moest beschikken. Deze norm is onopzettelijk door verdachte overtreden. Verdachte dient van feit 4 te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak voor de feiten 1, 2 en 3

Verdachte is werkzaam bij CAV Agrotheek als bedrijfsleider van de winkel van CAV Agrotheek. CAV Agrotheek is een coöperatie. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel is de bedrijfsomschrijving van CAV Agrotheek: ‘De aankoop en zo nodig verwerking van benodigdheden voor het landbouwbedrijf in de uitgebreidste zin, ten bate van haar leden, kruiwagenfabriek en houthandel, kleinhandel in boerengeriefhout, smeerolie, benzine, gasolie en stookolie, kleinhandel in electrische huishoudelijke apparaten, exploitatie van een weegbrug, handel in stro’.

In het kader van vernieuwde milieuregelgeving op grond waarvan oude olietanks vervangen moesten worden voor nieuwe en de vraag daarnaar van diverse klanten van CAV Agrotheek heeft verdachte namens CAV Agrotheek de bedrijven Wenau en Damko benaderd. Zo ontstond de Aktie Tankslag. Aktie Tankslag had als doel een totaalservice te bieden aan ondernemers c.q. klanten van CAV Agrotheek die in het kader van vernieuwde milieuregels hun oude olie tank voor een nieuwe moesten verruilen. Binnen Aktie Tankslag zou Damko optreden als installateur van olietanks en Wenau was er voor het saneren van deze tanks. CAV Agrotheek is niet gecertificeerd op het terrein van tankinstallatie en tanksanering en om die reden ook niet bekend met de daartoe geldende wet-en regelgeving.

Verdachte heeft Damko en Wenau benaderd, omdat zij als professionele bedrijven te boek staan en kundig/gecertificeerd zijn op het gebied van tankinstallatie respectievelijk tanksanering. Verdachte ging er dan ook van uit dat deze bedrijven conform de geldende wet-en regelgeving zouden handelen. Hierop mocht hij ook vertrouwen.

Wanneer klanten bij CAV Agrotheek aangaven dat zij een oude tank wilden laten saneren en een nieuwe tank wilden laten plaatsen, gaf verdachte aan Wenau door dat een tank gesaneerd moest worden. De tanksaneringscertificaten ontving CAV Agrotheek achteraf van Wenau. Verdachte maakte hier een kopie van voor in de administratie van CAV Agrotheek. Het origineel werd aan de klant toegestuurd. Verdachte was niet betrokken bij het opmaken van deze tanksaneringscertificaten. Op de waarachtigheid van de inhoud van deze tanksaneringscertificaten had verdachte geen zicht. Dit behoorde tot de taak van het tanksaneringsbedrijf Wenau was juist door CAV Agrotheek bij Aktie Tankslag betrokken vanwege haar specialisatie op dit gebied.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met Damko dan wel Wenau in strijd met de BRL-K902/03 en de daarbij behorende Wijzigingsbladen heeft gehandeld. Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en het (doen) gebruik maken van valselijk opgemaakte geschriften.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de aan hem onder 1,2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte namens CAV Agrotheek ten behoeve van haar klanten heeft bemiddeld bij het vernieuwen van (olie)tanks. CAV Agrotheek was hiertoe niet bevoegd.

Gelet op artikel 2 van de Wet op de economische delicten is het voor een bewezenverklaring van het opzet voldoende dat wordt vastgesteld dat de dader van het delict willens en wetens heeft gehandeld, overeenkomstig hetgeen in de strafbepaling is verwoord.

Nu verdachte heeft verklaard dat hij het initiatief heeft genomen om aan klanten van CAV Agrotheek een dienst aan te bieden, waarvan het plaatsen van een nieuwe tank en het saneren van een oude tank was uitbesteed aan Damko en Wenau en verdachte daartoe ook de opdrachten verstrekte aan Wenau en Damko, is daarmee het opzet een gegeven.

Het verweer van de raadsman dat verdachte onopzettelijk heeft gehandeld, wordt verworpen. Daarmee is ook het verweer verworpen dat bij verdachte sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gelet op het voorgaande en de door de verdediging voorgelezen verklaring van Otto Smid ziet de rechtbank geen aanleiding de heer Smid alsnog als getuige met betrekking tot dit feit alsnog te horen.

Feitelijk leidinggeven

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan het aan hem als zodanig ten laste gelegde feit, neemt de rechtbank de door de Hoge Raad benoemde criteria als uitgangspunt.

Uit die criteria volgt dat eerst een antwoord dient te worden gegeven op de vraag of CAV Agrotheek in strijd met artikel 10.55, eerste lid en onder c van de Wet milieubeheer heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen, sprake.

Vervolgens is de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat verdachte aan deze gedragingen van CAV Agrotheek feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij het initiatief heeft genomen voor Aktie Tankslag en daartoe de bedrijven Wenau en Damko heeft benaderd. Vervolgens heeft verdachte de klanten van CAV Agrotheek benaderd en hen op de hoogte gesteld van de mogelijkheid via CAV Agrotheek een oude tank te saneren en een nieuwe tank te laten plaatsen.

Nadat verdachte met de partijen Wenau en Damko om de tafel had gezeten heeft hij de bestuurder van CAV Agrotheek, de heer J.A.A. de Schutter hiervan op de hoogte gebracht. De Schutter heeft zich, aldus verdachte, niet bemoeit met de keuze van de samenwerkende partijen. Gelet op deze verklaring van verdachte, in samenhang met genoemde bewijsmiddelen, leidt de rechtbank af dat verdachte in de praktijk de leiding en verantwoording had over Aktie Tankslag. Verdachte trad op als aanspreekpunt voor de ondernemers en gaf de opdrachten door aan Wenau en Damko wanneer een tank gesaneerd moest worden en een nieuwe tank geplaatst moest worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gezien het vorenstaande, door zijn handelen niet alleen geen maatregelen genomen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de rechtspersoon, maar deze gedragingen ook bevorderd. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor het feitelijk leidinggeven aan het bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen zonder vermelding als bemiddellaar op de daartoe vereiste lijst.

Bewezenverklaring

Feit 4: Opzettelijk begaan van een overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, terwijl verdachte tot dit feit feitelijk leiding heeft gegeven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 150,00 met een proeftijd van twee jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF