HR: Onder welke omstandigheden is een beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk?

Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742

Op 31 januari 2020 vond er voor het (voormalig) hoofdkantoor van Shell in Den Haag een demonstratie plaats. Aan de demonstratie namen ongeveer 25 tot 30 actievoerders deel, onder wie de verdachte. Zij heeft tijdens die demonstratie een zwarte, op olie gelijkende vloeistof (naar eigen verklaring bestaande uit zonnebloemolie, houtskoolpoeder en maïzena) over de trap naar de ingang van het gebouw gegoten. De Verdachte is aangehouden en later vervolgd en zowel door de rechtbank als het hof veroordeeld wegens het onbruikbaar maken van de trap. De cassatiemiddelen klagen over het oordeel van het hof dat met de vervolging, berechting en bestraffing van de Verdachte voor haar gedragingen geen ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op haar recht op vrijheid van meningsuiting en betoging, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 EVRM.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verzoek tot herziening na veroordeling voor passieve ambtelijke omkoping bij (gemeentelijke) energiemaatschappij

Hoge Raad 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1727

De verdachte is veroordeeld voor passieve omkoping en verschillende vormen van valsheid in geschrifte. Bij het overnameproces van de energieleveringstak van Rendo door Electrabel heeft verdachte, als algemeen directeur van Rendo, op eigen initiatief, een bedrag van in totaal exact 1 miljoen euro exclusief BTW gevraagd en ontvangen, zonder dat hier een reële prestatie tegenover stond. Aangevoerd wordt dat hof niet zou hebben bewezenverklaard dat aanvrager als ‘ambtenaar’ in de zin van art. 363 lid 1 (oud) Sr in bewezenverklaring genoemd geldbedrag zou hebben gevraagd en aangenomen, als hof ermee bekend was geweest dat N.V. niet netbeheerder was, dat aanvrager zich niet heeft beziggehouden met netbeheer en dat aanvrager niet directeur van B.V. aanstuurde en er strikte scheiding was tussen N.V., waarvan aanvrager algemeen directeur/statutair bestuurder was, en B.V. die in persoon van A een eigen directeur en verder een eigen Raad van Commissarissen had. Art. 457 lid 1 sub c Sv. Ook als wordt aangenomen dat in aanvraag gestelde juist is, volgt hieruit niet dat ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457 lid 1 sub c Sv is gewekt. Hof heeft immers in strafzaak van aanvrager niet alleen vastgesteld dat aanvrager als bestuurder van N.V. de (eind)verantwoordelijkheid droeg voor onder die holding ressorterende besloten vennootschappen en hij directeur van B.V. aanstuurde, maar onder meer ook dat aanvrager in opdracht van gemeenten, die overeenkomstig statuten van die vennootschap alle aandelen hielden in N.V., belast was met uitvoering van Splitsingswet en hij in dat verband moest bewerkstelligen dat energieleveringstak van N.V. werd afgestoten. Bewezenverklaring houdt daarover in dat aanvrager € 1.000.000 heeft aangenomen ter gelegenheid van overname van aandelen van vennootschap door andere vennootschap. Bij die overname is B.V. niet betrokken. Bovendien heeft hof vastgesteld dat functioneren van aanvrager in overwegende mate werd beïnvloed door publiekrechtelijke lichamen en aanvrager onder toezicht en verantwoordelijkheid van (gemeentelijke) overheid stond.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Technisch sepot staat niet aan ontslag op staande voet in de weg: verschil in bewijswaardering in strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures

Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1672

In de onderliggende zaak is de verzoeker ontslagen op staande voet wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag bestaande uit het vragen aan een passerende vrouw om zijn geslachtsdeel aan te raken terwijl hij een ontbloot onderlichaam had. Dit deed hij vanuit het bestelbusje waarin hij reed voor zijn werk. De vrouw heeft aangifte gedaan. Het OM heeft de zaak geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs. De AG gaat in zijn conclusie uitgebreid in op verschil in bewijswaardering in strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures. Het feit dat het gedrag van werknemer strafrechtelijk gezien wellicht (net) geen schennis van de eerbaarheid oplevert, zelfs als dat komt door onvoldoende bewijs, betekent dit niet dat het feitencomplex in de civiele procedure niet kan komen vast te staan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG: Wanneer het schiften van verschoningsgerechtigd materiaal niet mogelijk is zonder kennisname van de inhoud, dient gehandeld te worden als wanneer bij een advocaat beslag wordt gelegd

Parket bij de Hoge Raad 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1122

AG Harteveld heeft geconcludeerd in de zaak waarin prejudiciële vragen door het hof Den Bosch zijn gesteld aan de Hoge Raad over het verschoningsrecht. Het betreft één van de vele procedures tegen de Staat die voortvloeien uit de Box-zaak. De belangrijkste vraag is hoe moet worden gehandeld indien op enig moment blijkt of het vermoeden rijst dat zich tussen die gevorderde gegevens (in deze zaak: de bedrijfsadministratie van de vermogensbeheerder) materiaal bevindt dat valt onder het verschoningsrecht van de advocaat. De discussie gaat wel over de vraag of het uit die gegevens filteren van dit materiaal moet geschieden door of in opdracht van de rechter-commissaris, of onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: geen strafrechtelijke immuniteit Waterschap voor doden bevers

Hoge Raad 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1607

Voor zover het hof heeft overwogen dat voor het aannemen van immuniteit “beslissend [is] of de ten laste gelegde gedraging exclusief is in die zin, dat zij niet anders dan in het kader van een overheidstaak kan worden verricht”, heeft het miskend dat niet beslissend is of de gedraging niet anders dan in het kader van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak kan worden verricht, maar dat het erom gaat of deze gedraging – kort gezegd – in het kader van de uitvoering van die taak niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht. Het cassatiemiddel klaagt daarover op zichzelf terecht.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen van EHRM in zaak De Legé tegen Nederland: Is aan verdachte gerichte vordering ex art. 19 WED tot overleggen van gegevens in strijd met nemo tenetur-beginsel?

Hoge Raad 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1562

Hof heeft vastgesteld dat (i) politie verdachte heeft aangemerkt als verdachte van invoer van illegaal vuurwerk omdat minimaal één postpakket met illegaal vuurwerk voor verdachte op zijn adres was afgeleverd, (ii) postpakket afkomstig was van Poolse webshop voor professioneel, voor particulieren verboden vuurwerk, (iii) politie vervolgens verdachte via brief heeft ontboden voor verhoor en (iv) brief inhoudt: “Ik vorder u o.g.v. art. 19 WED alle gegevens, welke betrekking hebben op bestellen en ontvangen van vuurwerk, mee te nemen naar verhoor. Denk hierbij o.a. aan facturen, bestelbevestigingen, etc.”. Verder heeft hof geconstateerd dat gevorderde stukken niet door politie eigenmachtig konden worden verkregen, waaraan hof conclusie heeft verbonden dat verkrijging van stukken afhankelijk was van wil van verdachte. Daarnaast heeft hof overwogen dat niet kon worden uitgesloten dat informatie die uit verzochte stukken blijkt in strafzaak tegen verdachte zou kunnen worden gebruikt. Voor zover het hof voor oordeel dat vordering tot verstrekken van stukken een schending van uit art. 6 EVRM voortvloeiende nemo tenetur-beginsel oplevert, mede beslissend heeft geacht dat gevorderde stukken niet door politie eigenmachtig konden worden verkregen en verkrijging van stukken daarmee afhankelijk van wil van verdachte was, heeft hof maatstaf aangelegd die niet in overeenstemming is met beoordelingskader van EHRM in zaak De Legé tegen Nederland.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ne bis in idem: HR herhaalt beoordelingskader m.b.t. “hetzelfde feit” (art. 68 Sr)

Hoge Raad 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559

Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt: beroep op overschrijding redelijke termijn kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan (conclusie AG anders)

Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1443

In het geval dat de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de Verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de Verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vordering benadeelde partij: moet bij vaststelling van hoogte van de geleden materiële schade rekening houden worden met bedrag dat uit “crowdfunding” is verkregen?

Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1464

In zijn arrest heeft het hof geoordeeld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de Verdachte materiële schade heeft geleden tot een bedrag van €21.828,32. Het hof heeft geoordeeld dat het niet redelijk is om bij de vaststelling van de door de Verdachte te vergoeden schade rekening te houden met het bedrag van €18.126, dat de benadeelde partij heeft ontvangen in de vorm van giften van derden ter bestrijding van de kosten die zij heeft moeten maken als gevolg van het bewezenverklaarde. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

In hoeverre moet rekening worden gehouden met de draagkracht van een rechtspersoon bij oplegging van een geldboete?

Hoge Raad 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1213

De verdachte rechtspersoon hield zich bezig met het telen van champignons. In 2021 is het bedrijf veroordeeld tot een geldboete van €75.000 wegens het medeplegen van valsheid in geschrift: uren van Poolse champignonpluksters werden stelselmatig in strijd met de werkelijkheid verlaagd door afroommodules. In cassatie wordt geklaagd over de strafoplegging. Deze zou – gelet op wat in hoger beroep omtrent de draagkracht van de verdachte is aangevoerd – onvoldoende met redenen zijn omkleed. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Hoewel er onder meer is aangevoerd dat het bedrijf op 15 april 2013 failliet is gegaan, zijn er geen concrete en actuele gegevens verschaft over de financiële situatie van de verdachte en/of de afwikkeling van het faillissement, waarover de vertegenwoordiger van de verdachte, tevens medeverdachte, nog wel heeft verklaard dat “het bedrijf” na een activatransactie “going concern” door een derde is overgenomen. De AG concludeert anders. Het gefailleerd zijn, is een omstandigheid die bij uitstek wijst op het ontbreken van enige substantiële draagkracht.

Read More
Print Friendly and PDF ^