Niet-ontvankelijkheidverklaring hoger beroep. Het oordeel dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg verdachte tevoren bekend was, is niet zonder meer begrijpelijk.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4747 Feiten

De inleidende dagvaarding is op 11 maart 2010 aan de griffier betekend, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Een afschrift van de inleidende dagvaarding is op 11 maart 2010 naar een adres van (vermoed) feitelijk verblijf, tevens de plaats van aanhouding, gezonden. Vanaf 24 november 2010 staat verdachte op dat adres ingeschreven, conform een door hem eerder geuit voornemen.

Ter zitting in eerste aanleg van 26 maart 2010 is verdachte noch een advocaat verschenen. De rechtbank heeft verstek verleend tegen verdachte. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de benadeelde partij daar onder meer het volgende verklaard: "Ik heb verdachte gisteren gebeld en gesproken. Hij wilde wel wat met mij regelen. Ik heb hem toen gezegd dat het prima is als hij de goederen alsnog levert. Hij vertelde mij niet te weten dat er een zitting was. Ik heb hem toen de brief die ik ontvangen heb nog voorgelezen. Van belang voor mij is wel de verklaring van verdachte dat zijn zoon erbij betrokken was."

De rechtbank heeft op 9 april 2010 vonnis gewezen. Namens verdachte heeft mr. Mulder op 28 mei 2010 hoger beroep ingesteld.

Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 3 maart 2011 houdt in dat verdachte niet verschenen is maar wel zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw, alsmede het volgende: "De voorzitter stelt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde. De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven: De benadeelde partij heeft op 25 maart 2010 met verdachte gebeld. Daarbij is de terechtzitting in eerste aanleg ter sprake gekomen. Verdachte heeft gezegd contact met de benadeelde partij te hebben gehad. Ik ben van mening dat het hoger beroep te laat is ingesteld.

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging. Zij deelt mede, zakelijk weergegeven: Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de benadeelde partij het heeft over een regeling en een zitting. Ik weet niet welke brief de benadeelde partij aan mijn cliënt heeft voorgelezen. Mijn cliënt zegt wel dat hij omstreeks die tijd met de benadeelde partij heeft gesproken. Op 22 maart heeft er een comparitie van partijen plaatsgevonden. Mogelijk ging het om die zitting. Mijn cliënt heeft met de benadeelde partij niet gesproken over de strafzaak. Ook tijdens de comparitie van partijen is niet over de strafzaak gesproken. Ook mr Mulder wist niets van een strafzaak."

Het Hof heeft in zijn arrest ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen: "Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2010 blijkt dat de benadeelde partij heeft medegedeeld dat hij de dag voor de zitting met verdachte heeft gebeld en hem heeft gesproken. Verdachte heeft hem toen verteld dat hij niet wist dat er een zitting was. De benadeelde partij heeft verdachte toen de brief die hij heeft ontvangen voorgelezen. De brief die door het openbaar ministerie aan de benadeelde partij is verzonden, bevindt zich in het strafdossier. De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof medegedeeld dat haar cliënt rond die tijd inderdaad met de benadeelde partij heeft gesproken. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de benadeelde partij op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg.

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is geruime tijd na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte tevoren bekend was, is gelet op de inhoud van de verklaring van de benadeelde partij zoals gerelateerd in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, alsmede op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte heeft aangevoerd met betrekking tot die verklaring, niet zonder meer begrijpelijk.

Het middel is gegrond.

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing verzoek verdediging tot voeging van stukken bij het dossier

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4482

Feiten

Bij arrest van 22 september 2010 heeft het Hof Amsterdam verdachte wegens mishandeling veroordeeld.
 
Tijdens een enkelvoudige regiezitting van het Hof op 5 juli 2010 is een verzoek tot het doen van nadere onderzoekshandelingen afgewezen. In een enkelvoudige zitting van 8 september 2010 is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer en met instemming van partijen en is de behandeling door de meervoudige kamer onmiddellijk daarop voortgezet met dien verstande dat de meervoudige kamer het onderzoek opnieuw heeft aangevangen wegens gewijzigde samenstelling van het Hof. Na een verklaring van de verdachte over de feiten, maar nog voorafgaande aan het requisitoir heeft de raadsman om nadere onderzoekshandelingen verzocht (wederom het toevoegen van processtukken aan het dossier althans het horen van getuigen). Het verzoek wordt in het proces-verbaal redelijk uitvoerig weergegeven en enige verwijzing naar een pleitnotitie daarbij ontbreekt. Op het verzoek heeft het Hof afwijzend beslist. Vervolgens heeft verdachte verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden en is er gerekwireerd. De verdachte en de raadsman hebben daarop het woord ter verdediging gevoerd en de raadsman heeft een pleitnotitie overgelegd en de verweren gevoerd zoals weergegeven in verkorte arrest. Bij de stukken bevindt zich een pleitnotitie van de raadsman met onder meer een verzoek tot nadere onderzoekshandelingen.
 
Middel

Het tweede middel klaagt over de onbegrijpelijke, althans onvoldoende motivering van de beslissing van het Hof houdende afwijzing van een verzoek tot nadere onderzoekshandelingen (het horen van getuigen en het voegen van stukken).

Hoge Raad

Het door de verdediging gedane verzoek om processtukken aan het dossier toe te voegen betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv jo art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Blijkens zijn overweging dat het Hof afwijst "de verzoeken tot toevoegen van diverse - niet op de onderhavige zaak betrekking hebbende - stukken aan het dossier, nu bij gebreke van toereikende onderbouwing van de verzoeken de noodzaak van het verzochte niet is gebleken", heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. In aanmerking genomen evenwel dat in het dossier dienen te worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin (vgl. HR 7 mei 1996, LJN AB9820, NJ 1996/687), terwijl volgens de pleitnotities de stukken met informatie uit de meldkamer van de avond van 15 april 2008 en informatie over eerdere meldingen van de verdachte aan de politie met betrekking tot de aangever er kennelijk mede toe dienen de aannemelijkheid te toetsen van de feitelijke grondslag van een door de verdachte in te roepen strafuitsluitingsgrond, is 's Hofs afwijzing van het verzoek zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
Print Friendly and PDF ^

Verwerping verweer n-o OM wegens schending art. 255.1 en 3 Sv.

HR 11 september 2012, LJN BX4490 Feiten

Verdachte is vervolgd voor doodslag. Deze is echter onvindbaar, waarop het OM besluit tot niet verdere vervolging. Het is daarbij niet duidelijk of verdachte op enige manier kennis heeft kunnen nemen van de kennisgeving tot niet verdere vervolging.
Op 10 februari 2000 is verdachte aangehouden, kennelijk op grond van het in 1995 uitgevaardigde internationale signalement. Op 10 februari 2000 is verdachte door de politie gehoord in afwezigheid van een raadsman/raadsvrouw. De verdachte heeft tijdens dit verhoor het feit bekend. Op 11 februari 2000 is verdachte voorgeleid aan de RC. Deze heeft de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig geacht en op vordering van de OvJ de inbewaringstelling van verdachte bevolen. Verdachte heeft bij het verhoor door de RC, in bijzijn van zijn raadsman, verklaard te blijven bij zijn bij de politie afgelegde bekennende verklaring.
Het hof oordeelt dat de inhoud van de kennisgeving tot niet verdere vervolging niet van dien aard was, dat de verdachte er een gerechtvaardigd vertrouwen uit kon ontlenen dat hij niet meer zou kunnen worden aangehouden voor hetzelfde feit. Het Openbaar Ministerie mocht dus doorgaan met de opsporingsbevoegdheden, waaronder de internationale signalering.

Het middel klaagt dat:

  • Het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Officier van Justitie niet gehouden was om na het doen uitgaan van de kennisgeving van niet verdere vervolging in 1999, welke was gegrond op de omstandigheid dat de verdachte onvindbaar was voor de justitiële autoriteiten, de in 1995 gedane internationale signalering van de verdachte in te trekken.
Hoge Raad: Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de klacht faalt.

  • Voorts klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de internationale signalering, de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waardoor de verdachte weer 'in rechten wordt betrokken', zodat art. 255, eerste lid, Sv niet aan de orde is.

Hoge Raad: Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 255 lid 1 Sv. De klacht kan niet tot cassatie leiden.

  • Het middel klaagt tot slot over 's Hofs oordeel inzake de niet-naleving van art. 255, derde lid, Sv, inhoudende dat de verdachte niet ter terechtzitting kan worden gedagvaard dan na een ter zake van de nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek.

Hoge Raad: 's Hofs oordeel dat en waarom de verdachte niet lichtvaardig alsnog ter terechtzitting is gedagvaard, zodat aan de strekking van genoemd voorschrift niet is tekortgedaan, en dat het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen kan blijven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Conclusie AG Vegter
Het eerste middel valt uiteen in twee klachten. Allereerst wordt er geklaagd over de constatering van het hof dat de raadsvrouw op geen van de terechtzittingen een beroep op nietigverklaring van de oproeping heeft gevoerd. Daarbij wordt aangevoerd dat er een onjuiste weergave is van het proces-verbaal die later is toegevoegd. Het hof ziet terecht geen aanleiding om te oordelen dat er een onjuiste weergave is, nu het getekend is door de voorzitter van de rechtbank en omdat de feiten overeenkomen met de schriftelijke aantekeningen van de griffier ter zitting.
Ten tweede klaagt het middel over de vaststelling van het hof dat de verdachte niet is geschaad in zijn belangen, nu in de oproeping naar de terechtzitting van 8 augustus 2000 werd verwezen, in plaats van de juiste terechtzitting van 31 oktober 2000. Er is daarbij niet voldoende gesteld dat de verdachte in enig belang is geschaad.
Het tweede middel klaagt over de verwerping van het hof over het verweer welke strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie.
Nu de internationale signalering, de aanhouding en de inverzekeringstelling louter opsporingshandelingen betreffen is het bepaalde in lid 1 van artikel 255 niet aan de orde. Verdachte legde bij zijn inverzekeringstelling een bekentenis af waardoor er nieuwe bezwaren kwamen, op grond waarvan hij opnieuw in rechten kon worden betrokken. Deze nieuwe bezwaren zijn niet op onrechtmatige wijze zijn verkregen.
Lid 3 van artikel 255 strekt tot waarborg dat de verdachte niet te lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. Uiteindelijk is het aan de rechter of er sprake is van nieuwe bezwaren. Bij deze beoordeling spelen de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek mee. Er is in de onderhavige zaak geen gerechtelijk vooronderzoek geweest, maar de RC was op de hoogte van de tevoren gesloten gerechtelijk vooronderzoek. Een inbewaringstelling kan alleen worden ingesteld indien er sprake is van ernstige bezwaren. Hieruit volgt dat er niet gezegd kan worden dat aan de strekking van lid 3 van artikel 255 geen recht is gedaan.
Zelfs indien er vast zou komen te staan dat er geen gerechtelijk vooronderzoek had plaatsgevonden en ook niet aan de strekking van artikel 255 lid 3 was voldaan, dan moet vervolgens worden beoordeeld welke gevolgen aan dit verzuim worden verbonden. De bekentenis van de dader vormt een grote mate van daderwetenschap. Het is niet denkbaar dat de latere zittingsrechter zou oordelen dat er geen sprake zou zijn geweest van nieuwe bezwaren.
Beide middelen falen.
Door Annoeska Rubbens
Print Friendly and PDF ^

Vordering benadeelde partij. Kosten rechtsbijstand. Liquidatietarief.

HR 11 september 2012, LJN BX4442

Feiten
Het hof acht voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 29.165,71, te vermeerderen met de wettelijke rente.
 
Benadeelde heeft € 1.963,97 gevorderd voor de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank stond een bedrag tot maximaal € 410,- toe, het hof wijst maximaal € 579,- toe. Het hof heeft dit gebaseerd op het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven in plaats van voor kantonzaken voor de vaststelling van de vergoeding. Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden waarom hiervan afgeweken zou moeten worden.

Het middel

Het middel klaagt dat het Hof aan de benadeelde partij een bedrag, althans een hoger bedrag dan in eerste aanleg was toegekend, heeft toegewezen als vergoeding voor kosten voor rechtsbijstand, althans dat die beslissing tot toewijzing ontoereikend is gemotiveerd.

Oordeel HR


Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361, vijfde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Gelet op de aard van die kosten, staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten (vgl. HR 18 april 2000, LJN ZD1786, NJ 2000/413). De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend (vgl. HR 22 mei 1935, NJ 1936/1064 en HR 29 mei 2001, LJN AB1819, NJ 2002/123).

Door Annoeska Rubbens
Print Friendly and PDF ^

Afwijzing getuigenverzoeken. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen met betrekking tot vereisten voor opgave van getuigen of deskundigen als bedoeld in art. 410 lid 3 Sv en de beperkte toetsing door de Hoge Raad van het oordeel of sprake is van een dergelijke opgave.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4150


Het middel klaagt onder meer dat het Hof het verzoek tot het horen van getuige 4 en betrokkene 9 als getuigen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.

De raadsvrouwe heeft bij appelschriftuur van 6 augustus 2008 de volgende personen als getuigen opgegeven: "Alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt. Na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting en de aanvulling van het verkorte vonnis zullen namens appellant de wensen omtrent de te horen getuigen nader worden gepreciseerd."

Vervolgens heeft raadsvrouwe op 17 maart 2009 een brief aan het Hof gezonden inzake een verzoek tot het oproepen van getuigen. Deze brief houdt onder meer in:
"[Getuige 4]
Deze persoon kan verklaren over [betrokkene 10]. Zij heeft in dezelfde periode in Vinkeveen gewoond en in Utrecht gewerkt.
[Betrokkene 9]
Deze persoon kan verklaren over [betrokkene 10]. Zij heeft in dezelfde periode in Vinkeveen gewoond en in Utrecht gewerkt. [Betrokkene 10] verklaart over haar bij de politie op 14 augustus 2007 bladzijde 016864."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2009 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Voor wat betreft het horen van getuigen verwijs ik naar mijn brief van 16 maart jongstleden. (...)
[Getuige 4] is nog niet eerder gehoord.
De getuige "[betrokkene 9]". Deze vrouw wordt genoemd in de verklaring van [betrokkene 10]. Over de identiteit van deze [betrokkene 9] heb ik geen verdere gegevens. Mogelijk is dit via de politie Utrecht te achterhalen omdat de vrouwen die werkten aan het Zandpad geregistreerd stonden bij de politie."

Het Hof heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen afgewezen en daartoe het volgende overwogen: "Met betrekking tot de gevraagde getuige [getuige 4] is het hof van oordeel dat de motivering van het verzoek haar nader te horen onvoldoende concreet is, in het bijzonder wat betreft de vraagstelling. Het enkele feit dat deze getuige heeft verklaard dat [betrokkene 10] in Vinkeveen heeft gewoond en in Utrecht heeft gewerkt is onvoldoende om haar nader te horen. Hetzelfde geldt voor "[betrokkene 9]", van wie bovendien geen nadere personalia bekend zijn. De verzoeken worden afgewezen, nu het horen niet van belang is voor enige te nemen beslissing."
 
Hoge Raad

In art. 410, derde lid, Sv in verbinding met art. 263, tweede lid, Sv ligt als vereiste besloten dat de daar bedoelde opgave van getuigen of deskundigen voldoende stellig en duidelijk als zodanig in de appelschriftuur moet zijn vermeld. De beoordeling van de vraag of een appelschriftuur zo'n opgave van getuigen of deskundigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv bevat, is aan het Hof. Zijn oordeel dienaangaande kan als steunend op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg der gedingstukken, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (vgl. HR 26 juni 2012, LJN BW9036).

Het Hof heeft kennelijk de bij appelschriftuur gedane opgave van "alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt" niet aangemerkt als een verzoek tot oproeping van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, zodat in gevolge art. 418, derde lid, Sv de noodzaak tot het horen van de getuigen de voor de beslissing toepasselijke maatstaf is. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof geoordeeld dat de aanvullende brief waarin wordt verzocht om [getuige 4] en '[betrokkene 9]' als getuigen op te roepen dit niet anders maakt.

Voorts heeft het Hof de aanvullende brief kennelijk niet aangemerkt als een overeenkomstig art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263, tweede en derde lid, Sv gedaan verzoek tot oproeping. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat dit verzoek niet binnen de wettelijke termijn en bij de juiste instantie is ingediend. 's Hofs afwijzing van het gedane verzoek getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde, gelet op hetgeen door de verdediging daaraan ten grondslag is gelegd, geen nadere motivering.

De klacht faalt.
 

Print Friendly and PDF ^

Zonder instemming van verdachte horen van getuigen door één van de leden van het Hof als Rh-C die nadien aan het onderzoek ttz. heeft deelgenomen.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4295

Het Gerechtshof Amsterdam heeft veroordeeld verdachte wegens 1. mensenhandel, 2B. medeplegen van mishandeling, 3. in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is en wegens 4A en 4B voortgezette handeling van: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
 
Middel

Het middel klaagt dat een aantal getuigenverhoren hebben plaatsgevonden door één van de leden van het Hof als raadsheer-commissaris, zonder dat de verdachte daarmee heeft ingestemd.

Hoge Raad

Op grond van art. 316, tweede lid, Sv, dat ook in hoger beroep toepasselijk is, is de rechtbank bevoegd om, indien het openbaar ministerie en de verdachte daarmee instemmen, de voorzitter of een der rechters die over de zaak oordelen, als rechter-commissaris aan te wijzen met het oog op het horen van getuigen of deskundigen. Deze kan vervolgens - behoudens in het in voormeld artikellid genoemde geval - aan het verdere onderzoek ter terechtzitting deelnemen. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat die instemming stilzwijgend kan worden gegeven en dat zij kan worden afgeleid uit de proceshouding die partijen hebben aangenomen na de aanwijzing van de rechter-commissaris.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2009 waar de behandeling van de zaak na het tussenarrest van 6 april 2009 is voortgezet noch enig ander tot het strafdossier behorend stuk iets inhoudt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat door of namens de verdachte niet is ingestemd met de in dat tussenarrest vervatte aanwijzing, klaagt het middel tevergeefs dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt.

Het middel faalt.

 

Print Friendly and PDF ^

Stempelvonnis ex art. 378a Sv en het verlenen van verlof ex art. 410a Sv. Uitgebreide conclusie AG.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4472

Feiten
De verdachte is door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens medeplegen van handelen in strijd met art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een geldboete van € 150,- en subsidiair 3 dagen hechtenis.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman aldaar met een beroep op de beslissing van het VN-Mensenrechtencomité nr. 1797/2008 van 30 juli 2010 aangevoerd dat, op straffe van schending van art. 14, vijfde lid, IVBPR, het dossier diende te worden aangevuld met een uitgewerkt vonnis en proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en dat, indien dit onmogelijk zou blijken te zijn, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig behoorde te worden verklaard, met terugwijzing van de zaak naar de Politierechter.

Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen en beslist: "Het hof is van oordeel dat de kritiek van het Mensenrechtencomité enkel ziet op het verlofstelsel en de omstandigheid dat men bij het niet verlenen van verlof een tweede instantie mist. In casu is wel verlof verleend en is de zaak opnieuw feitelijk aan de orde. Indien het hof het verweer van de raadsman zou volgen, betekent dit dat de door de wet geboden mogelijkheid van het wijzen van een stempelvonnis niet door de beugel zou kunnen. Zo ruim interpreteert het hof de uitspraak niet. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. In de eerste plaats ziet het hof geen aanleiding tot het opvragen van een uitgewerkt proces-verbaal van de zitting en een uitgewerkt vonnis, zodat er geen reden is voor terugwijzing naar de politierechter.

Middel

Het middel klaagt primair dat het hof in hoger beroep ten gronde heeft rechtgedaan zonder te kunnen beschikken over een uitgewerkt vonnis en een proces-verbaal van de zitting waarop de zaak in eerste aanleg inhoudelijk werd behandeld.

Hoge Raad

's Hofs oordeel geeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De primaire klacht faalt derhalve.

Subsidiair klaagt het middel dat "het hof ten onrechte het namens requirant gevoerde verweer, kort samengevat primair strekkende tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de stukken aan te vullen met een uitgewerkt vonnis en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg en subsidiair strekkende tot nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, heeft verworpen, althans het hof dit verweer heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen".

De klacht miskent dat indien in eerste aanleg toepassing is gegeven aan art. 378a Sv op grond van art. 422, tweede lid, Sv de beraadslaging als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv alleen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep plaatsvindt (vgl. HR 27 januari 1987, LJN AC9693, NJ 1987/886), zoals te dezen blijkens het bestreden arrest is geschied.

In aanmerking genomen voorts dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het door de raadsman aangevoerde niet kan leiden tot inwilliging van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de Politierechter (vgl. HR 7 mei 1996, LJN ZD0442, NJ 1996/557), faalt ook de subsidiaire klacht.


Advocaat-generaal Vegter gaat nog uitgebreid in op het verlofstelsel en in dat kader het EVRM, IVBPR en Human Rights Committee.
Print Friendly and PDF ^

HR wijst overzichtsarrest in verband met het op 1 juli 2012 in werking getreden art. 80a RO: de mogelijkheid om het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren.

HR 11 september 2012, LJN BX0146, BX0132, BX0129, BX7004
 
De Hoge Raad behandelt in deze arresten enkele aspecten van art. 80a RO en beantwoordt enige vragen die deze nieuwe bepaling oproept. De Hoge Raad merkt daarbij wel op dat de cruciale vraag wanneer sprake is van klachten in de zin van art. 80a lid 1 RO zich, zeker op dit moment, niet leent voor een uitputtende en min of meer definitieve beantwoording. Het zal daarbij immers in hoge mate aankomen op de omstandigheden van het geval.


Wettekst
 
Bij de wet van 15 maart 2012, Stb. 116 tot versterking van de cassatierechtspraak, die op 1 juli 2012 in werking is getreden, is art. 80a RO ingevoerd. Deze bepaling luidt als volgt:
1. De Hoge Raad kan, gehoord de procureur-generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
2. De Hoge Raad neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat de Hoge Raad kennis heeft genomen van:
(...)
b. de schriftuur, houdende de middelen van cassatie, bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering; dan wel
(...)
3. Het beroep in cassatie wordt behandeld en beslist door drie leden van een meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt.
4. Indien de Hoge Raad toepassing geeft aan het eerste lid, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.
 
Doelstelling wetsvoorstel

Met dit wetsvoorstel wordt een versterking van de cassatierechtspraak beoogd door andere en nieuwe eisen te stellen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad en door de introductie van de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van een cassatieberoep door de Hoge Raad aan het begin van de procedure. Het wetsvoorstel is erop gericht de Hoge Raad in staat te stellen zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken. Een adequate uitvoering van deze kerntaken staat onder druk door het instellen van cassatie in zaken die zich niet lenen voor een beoordeling in cassatie, en doordat sommige kwesties waarin een uitspraak van de Hoge Raad wenselijk is, de Hoge Raad niet of niet tijdig bereiken.
 
Versnelde niet-ontvankelijkheid

Een andere maatregel ter versterking van de cassatierechtspraak is de introductie van een afdoeningsmodaliteit die verder gaat dan het huidige art. 81 Wet RO. Art. 81 Wet RO biedt de Hoge Raad de mogelijkheid om de motivering van de verwerping van een cassatiemiddel te beperken tot het oordeel dat de daarin aangevoerde klacht niet "tot cassatie kan leiden en niet noopt tot de beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling".

Art. 81 Wet RO heeft in de afgelopen jaren een belangrijke functie vervuld in het beheersbaar houden van de werklast van de Hoge Raad. In ongeveer de helft van de zaken past de Hoge Raad thans art. 81 Wet RO toe. De grenzen van deze toepassing zijn echter in zicht. Art. 81 Wet RO vindt bovendien pas aan het einde van de cassatieprocedure toepassing, en daarbij (in burgerlijke zaken en strafzaken altijd) na een conclusie van de procureur-generaal, terwijl het voor zowel de procespartijen als de cassatierechter een aanmerkelijke verlichting zou zijn wanneer kansloze zaken eerder in het proces en op een eenvoudige wijze kunnen worden afgedaan.

Alle zaken waarvan al bij het begin van de procedure kan worden vastgesteld dat de klachten klaarblijkelijk geen kans van slagen hebben of dat de insteller klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, zodat een behandeling van de aangevoerde klachten in cassatie niet is gerechtvaardigd, zou de Hoge Raad zo spoedig mogelijk na binnenkomst moeten kunnen afdoen. De invoering van een dergelijke versnelde afdoening ligt in de lijn van een ontwikkeling die is ingezet met de invoering van art. 81 (destijds 101a) Wet RO. Zij is thans noodzakelijk omdat de Hoge Raad en het parket worden geconfronteerd met een - per sector in aantal verschillend - aanmerkelijk aantal cassatieberoepen waarin geen vragen aan de orde zijn waarvan de beantwoording in het belang is van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, terwijl evenmin een belangrijk aspect van rechtsbescherming aan de orde is. Deze zaken moeten op een zo snel en eenvoudig mogelijke wijze kunnen worden afgedaan, onder meer om deze zaken een zo gering mogelijk beslag te laten leggen op de beperkte capaciteit van de Hoge Raad en het parket.

Klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep

Bij de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep om reden dat "de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep", kan allereerst worden gedacht aan een cassatieberoep tegen een beslissing die degene die het beroep heeft ingesteld niet belast, bijvoorbeeld het beroep van een verdachte tegen de nietigverklaring van de dagvaarding of tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Ook voorheen werd het beroep in dat soort gevallen wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. De invoering van art. 80a RO brengt daarin dus op zichzelf geen wijziging.

Art. 80a RO brengt wel verandering als het gaat om gevallen waarin tot nu toe een verzuim tot vernietiging van de bestreden uitspraak noopte, terwijl degene die het cassatieberoep had ingesteld in wezen niet voldoende in rechte te respecteren belang had bij die vernietiging en bij een eventuele nieuwe behandeling na de terug- of verwijzing van de zaak. Daarbij moet worden aangetekend dat de enkele mogelijkheid - dus los van de reden van de gegrondbevinding van het beroep - dat alsdan een andere, mogelijk gunstiger uitspraak wordt gedaan (bijvoorbeeld een lagere straf in verband met de duur van de procedure voor en na de ver- of terugwijzing van de zaak of in verband met gewijzigde persoonlijke omstandigheden) niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang bij cassatie.
Als voorbeelden van verzuimen die vóór 1 juli 2012 grond vormden voor vernietiging, maar die zich lenen voor toepassing van art. 80a RO, kunnen thans al worden genoemd:
  • het verzuim inzake de in art. 27 Sr bedoelde aftrek;
  • het verzuim op de voet van art. 353 Sv te beslissen over het beslag;
  • het verzuim inzake de vermelding van de in art. 358, vierde lid, Sv bedoelde wettelijke voorschriften;
  • het verzuim inzake de aanhechting van de juiste, zich in het dossier bevindende stukken aan de uitspraak, bijvoorbeeld de tenlastelegging en de vordering van het openbaar ministerie in verband met het voorschrift van art. 359, eerste lid, Sv;
  • het verzuim de zaak op de voet van art. 495b, eerste lid, Sv achter gesloten deuren te behandelen, terwijl de verdachte ten tijde van die behandeling meerderjarig was.

Een cassatieberoep kan voortaan met art. 80a RO worden afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Van onvoldoende in rechte te respecteren belang zal voorts sprake zijn bij bepaalde gebreken in de bewijsmotivering die grond plachten te vormen voor vernietiging. Daarbij valt te denken aan gevallen waarin de bewezenverklaring, ook als het gebrek wordt weggedacht, zonder meer toereikend is gemotiveerd. Art. 80a RO brengt in dat opzicht verandering in die zin dat, indien het gebrek van dien aard is dat het geen wezenlijke afbreuk doet aan de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaring, bijvoorbeeld omdat het een ondergeschikt of overbodig onderdeel van de bewijsvoering betreft, kan worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op die grond.

Rechtsgevolg

Ingevolge het eerste lid van art. 80a RO kan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dit is een nieuwe niet-ontvankelijkheidsgrond, die zich onderscheidt van de andere, reeds bestaande gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, zoals het niet-openstaan van beroep in cassatie, het niet-tijdig instellen van het beroep en het niet (tijdig) indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie.

Art. 80a RO voorziet niet in een partiële niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in het geval dat meerdere middelen zijn voorgesteld waarvan een gedeelte geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, terwijl het beroep als zodanig zich niet leent voor toepassing van art. 80a RO.

 
Benadeelde partij

De benadeelde partij kan slechts middelen voorstellen en geen beroep instellen, zodat zij daarin ook niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daarom zullen haar middelen ingeval deze op grond van art. 80a RO geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan

Gevolgen voor de inhoud van de cassatieschriftuur en voor de zogenoemde Borgersbrief

Wil de door de wetgever met de invoering van art. 80a RO ingevoerde "selectie aan de poort" aan het daarmee beoogde doel beantwoorden, dan mag van de advocaat die als procesvertegenwoordiger optreedt, onderscheidenlijk het openbaar ministerie in redelijkheid worden verlangd dat - aldus de memorie van toelichting - door hen "cassatieschrifturen worden ingediend die kwalitatief deugdelijk zijn".

Ingevolge het eerste lid van art. 80a RO kan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Gelet daarop mag in voorkomende gevallen waarin dat belang niet evident is, van de raadsman en het openbaar ministerie in redelijkheid worden verlangd dat de schriftuur een toelichting bevat met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en dus ook het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Ook dat volgt uit de in de memorie van toelichting benadrukte noodzaak van verbetering van de kwaliteit van de cassatieschrifturen.

Rol van de Procureur-Generaal

Aangenomen moet worden dat de Procureur-Generaal zijn standpunt over de toepasselijkheid van art. 80a RO kenbaar maakt op een door de rolraadsheer bepaalde rechtsdag alsmede dat de Procureur-Generaal in het geval dat hij van oordeel is dat art. 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, van dit standpunt schriftelijk blijk geeft. Alsdan kan de raadsman van degene door of namens wie het beroep is ingesteld, binnen twee weken nadien schriftelijk reageren op dat standpunt.

Ambtshalve cassatie

Opmerking verdient dat in gevallen waarin art. 80a RO kan worden toegepast, het gebruik van het bijzondere instrument van de ambtshalve cassatie niet snel aan de orde zal zijn. "Selectie aan de poort" houdt immers in dat de Hoge Raad al in een vroeg stadium in een uit haar aard summiere procedure waarin op grond van een beoordeling van de cassatieschriftuur de "klaarblijkelijkheid" van de ontvankelijkheid van het beroep centraal staat, oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Een nader onderzoek van het dossier met het oog op de vraag of zich wellicht het uitzonderlijke geval voordoet dat er een andere dan de aangevoerde grond is die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou dienen te leiden, past niet goed bij het doel en de strekking van een dergelijke selectie. In dit verband zij herhaald dat met de onderhavige wetswijziging mede is beoogd de kwaliteit van de cassatieschrifturen te verbeteren.

Overgangsrecht

De wet bevat geen bepalingen inzake het overgangsrecht. Wel bepaald de memorie van toelichting dat "Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel kan art. 80a Wet RO onmiddellijk worden toegepast."

Mede gelet hierop moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat art. 80a RO zich op zichzelf leent voor toepassing in alle ten tijde van de inwerkingtreding van die bepaling bij de Hoge Raad aanhangige strafzaken. De advocatuur en het openbaar ministerie behoefden evenwel vóór 1 juli 2012 bij de indiening van de schriftuur geen rekening ermee te houden dat het beroep niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard op de in art. 80a RO vermelde gronden. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding art. 80a RO eerst toe te passen in zaken waarin de cassatieschriftuur is ingekomen op of na 1 juli 2012.


Teneinde de advocatuur en het openbaar ministerie voldoende tijd en gelegenheid te geven zich in te stellen op de uitleg en invulling die in het onderhavige arrest aan die bepaling is gegeven, zal de Hoge Raad daarnaast in zaken waarin de cassatieschriftuur vóór 1 oktober 2012 is ingekomen, terughoudendheid betrachten bij het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep op de in art. 80a RO genoemde gronden.

Print Friendly and PDF ^

Conclusie PG

Hoge Raad 15 juni 2012, LJN BX0942

Het gaat in deze conclusie om de toelaatbaarheid van belastingheffing over inkomsten uit criminele activiteiten in samenhang met een strafrechtelijke ontnemingsmaatregel ter zake van wederrechtelijk verkregen voordeel. 

Voorts heeft belanghebbende in cassatie geklaagd over overschrijding van een redelijke termijn van berechting en heeft in verband daarmee vergoeding van geleden immateriële schade verzocht. In dit kader speelt de formele vraag in welk stadium van de fiscale procedure een belanghebbende moet ageren in verband met overschrijding van een redelijke termijn van berechting.
Het eerste middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat het Besluit van 31 oktober 2001, nr. DGB 2001/601, er niet aan in de weg staat dat strafrechtelijk reeds ontnomen en/of nog te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordelen (tevens) in de belastingheffing kunnen worden betrokken. 

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbendes wederrechtelijk verkregen inkomsten moeten worden aangemerkt als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden als bedoeld in art. 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 1964. Een belanghebbende die zich geconfronteerd ziet met een te betalen ontnemingsvordering en een over het jaar van verwerving van illegale inkomsten opgelegde belastingaanslag, kan betalingen op de ontnemingsvordering in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen in het jaar van betaling. 

Een eventueel resulterend verlies uit werk en woning kan vervolgens met de drie voorafgaande en negen volgende kalenderjaren worden verrekend. Indien uiteindelijk de volledige ontnemingsvordering wordt betaald en afgetrokken komt het, althans binnen die verrekeningstermijnen, dus niet tot enige vorm van economische dubbele heffing. 

Daarmee is, volgens de A-G, het principe gegeven. Dat neemt niet weg dat ook in het ideale, in de praktijk waarschijnlijk niet zo vaak voorkomende, geval dat een belanghebbende de ontnemingsvordering (uiteindelijk) geheel betaalt, rente- en financieringsnadelen kunnen optreden, doordat verzuimd is het illegaal verkregen voordeel rentedragend te sparen. Pijnlijker wordt het wanneer een belanghebbende ten tijde van betaling op een ontnemingsvordering, is gekomen voorbij de tijdsgrenzen van de verliesverrekening. 

De A-G meent echter dat dit niet kan afdoen aan het principe en in de wetsgeschiedenis kennelijk is aanvaard. De tekst van het Besluit geeft, volgens de A-G, geen aanleiding tot de veronderstelling dat wederrechtelijk verkregen voordelen, welke zijn of kunnen worden getroffen door een ontnemingsmaatregel niet, althans vooralsnog, kunnen worden belast. Het eerste middel faalt. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat niet aan enige brief of mededeling van de Inspecteur het vertrouwen kan worden ontleend dat ingeval de ontnemingsmaatregel onherroepelijk zou komen vast te staan, de aanslag zou worden verminderd met het bedrag van de definitieve ontnemingsmaatregel, tot op nihil. 

Volgens de A-G falen de tegen dat oordeel van het Hof gerichte motiveringsklachten. 

In het derde middel heeft belanghebbende in cassatie geklaagd over overschrijding van een redelijke termijn van berechting, zowel in hoger beroep als met betrekking tot de gehele procedure van de indiening van het bezwaarschrift tot aan het te verwachten arrest van de Hoge Raad. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de gehele procedure na negen jaar (gerekend vanaf indiening bezwaarschrift) nog steeds niet definitief is beslecht. Bovendien acht belanghebbende ook in de hoger beroepsprocedure de redelijke termijn overschreden, doordat die twee jaar en negen maanden heeft geduurd. In verband daarmee vordert belanghebbende in deze procedure vergoeding van geleden immateriële schade wegens door die overschrijding(en) ontstane spanning en frustratie. Bij het Hof heeft het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden meer dan twee jaar na de aanvang van de procedure in hoger beroep, waarmee de redelijke termijn van berechting in principe is overschreden. Dat betekent, volgens de A-G, dat belanghebbende uiterlijk tijdens die zitting om schadevergoeding had moeten verzoeken. Omdat belanghebbende bij het Hof niet heeft geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn, behoefde het Hof zijn kennelijk impliciete ambtshalve oordeel dat de redelijke termijn niet was overschreden, niet te motiveren. 

De A-G meent dat dit wellicht anders zou kunnen worden wanneer deze zaak als evident niet-ingewikkeld te kenmerken zou zijn en het procesdossier objectieve aanwijzingen zou bevatten dat de redelijke termijn duidelijk is overschreden. Deze zaak heeft echter volgens de A-G een boven gemiddelde zwaarte, zodat van een evidente overschrijding geen sprake is. Belanghebbendes beroep op overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep is daarmee, naar de A-G meent, tardief te achten. 

De A-G merkt op dat ten tijde van die zitting bij het Hof de totale behandelingsduur al meer dan acht jaar bedroeg. Dat betekent volgens de A-G dat belanghebbende ook in zoverre uiterlijk tijdens die zitting had moeten klagen. Nu hij dat niet heeft gedaan moet ook in zoverre tardiefverklaring volgen. Ook het derde middel faalt. Overigens heeft de Staatssecretaris van Financiën in zijn verweerschrift in cassatie gesteld dat de Minister van Veiligheid en Justitie in de zaak moet worden betrokken in verband met de gestelde overschrijding van een redelijke termijn van berechting. Dienaangaande merkt de A-G op dat aangezien hij van mening is dat het derde middel niet tot cassatie kan leiden, zodat het niet zal komen tot toekenning van de verlangde immateriële schadevergoeding, hier niet wordt toegekomen aan het betrekken van de Minister van Veiligheid en Justitie in deze procedure. 

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Klik hier voor de volledige conclusie.
Print Friendly and PDF ^

Motivering opgelegde geldboete

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4102

Feiten
Het Hof heeft verdachte ter zake van de voortgezette handeling van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en een ander bewegen tot prostitutie veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden alsmede een geldboete van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis. Het Hof heeft deze straf als volgt gemotiveerd:


"Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte ten koste van de belangen persoonlijk financieel gewin heeft nagestreefd. Het hof acht uit een oogpunt van vergelding en preventie in verband met het onder 3A en 3B bewezen verklaarde feit - en dus ongeacht een mogelijke veroordeling van verdachte tot betaling van een bedrag dat strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - met toepassing van art. 9, derde lid, Sr naast oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegging van een geldboete geboden. Bij de bepaling van de hoogte heeft het hof rekening gehouden met het beperkte aandeel van verdachte in de mensenhandel met betrekking tot betrokkene 3 en het aandeel van verdachte in de criminele organisatie. Het heeft voorts op de voet van art. 24 Sr rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte niet in staat is de boete te betalen."

Middel

Het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde geldboete van € 25.000,- niet zonder meer begrijpelijk is.

Hoge Raad

Het middel steunt blijkens de daarop gegeven toelichting in de eerste plaats op de opvatting dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de geldboete die hij overweegt op te leggen, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel leidt tot toewijzing van die vordering. In de tweede plaats steunt het middel op de opvatting dat de rechter reeds bij het bepalen van de hoogte van de geldboete moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen.

Beide opvattingen vinden geen steun in het recht. Gelet op de doeleinden die in dit geval door het Hof blijkens zijn strafmotivering zijn beoogd met de opgelegde geldboete en de factoren die het Hof heeft betrokken bij het bepalen van de hoogte van de boete, waaronder ook de draagkracht van de verdachte, is de oplegging van de geldboete toereikend gemotiveerd.

De klacht faalt.

Print Friendly and PDF ^