Vordering benadeelde partij. Kosten rechtsbijstand. Liquidatietarief.

HR 11 september 2012, LJN BX4442

Feiten
Het hof acht voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 29.165,71, te vermeerderen met de wettelijke rente.
 
Benadeelde heeft € 1.963,97 gevorderd voor de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank stond een bedrag tot maximaal € 410,- toe, het hof wijst maximaal € 579,- toe. Het hof heeft dit gebaseerd op het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven in plaats van voor kantonzaken voor de vaststelling van de vergoeding. Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden waarom hiervan afgeweken zou moeten worden.

Het middel

Het middel klaagt dat het Hof aan de benadeelde partij een bedrag, althans een hoger bedrag dan in eerste aanleg was toegekend, heeft toegewezen als vergoeding voor kosten voor rechtsbijstand, althans dat die beslissing tot toewijzing ontoereikend is gemotiveerd.

Oordeel HR


Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361, vijfde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Gelet op de aard van die kosten, staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten (vgl. HR 18 april 2000, LJN ZD1786, NJ 2000/413). De wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken strekken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend (vgl. HR 22 mei 1935, NJ 1936/1064 en HR 29 mei 2001, LJN AB1819, NJ 2002/123).

Door Annoeska Rubbens
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF