Motivering opgelegde geldboete

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4102

Feiten
Het Hof heeft verdachte ter zake van de voortgezette handeling van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en een ander bewegen tot prostitutie veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden alsmede een geldboete van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis. Het Hof heeft deze straf als volgt gemotiveerd:


"Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte ten koste van de belangen persoonlijk financieel gewin heeft nagestreefd. Het hof acht uit een oogpunt van vergelding en preventie in verband met het onder 3A en 3B bewezen verklaarde feit - en dus ongeacht een mogelijke veroordeling van verdachte tot betaling van een bedrag dat strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - met toepassing van art. 9, derde lid, Sr naast oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegging van een geldboete geboden. Bij de bepaling van de hoogte heeft het hof rekening gehouden met het beperkte aandeel van verdachte in de mensenhandel met betrekking tot betrokkene 3 en het aandeel van verdachte in de criminele organisatie. Het heeft voorts op de voet van art. 24 Sr rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte niet in staat is de boete te betalen."

Middel

Het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde geldboete van € 25.000,- niet zonder meer begrijpelijk is.

Hoge Raad

Het middel steunt blijkens de daarop gegeven toelichting in de eerste plaats op de opvatting dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de geldboete die hij overweegt op te leggen, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel leidt tot toewijzing van die vordering. In de tweede plaats steunt het middel op de opvatting dat de rechter reeds bij het bepalen van de hoogte van de geldboete moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen.

Beide opvattingen vinden geen steun in het recht. Gelet op de doeleinden die in dit geval door het Hof blijkens zijn strafmotivering zijn beoogd met de opgelegde geldboete en de factoren die het Hof heeft betrokken bij het bepalen van de hoogte van de boete, waaronder ook de draagkracht van de verdachte, is de oplegging van de geldboete toereikend gemotiveerd.

De klacht faalt.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF