Afwijzing getuigenverzoeken. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen met betrekking tot vereisten voor opgave van getuigen of deskundigen als bedoeld in art. 410 lid 3 Sv en de beperkte toetsing door de Hoge Raad van het oordeel of sprake is van een dergelijke opgave.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4150


Het middel klaagt onder meer dat het Hof het verzoek tot het horen van getuige 4 en betrokkene 9 als getuigen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.

De raadsvrouwe heeft bij appelschriftuur van 6 augustus 2008 de volgende personen als getuigen opgegeven: "Alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt. Na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting en de aanvulling van het verkorte vonnis zullen namens appellant de wensen omtrent de te horen getuigen nader worden gepreciseerd."

Vervolgens heeft raadsvrouwe op 17 maart 2009 een brief aan het Hof gezonden inzake een verzoek tot het oproepen van getuigen. Deze brief houdt onder meer in:
"[Getuige 4]
Deze persoon kan verklaren over [betrokkene 10]. Zij heeft in dezelfde periode in Vinkeveen gewoond en in Utrecht gewerkt.
[Betrokkene 9]
Deze persoon kan verklaren over [betrokkene 10]. Zij heeft in dezelfde periode in Vinkeveen gewoond en in Utrecht gewerkt. [Betrokkene 10] verklaart over haar bij de politie op 14 augustus 2007 bladzijde 016864."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2009 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Voor wat betreft het horen van getuigen verwijs ik naar mijn brief van 16 maart jongstleden. (...)
[Getuige 4] is nog niet eerder gehoord.
De getuige "[betrokkene 9]". Deze vrouw wordt genoemd in de verklaring van [betrokkene 10]. Over de identiteit van deze [betrokkene 9] heb ik geen verdere gegevens. Mogelijk is dit via de politie Utrecht te achterhalen omdat de vrouwen die werkten aan het Zandpad geregistreerd stonden bij de politie."

Het Hof heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen afgewezen en daartoe het volgende overwogen: "Met betrekking tot de gevraagde getuige [getuige 4] is het hof van oordeel dat de motivering van het verzoek haar nader te horen onvoldoende concreet is, in het bijzonder wat betreft de vraagstelling. Het enkele feit dat deze getuige heeft verklaard dat [betrokkene 10] in Vinkeveen heeft gewoond en in Utrecht heeft gewerkt is onvoldoende om haar nader te horen. Hetzelfde geldt voor "[betrokkene 9]", van wie bovendien geen nadere personalia bekend zijn. De verzoeken worden afgewezen, nu het horen niet van belang is voor enige te nemen beslissing."
 
Hoge Raad

In art. 410, derde lid, Sv in verbinding met art. 263, tweede lid, Sv ligt als vereiste besloten dat de daar bedoelde opgave van getuigen of deskundigen voldoende stellig en duidelijk als zodanig in de appelschriftuur moet zijn vermeld. De beoordeling van de vraag of een appelschriftuur zo'n opgave van getuigen of deskundigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv bevat, is aan het Hof. Zijn oordeel dienaangaande kan als steunend op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg der gedingstukken, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (vgl. HR 26 juni 2012, LJN BW9036).

Het Hof heeft kennelijk de bij appelschriftuur gedane opgave van "alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt" niet aangemerkt als een verzoek tot oproeping van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, zodat in gevolge art. 418, derde lid, Sv de noodzaak tot het horen van de getuigen de voor de beslissing toepasselijke maatstaf is. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof geoordeeld dat de aanvullende brief waarin wordt verzocht om [getuige 4] en '[betrokkene 9]' als getuigen op te roepen dit niet anders maakt.

Voorts heeft het Hof de aanvullende brief kennelijk niet aangemerkt als een overeenkomstig art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263, tweede en derde lid, Sv gedaan verzoek tot oproeping. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat dit verzoek niet binnen de wettelijke termijn en bij de juiste instantie is ingediend. 's Hofs afwijzing van het gedane verzoek getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde, gelet op hetgeen door de verdediging daaraan ten grondslag is gelegd, geen nadere motivering.

De klacht faalt.
 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF