Stempelvonnis ex art. 378a Sv en het verlenen van verlof ex art. 410a Sv. Uitgebreide conclusie AG.

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4472

Feiten
De verdachte is door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens medeplegen van handelen in strijd met art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een geldboete van € 150,- en subsidiair 3 dagen hechtenis.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman aldaar met een beroep op de beslissing van het VN-Mensenrechtencomité nr. 1797/2008 van 30 juli 2010 aangevoerd dat, op straffe van schending van art. 14, vijfde lid, IVBPR, het dossier diende te worden aangevuld met een uitgewerkt vonnis en proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en dat, indien dit onmogelijk zou blijken te zijn, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig behoorde te worden verklaard, met terugwijzing van de zaak naar de Politierechter.

Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen en beslist: "Het hof is van oordeel dat de kritiek van het Mensenrechtencomité enkel ziet op het verlofstelsel en de omstandigheid dat men bij het niet verlenen van verlof een tweede instantie mist. In casu is wel verlof verleend en is de zaak opnieuw feitelijk aan de orde. Indien het hof het verweer van de raadsman zou volgen, betekent dit dat de door de wet geboden mogelijkheid van het wijzen van een stempelvonnis niet door de beugel zou kunnen. Zo ruim interpreteert het hof de uitspraak niet. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. In de eerste plaats ziet het hof geen aanleiding tot het opvragen van een uitgewerkt proces-verbaal van de zitting en een uitgewerkt vonnis, zodat er geen reden is voor terugwijzing naar de politierechter.

Middel

Het middel klaagt primair dat het hof in hoger beroep ten gronde heeft rechtgedaan zonder te kunnen beschikken over een uitgewerkt vonnis en een proces-verbaal van de zitting waarop de zaak in eerste aanleg inhoudelijk werd behandeld.

Hoge Raad

's Hofs oordeel geeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De primaire klacht faalt derhalve.

Subsidiair klaagt het middel dat "het hof ten onrechte het namens requirant gevoerde verweer, kort samengevat primair strekkende tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de stukken aan te vullen met een uitgewerkt vonnis en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg en subsidiair strekkende tot nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, heeft verworpen, althans het hof dit verweer heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen".

De klacht miskent dat indien in eerste aanleg toepassing is gegeven aan art. 378a Sv op grond van art. 422, tweede lid, Sv de beraadslaging als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv alleen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep plaatsvindt (vgl. HR 27 januari 1987, LJN AC9693, NJ 1987/886), zoals te dezen blijkens het bestreden arrest is geschied.

In aanmerking genomen voorts dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het door de raadsman aangevoerde niet kan leiden tot inwilliging van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de Politierechter (vgl. HR 7 mei 1996, LJN ZD0442, NJ 1996/557), faalt ook de subsidiaire klacht.


Advocaat-generaal Vegter gaat nog uitgebreid in op het verlofstelsel en in dat kader het EVRM, IVBPR en Human Rights Committee.
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF