Conclusie PG

Hoge Raad 15 juni 2012, LJN BX0942

Het gaat in deze conclusie om de toelaatbaarheid van belastingheffing over inkomsten uit criminele activiteiten in samenhang met een strafrechtelijke ontnemingsmaatregel ter zake van wederrechtelijk verkregen voordeel. 

Voorts heeft belanghebbende in cassatie geklaagd over overschrijding van een redelijke termijn van berechting en heeft in verband daarmee vergoeding van geleden immateriële schade verzocht. In dit kader speelt de formele vraag in welk stadium van de fiscale procedure een belanghebbende moet ageren in verband met overschrijding van een redelijke termijn van berechting.
Het eerste middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat het Besluit van 31 oktober 2001, nr. DGB 2001/601, er niet aan in de weg staat dat strafrechtelijk reeds ontnomen en/of nog te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordelen (tevens) in de belastingheffing kunnen worden betrokken. 

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbendes wederrechtelijk verkregen inkomsten moeten worden aangemerkt als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden als bedoeld in art. 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 1964. Een belanghebbende die zich geconfronteerd ziet met een te betalen ontnemingsvordering en een over het jaar van verwerving van illegale inkomsten opgelegde belastingaanslag, kan betalingen op de ontnemingsvordering in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen in het jaar van betaling. 

Een eventueel resulterend verlies uit werk en woning kan vervolgens met de drie voorafgaande en negen volgende kalenderjaren worden verrekend. Indien uiteindelijk de volledige ontnemingsvordering wordt betaald en afgetrokken komt het, althans binnen die verrekeningstermijnen, dus niet tot enige vorm van economische dubbele heffing. 

Daarmee is, volgens de A-G, het principe gegeven. Dat neemt niet weg dat ook in het ideale, in de praktijk waarschijnlijk niet zo vaak voorkomende, geval dat een belanghebbende de ontnemingsvordering (uiteindelijk) geheel betaalt, rente- en financieringsnadelen kunnen optreden, doordat verzuimd is het illegaal verkregen voordeel rentedragend te sparen. Pijnlijker wordt het wanneer een belanghebbende ten tijde van betaling op een ontnemingsvordering, is gekomen voorbij de tijdsgrenzen van de verliesverrekening. 

De A-G meent echter dat dit niet kan afdoen aan het principe en in de wetsgeschiedenis kennelijk is aanvaard. De tekst van het Besluit geeft, volgens de A-G, geen aanleiding tot de veronderstelling dat wederrechtelijk verkregen voordelen, welke zijn of kunnen worden getroffen door een ontnemingsmaatregel niet, althans vooralsnog, kunnen worden belast. Het eerste middel faalt. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat niet aan enige brief of mededeling van de Inspecteur het vertrouwen kan worden ontleend dat ingeval de ontnemingsmaatregel onherroepelijk zou komen vast te staan, de aanslag zou worden verminderd met het bedrag van de definitieve ontnemingsmaatregel, tot op nihil. 

Volgens de A-G falen de tegen dat oordeel van het Hof gerichte motiveringsklachten. 

In het derde middel heeft belanghebbende in cassatie geklaagd over overschrijding van een redelijke termijn van berechting, zowel in hoger beroep als met betrekking tot de gehele procedure van de indiening van het bezwaarschrift tot aan het te verwachten arrest van de Hoge Raad. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de gehele procedure na negen jaar (gerekend vanaf indiening bezwaarschrift) nog steeds niet definitief is beslecht. Bovendien acht belanghebbende ook in de hoger beroepsprocedure de redelijke termijn overschreden, doordat die twee jaar en negen maanden heeft geduurd. In verband daarmee vordert belanghebbende in deze procedure vergoeding van geleden immateriële schade wegens door die overschrijding(en) ontstane spanning en frustratie. Bij het Hof heeft het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden meer dan twee jaar na de aanvang van de procedure in hoger beroep, waarmee de redelijke termijn van berechting in principe is overschreden. Dat betekent, volgens de A-G, dat belanghebbende uiterlijk tijdens die zitting om schadevergoeding had moeten verzoeken. Omdat belanghebbende bij het Hof niet heeft geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn, behoefde het Hof zijn kennelijk impliciete ambtshalve oordeel dat de redelijke termijn niet was overschreden, niet te motiveren. 

De A-G meent dat dit wellicht anders zou kunnen worden wanneer deze zaak als evident niet-ingewikkeld te kenmerken zou zijn en het procesdossier objectieve aanwijzingen zou bevatten dat de redelijke termijn duidelijk is overschreden. Deze zaak heeft echter volgens de A-G een boven gemiddelde zwaarte, zodat van een evidente overschrijding geen sprake is. Belanghebbendes beroep op overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep is daarmee, naar de A-G meent, tardief te achten. 

De A-G merkt op dat ten tijde van die zitting bij het Hof de totale behandelingsduur al meer dan acht jaar bedroeg. Dat betekent volgens de A-G dat belanghebbende ook in zoverre uiterlijk tijdens die zitting had moeten klagen. Nu hij dat niet heeft gedaan moet ook in zoverre tardiefverklaring volgen. Ook het derde middel faalt. Overigens heeft de Staatssecretaris van Financiën in zijn verweerschrift in cassatie gesteld dat de Minister van Veiligheid en Justitie in de zaak moet worden betrokken in verband met de gestelde overschrijding van een redelijke termijn van berechting. Dienaangaande merkt de A-G op dat aangezien hij van mening is dat het derde middel niet tot cassatie kan leiden, zodat het niet zal komen tot toekenning van de verlangde immateriële schadevergoeding, hier niet wordt toegekomen aan het betrekken van de Minister van Veiligheid en Justitie in deze procedure. 

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Klik hier voor de volledige conclusie.
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF