Veroordeling "spil" in criminele organisatie die zich bezighield met valsheid in geschrifte, faillissementsfraude en omzetbelastingfraude. Hof: Het opnemen van valse facturen in de administratie is niet strafbaar als belastingdelict

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1365

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met valsheid in geschrifte, faillissementsfraude en omzetbelastingfraude. De verdachte heeft zich daarbij persoonlijk, als bestuurder van bedrijf 8, beziggehouden met faillissementsfraude en is tevens, als feitelijk leidinggevende, betrokken geweest bij andere strafbare feiten, die door bedrijf 8 en bedrijf 1 zijn begaan (valsheid in geschrifte en omzetbelastingfraude). De verdachte was de spil van de criminele organisatie.

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit in subsidiaire zin bepleit dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat er sprake is van valse in- en verkoopfacturen, laat staan dat de verdachte daarbij als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest. Een bewezenverklaring zou hoofdzakelijk berusten op de belastende onderdelen van de verklaringen van medeverdachte D, terwijl diens verklaringen doorspekt zijn van aannames en conclusies en daarom niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt, aldus de raadsvrouwe.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof gaat, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, uit van de betrouwbaarheid van de voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachte D.

De verdediging kan weliswaar worden toegegeven dat hij wisselend heeft verklaard en dat in zijn verklaring ten overstaan van de raadsheer-commissaris op onderdelen omstandigheden naar voren komen die hij niet zelf heeft waargenomen of ondervonden, maar daartegenover staat dat ook na eliminatie van die onderdelen een overtuigende bevestiging resteert van de eerdere, voor de verdachte belastende, verklaringen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat hij bij de raadsheer-commissaris een duidelijke uitleg heeft gegeven voor de wisselingen in zijn verklaringen:

“U houdt mij voor dat ik bij mijn eerste FIOD verhoor heb verklaard dat ik het voor het zeggen had bij bedrijf 1 en dat ik bij mijn tweede tot en met vijfde verhoor bij de FIOD heb verklaard over facturen die ik in opdracht van de verdachte in de administratie heb verwerkt, en dat ik bij de rechter-commissaris weer anders heb verklaard. U vraagt mij hoe het komt dat mijn verklaringen zo verschillend zijn. In die tijd, voor het verhoor bij de rechter-commissaris, zagen voornaam van verdachte (het hof: de verdachte ) en ik elkaar regelmatig en hij zou ook zorgen dat ik een advocaat zou krijgen. U vraagt mij hoe het zit met het verschil tussen het eerste en tweede tot en met vijfde FIOD verhoor. Tijdens de lunchpauze hebben zij mij op mijn rechten en plichten gewezen. Ik kreeg steeds meer punten waar ik niet uitkwam. Ik was nog nooit eerder in contact gekomen met justitie. Toen heb ik een besluit genomen om het uit te leggen in plaats van 103 dagen in bewaring te zitten. Met uitleggen bedoel ik vertellen zoals het werkelijk gegaan is.”

Het hof neemt ten aanzien van zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van meerbedoelde verklaringen voorts in aanmerking dat hij daarin authentiek overkomt en daarmee ook zichzelf belast. Bovendien vinden de verklaringen steun in de verklaringen van medeverdachten. Zo hebben de medeverdachten A en F ook verklaard over de leidinggevende rol van de verdachte bij bedrijf 1 en over het op verzoek van de verdachte opmaken van valse facturen.

De betrokkenheid van de verdachte reikt dan ook veel verder dan het optreden als een commissionair, zoals de verdachte heeft verklaard en door de raadsvrouwe is aangevoerd. De verdachte heeft, zo volgt uit de bewijsmiddelen, grote feitelijke betrokkenheid gehad bij de strafbare feiten die door bedrijf 1 zijn begaan. Het hof is daarom met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte, evenals medeverdachte D overigens, als feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 was te beschouwen.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt ook vastgesteld dat de in de bewezenverklaring omschreven in- en verkoopfacturen vals waren. Het hof sluit zich ten aanzien daarvan aan bij de motivering van de rechtbank. Hetgeen de raadsvrouwe daartegen heeft ingebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

In het voorgaande ligt besloten dat ook het verweer van de raadsvrouwe ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit niet slaagt. Uit de betrouwbaar geachte verklaringen van medeverdachte D volgt immers dat de verdachte ook ten aanzien van de in de bewezenverklaring omschreven aangiften een leidinggevende rol heeft gehad. Dat geldt ook ten aanzien van de aangiften over het tweede kwartaal van 2005 tot en met het tweede kwartaal van 2006. Medeverdachte D heeft tenslotte ten overstaan van de FIOD verklaard:

“Na de zoeking van 12 april 2005 is alles op verzoek van de verdachte gewoon doorgegaan, zoals voor 12 april 2005. (…) de verdachte heeft tegen mij gezegd dat ik op de aangiftebiljetten omzetbelasting van bedrijf 1 vanaf 12 april 2005 tot en met heden geen te betalen omzetbelasting moest aangeven.” (V25-05, pagina 2).

Voorts heeft hij verklaard:

“Elke keer als er een aangifte voor de BTW voor bedrijf 1 na 12 april 2005 moest worden gedaan kreeg ik het weer benauwd. Ik besprak met de verdachte dat ik er weinig voor voelde om weer een valse aangifte BTW in te dienen. Elke keer weer wist de verdachte mij te overtuigen dat hij het zou oplossen.”(V25-06, pagina 2).

Na te zijn geconfronteerd met de omzet van bedrijf 1 over 2005 en het eerste kwartaal van 2006, verklaarde hij ook:

“de verdachte wilde nooit de gefactureerde en verschuldigde omzetbelasting betalen. Het hele gedoe met het valselijk facturen, het inboeken van de valse inkoop en exportfacturen ging er nu juist om om met de BTW te frauderen. Als we juist en volledig hadden aangegeven had het hele gedoe geen enkel nut gehad.” (V25-06, pagina 5)

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit volgt het hof in grote lijnen de redenering van de rechtbank. Het verweer van de raadsvrouwe, dat zich tegen die redenering keert, wordt verworpen.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat medeverdachte E op 10 september 2003 het faillissement van bedrijf 8 heeft aangevraagd en dat onder andere de facturen D/123 t/m D/126 aan die aanvraag ten grondslag hebben gelegen.

Op grond van de verklaring van medeverdachte G, de secretaresse van medeverdachte E, en de resultaten van het onderzoek van de FIOD kan worden vastgesteld dat de factuur D/126 - gedateerd 6 januari 2003 - op 3 september 2003 is opgemaakt. Die factuur ziet op een (vermeende) “taxatie ter plaatse te Oudenbosch” van een “Krone oplegger” door bedrijf 13. De datum waarop die taxatie zou hebben plaatsgevonden, vermeldt de factuur niet. In het dossier bevindt zich echter ook een verkoopfactuur die betrekking heeft op de Krone oplegger (factuur D/129). Die factuur, afkomstig van bedrijf 8 en gericht aan bedrijf 14, is gedateerd van 14 oktober 2002. De inkoper van laatstgenoemde firma was destijds de getuige H. Hij heeft, naar aanleiding van een vraag over de hiervoor genoemde verkoopfactuur, onder meer verklaard:

“Ik herken deze factuur. Dat is de factuur van de aankoop door bedrijf 14 van dat containerchassis (…). Ik ben met een chauffeur van bedrijf 14 naar Meer gereden met een vrachtwagentrekker. Er werd door bedrijf 14 telefonisch betaald. Toen dat was geregeld konden we het chassis meenemen. Dat was in oktober 2002. (…) Er is onderhandeld over de prijs. (…) Ik wist wat een chassis nieuw moest kosten en de prijs die bedrijf 8 (het hof: bedrijf 8 ) vroeg was scherp. Daarom heb ik niet laten taxeren. Ik denk ook niet dat dat gebruikelijk is. (…) Er is niet getaxeerd.” (G06-01, pagina 2 en 3)

Nadat hem de taxatiefactuur (D/126) wordt voorgehouden, verklaarde hij:

“Ik zie dit voor het eerst, het zegt mij niets. Ik heb dit nog nooit gezien. In januari 2003 was het chassis al in het bezit van bedrijf 14 Ik weet niets van een taxatie af. (…) Het chassis is ook niet meer terug geweest bij bedrijf 8 na oktober 2002. Wij laten het onderhoud van het chassis ook niet uitvoeren door bedrijf 8. Er is niet getaxeerd in januari 2003.” (G06-01, pagina 3)

Het hof zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de verklaringen van medeverdachte G en getuige H zou moeten worden getwijfeld. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de oplegger in ieder geval niet is getaxeerd in de periode na 14 oktober 2002. Dat de taxatie eerder zou hebben plaatsgevonden, is niet gesteld ( E verklaarde zeker te weten dat de taxatie in december 2002/januari 2003 heeft plaatsgevonden), maar ook niet aannemelijk. Immers, in het dossier bevindt zich ook een inkoopfactuur (D/128) van de oplegger; ook die factuur is gedateerd van 14 oktober 2002. Opvallend is dat, indien deze gegevens de werkelijke gang van zaken zouden weergeven, bedrijf 8 in een zeer kort tijdsbestek een verliesgevende transactie zou moeten zijn aangegaan: de inkoopprijs zou namelijk € 17.000,-- exclusief BTW zijn geweest, de verkoopprijs € 17.500,-- exclusief BTW en de taxatiekosten € 1.750,--. Ook dat maakt de gang van zaken allerminst aannemelijk. De getuige H bracht het als volgt onder woorden:

“Het lijkt mij sterk dat bedrijf 8 iets met verlies heeft verkocht. Ik had niet de indruk dat bedrijf 8 van dat chassis af moest. (…) Zo te zien doet bedrijf 8 iets niet goed.” (G06-01, pagina 4)

Het hof komt daarom tot de conclusie dat de factuur D/126 vals moet zijn geweest. Dat het valselijk opmaken is begaan door een nauwe en bewuste samenwerking tussen bedrijf 8 en E, die daarbij handelde onder de naam van bedrijf 13, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, kan onder meer uit de door E bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring worden afgeleid: 

“de verdachte had een waardebepaling nodig van (…) die Krone oplegger. (…) Ik heb alleen een factuur met daarop vermeld de waardebepaling aan De bedrijf 8 verzonden. (…) De taxatie (het hof: beweerde taxatie) is uitgevoerd door mij in privé onder de naam bedrijf 13.”

Naar het oordeel van het hof moeten de facturen D/123 t/m D/125 tegen deze achtergrond worden bezien. Deze facturen - respectievelijk gedateerd 30 juni 2003, 24 juli 2003 en 21 augustus 2003 - zien op de huur van kantoorruimte aan een adres te Baarle-Nassau voor achtereenvolgens de maanden juli, augustus en september van het jaar 2003. De facturen zijn afkomstig van een ander bedrijf van E, namelijk bedrijf 11, en gericht aan bedrijf 8 Uit de huurovereenkomst volgt echter dat de kantoorruimte werd verhuurd aan bedrijf 12, een ander bedrijf van de verdachte. Medeverdachte E heeft ten overstaan van de FIOD onder meer verklaard:

“De huurder van het kantoor boven, unit 8, moest met ingang van 1 juli 2003 niet meer bedrijf 12 maar bedrijf 8 (…) zijn. Ik had die afspraak mondeling met de verdachte gemaakt op 11 juni 2003 (…). Ik heb voornaam van G (het hof: medeverdachte G ) opdracht gegeven (…) om de reeds uitgeschreven en uitgereikte huurnota’s over de maanden juli tot en met september 2003, D/123 tot en met D/125, aan bedrijf 12 om te zetten in bedrijf 8, zoals eerder was afgesproken met de verdachte. (…) De naamswijziging is van de verdachte gekomen.” (V14-03, pagina 4 en 5)

Medeverdachte G heeft voorts ten overstaan van de FIOD verklaard:

"Huurfacturen maakte ik absoluut niet van tevoren op. De facturen voorzien van de stickers met bijlagennummer D/123 tot en met D/125 heb ik oorspronkelijk opgemaakt met als geadresseerde bedrijf 12 op of omstreeks de op de facturen vermelde data. Ik moet dus (het hof: gelet op de data van de facturen) na 21 augustus 2003 de opdracht van mijn directeur E hebben gekregen om de tenaamstelling van de oorspronkelijke huurder bedrijf 12 om te zetten in bedrijf 8 ”(V29-01, pagina 4)

Voor zover E heeft verklaard dat ook de huurovereenkomst van bedrijf 12 naar bedrijf 8 zou zijn overgezet, is het hof met de rechtbank van oordeel dat aan die verklaring geen geloof kan worden gehecht. Die verklaring wordt niet gesteund door enig bewijsmiddel. Zo is er bijvoorbeeld geen schriftelijke huurovereenkomst met bedrijf 8 aangetroffen in de administratie van de bedrijven van E.

De verklaring van medeverdachte G duidt bovendien op het tegendeel. Dat van haar verklaring moet worden uitgegaan, blijkt ook uit een brief (D/440) die in opdracht van E naar bedrijf 12 is uitgegaan. Die brief is gedateerd van 30 juni 2003 - en aldus ruim nadat de afspraak zou zijn gemaakt om de huurovereenkomst over te zetten naar bedrijf 8 - en vermeldt dat alle openstaande huurnota’s tot en met juni 2003 per kas zijn voldaan en dat de huurnota voor juli 2003 is bijgevoegd.

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande (derhalve eveneens op grond van hetgeen ten aanzien factuur D/126 is overwogen) dat het niet anders kan zijn dan dat de facturen D/123 t/m D/125 valselijk zijn opgemaakt ten behoeve van de faillissementsaanvraag van bedrijf 8.

Een extra aanwijzing dat die conclusie juist is, is gelegen in de omstandigheid dat de originele facturen zich bevonden in het faillissementsdossier dat E had opgemaakt voor de aanvraag van het faillissement van bedrijf 8, terwijl in de administratie van bedrijf 8 louter kopiefacturen zijn aangetroffen. In het handelsverkeer is het immers zeer gebruikelijk om de originele factuur toe te zenden aan degene voor wie de factuur is bestemd.

Het valselijk opmaken moet gelet daarop hebben plaatsgevonden ná 21 augustus 2003 (verklaring medeverdachte G ) en vóór 10 september 2003 (dag waarop het faillissement is aangevraagd).

Naar het oordeel van het hof is dat het resultaat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen bedrijf 8 en bedrijf 11, in die zin dat E degene is geweest die aan medeverdachte G (als secretaresse van zijn bedrijf bedrijf 11 ) de opdracht heeft gegeven om de huurfacturen opnieuw op te maken en dat de verdachte daarbij betrokken was als feitelijk leidinggevende van bedrijf 8.

Bij het oordeel omtrent de betrokkenheid van de verdachte ten aanzien van alle hiervoor genoemde facturen betrekt het hof, evenals de rechtbank, nog dat die niet alleen een uitvloeisel waren van tussen E en de verdachte gemaakte afspraken, maar dat de verdachte ook wist dat die afspraken daadwerkelijk hadden geresulteerd in het valselijk opmaken van facturen. De verdachte heeft immers, toen hij op 8 september 2003 werd aangemaand om de facturen nog dezelfde dag te betalen, op 9 september 2003 een fax naar E gestuurd met de boodschap dat hij niks meer zou betalen; uit de bijlage bij dat faxbericht blijkt dat hij daarbij doelde op de meergenoemde facturen (D/424 en D425). Dat de verdachte samen met E het plan heeft opgevat om de facturen valselijk op te maken, ligt ook in de rede, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen: de verdachte had namelijk belang bij het gebruik van die facturen.

Het hof verwerpt ten slotte ook het verweer van de raadsvrouwe ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit. Het hof verwijst daarvoor naar de uitgebreide overwegingen van de rechtbank, als weergegeven op pagina 24 tot en met 29 van het vonnis, en maakt die tot de zijne. Anders dan de raadsvrouwe meent, volgt daaruit dat het bewijs voor deelneming aan een criminele organisatie toereikend is.

Het voorwaardelijke verzoek dat de raadsvrouwe in dit verband heeft gedaan, namelijk het verzoek tot het horen van medeverdachte I, wordt door het hof afgewezen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak daartoe ontbreekt. Daarbij heeft het hof enerzijds gelet op hetgeen de raadsvrouwe daaromtrent naar voren heeft gebracht en anderzijds op de steun die de verklaringen van medeverdachte I vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van medeverdachten A en B.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon baten niet verantwoorden of enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
  • Feit 4: Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van ingevolge de Invorderingswet 1990 verplicht zijnde inlichtingen of gegevens te verstrekken, deze opzettelijk onjuist verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 6: Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, en feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging 

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk in de vervolging wegens overschrijding redelijke termijn. Vervolging i.v.m. in georganiseerd verband opzettelijk overtreden van de Wet op de accijns duurt bijna 13 jaar.

Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1356

Het hof staat voor de vraag of de vervolging tegen de verdachte, die inmiddels bijna 13 jaar duurt, nog moet worden voortgezet. Het hof heeft daartoe als uitgangspunt genomen het bepaalde in artikel 6, eerste lid EVRM dat onder meer bepaalt dat een verdachte recht heeft op een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Het zijn de staatsorganen – het openbaar ministerie en de zittende magistratuur – die daartoe de gelegenheid moeten bieden. Eerst zal derhalve dienen te worden vastgesteld of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Mocht dat het geval zijn, dan is de vraag wat de consequenties van de overschrijding van de redelijke termijn dienen te zijn. Het antwoord op die vraag kan worden gevonden enerzijds in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358, waarin de Hoge Raad heeft uitgesproken dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen maar anderzijds in het uitgangspunt dat de beslissing om tot (verdere) vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voorzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (ECLI:NL:HR:2012:BX4280). In dit spanningsveld dient het hof de voorliggende zaak te beoordelen.

Achtergrond
  • De onder 1 en 2 ten laste gelegde betreft feiten (in georganiseerd verband opzettelijk overtreden van artikel 5 van de Wet op de accijns) zouden feiten betreffen uit de periode van eind 2002 tot juni 2003. De verdachte is op verdenking hiervan aangehouden op 26 juni 2003. Hij is vervolgens gedagvaard voor de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2005.
  • Op het onderzoek ter terechtzitting van 19 oktober 2005 is de verdachte niet verschenen, maar wel de gemachtigd raadsman van de verdachte, die is gebleken niet tijdig in het bezit te zijn gesteld van verdachtes (complete) strafdossier, waarop de zaak voor onbepaalde tijd moest worden aangehouden.
  • Op 6 juli 2006 is er niemand ter terechtzitting verschenen. De raadsman heeft op voorhand door middel van een brief te kennen gegeven niet te zullen verschijnen, omdat hij zich op dat moment niet meer gemachtigd achtte aangezien hij geen contact meer had met verdachte.
  • Ter terechtzitting van 13 april 2007 is de verdachte zonder raadsman verschenen. Hij verbleef tot dat moment in het buitenland en had eerst de dag voor de zitting gehoord dat zijn zaak op 13 april 2007 zou dienen. De verdachte heeft te kennen gegeven wel de bijstand van een betaalbare advocaat te wensen en hij heeft om aanhouding verzocht wegens een gebrek aan voorbereidingstijd.
  • Op 13 juli 2007 heeft de verdachte ter terechtzitting een verklaring afgelegd en zijn verdediging gevoerd. Hij had geen bijstand van een raadsman. De zaak is aangehouden, aangezien dit in een zaak tegen een medeverdachte gebeurde en de rechtbank het wenselijk achtte dat de zaken tegelijkertijd zouden worden afgedaan. Ter terechtzitting van 15 augustus 2007 is de verdachte verschenen zonder raadsman. Hij heeft op deze zitting naar voren gebracht dat op 6 maart 2007 de officier van justitie in drie zaken van medeverdachten niet-ontvankelijk in de vervolging is verklaard wegens een schending van de redelijke termijn. De verdachte heeft verzocht de officier van justitie ook in zijn zaak niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
  • Op 29 augustus 2007 heeft de rechtbank uitspraak in zijn zaak gedaan en hem veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
  • Hiertegen is op 4 september 2007 door de verdachte hoger beroep ingesteld. De eerste terechtzitting in hoger beroep op 22 januari 2009 is aangehouden om de reden dat de raadsman van de verdachte kort voor de zitting een hartaanval had gehad.
  • De daarop volgende terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. De zaken tegen de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 zijn toen gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld. Het aanhoudingsverzoek van de raadsman is door het hof op voorhand ingewilligd wegens de in zijn brief vermelde redenen én de samenhang met de zaken tegen de medeverdachten, welke zaken eveneens op voorhand waren aangehouden.
  • Ter terechtzitting van 14 oktober 2013 is de verdachte met diens raadsvrouw verschenen. Het hof heeft het preliminaire niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsvrouw verworpen en de zaak vervolgens aangehouden wegens de verwevenheid van de zaak met de zaken tegen de medeverdachten. Het hof heeft op de terechtzitting van 14 oktober 2013 voorts bepaald dat de zaak uiterlijk in maart 2014 op de terechtzitting bij het hof dient te worden behandeld.
  • Niettegenstaande voormelde beslissing van het hof dient de zaak pas weer ter terechtzitting van 28 januari 2016. De raadsman en de verdachte zijn verschenen. De raadsvrouw heeft het hiervoor omschreven standpunt ingenomen.

Overwegingen

De procedure bij het hof heeft jarenlang geduurd, mede wegens de verknochtheid met de zaken van de, inmiddels overleden, medeverdachte 2 en de medeverdachte 1. Alles bij elkaar heeft de strafprocedure tegen de verdachte in hoger beroep acht jaren en vier maanden geduurd, terwijl de rechtbank van oordeel was, welk oordeel het hof deelt, dat in eerste aanleg sprake was van een overschrijding van één jaar en negen maanden. Voorts is het hof ambtshalve ermee bekend dat:

  • in de zaak van medeverdachte 2 sprake is geweest van tijdsverloop wegens het toewijzen van onderzoekswensen en ondervonden problemen bij de uitvoering daarvan. Hierdoor heeft ook de afdoening van de strafzaak van de verdachte, wiens zaak op dezelfde zittingen als die van medeverdachte 2 is aangebracht, ernstige vertraging ondervonden;
  • dat in de zaak van medeverdachte 1, wiens zaak op dezelfde zittingen is aangebracht als die van de verdachte, sprake is geweest van problemen bij de oproeping voor de zittingen bij het hof, en dat afhandeling van diens zaak binnen een aanvaardbare termijn na heden niet valt te verwachten. Het verzoek van de advocaat-generaal alsnog over te gaan tot afsplitsing van de zaak van de verdachte van die van medeverdachte 1 heeft het hof afgewezen wegens de verknochtheid van de zaken;
  • dat in beide zaken tegen voornoemde medeverdachten het openbaar ministerie inmiddels niet-ontvankelijk is verklaard in de strafvervolging, respectievelijk op de grond dat de verdachte (medeverdachte 2) was overleden, dan wel op de grond dat – kort samengevat – geen redelijk belang meer bestond bij de verdere vervolging van de verdachte (medeverdachte 1).

Uit het voorgaande blijkt dat de afdoening van de strafzaak van de verdachte om meerdere redenen, waarvan er geen in overwegende mate aan de verdediging valt toe te rekenen dan wel in de invloedsfeer van de verdachte of diens verdediging heeft gelegen, grote vertraging heeft ondervonden.

Bij deze stand van zaken stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is geschonden. Niet alleen heeft de procedure in eerste aanleg langer geduurd dan twee jaar, maar ook in hoger beroep is deze termijn van twee jaar ruimschoots overschreden. De gehele procedure heeft dan ook veel langer dan vier jaren geduurd (bijna 13 jaren).

Ten aanzien van de consequenties die daaraan moeten worden verbonden overweegt het hof het volgende.

De staat als verantwoordelijke voor een juiste uitvoering van internationale verdragen waaraan zij zich heeft gecommitteerd, zoals het EVRM, dient ervoor te zorgen dat schending daarvan niet plaatsvindt. In dit specifieke geval hebben de namens de staat handelende organen niet voldaan aan de verplichting als bedoeld in 6, eerste lid, van het EVRM.

Gelet op de aard van de ten laste gelegde feiten en de betrekkelijk eenvoud daarvan, in relatie tot het bijzonder lange tijdsverloop tot op heden, is het hof van oordeel dat de vervolgende staat bij een redelijke en billijke belangenafweging – daarbij mede acht slaande op de afdoening van de andere bij deze zaak betrokken verdachten (sepots en niet-ontvankelijkheid) – thans geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij een verdere strafvervolging van de verdachte. Het hof heeft hierbij betrokken het belang dat de samenleving heeft bij berechting van deze strafbare feiten. In dit uitzonderlijke geval is derhalve plaats voor een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon en dierenarts wegens fraude met documenten om Blue Tongue Virus positieve runderen te kunnen exporteren naar het buitenland. Vrijspraak voor directeur.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2961 Verdachte heeft samen met haar mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

De bloedmonsters van deze 50 runderen zijn vervangen door bloedmonsters afkomstig van (een of meer) andere runderen die negatief op het BTV waren getest en die derhalve wel geschikt waren voor genoemde export. De op deze te exporteren runderen betrekking hebbende formulieren zijn vervolgens valselijk door verdachte en haar mededaders opgemaakt. Zij hebben daarop vermeld dat de betreffende runderen, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen, alle BTV vrij waren en hebben de data van monstername van genoemde 50 runderen veranderd. Vervolgens hebben zij opzettelijk van deze formulieren gebruik gemaakt door deze, vergezeld van laatstgenoemde bloedmonsters, te doen toekomen aan het Centraal Instituut voor dierziekte Controle - Lelystad Wageningen UR (thans genaamd het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR), teneinde van dit instituut een rapport te kunnen verkrijgen waarin was vermeld dat al deze runderen BTV vrij waren, om te kunnen bewijzen dat al deze runderen geschikt waren voor de export naar Roemenië. Met dit valse rapport is de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit opgelicht. Door de inhoud van dit rapport is deze autoriteit bewogen tot de afgifte van (een) gezondheidscertific(a)t(en) voor de export van al deze runderen naar Roemenië, inclusief de hiervoor genoemde 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en die derhalve niet geschikt waren voor genoemde export. Vervolgens zijn al deze runderen geëxporteerd naar Roemenië.

Aannemelijk is geworden dat verdachte kort na het ontdekken van de feiten de nodige maatregelen heeft getroffen om soortgelijk handelen als bewezenverklaard te voorkomen.

Toerekening

Medeverdachte was ten tijde van de onder 1A, 2A en 3A gepleegde feiten als inkoopcoördinator in dienstbetrekking bij verdachte. Hij werd binnen het bedrijf niet gecontroleerd en hield geen administratie bij van zijn handelen. Hij had vergaande bevoegdheden om voor het bedrijf te handelen en kon zijn gang gaan. Het handelen van [medeverdachte 3] paste in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het handelen van [medeverdachte3] is verdachte voorts dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Als gevolg van het door het hof bewezen geachte handelen zijn runderen geëxporteerd, een bedrijfsactiviteit van verdachte, die zonder dit handelen niet hadden mogen worden geëxporteerd. De gedragingen van [medeverdachte 3] werden blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte aanvaard. Onder dat aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedragingen van [medeverdachte 3] . Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het onder 1A, 2A en 3A tenlastegelegde redelijkerwijs (ook) aan verdachte kan worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Feit 1A: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Feit 2A: medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon;

Feit 3A: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2960 (vrijspraak directeur)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte in zijn functie van directeur van de rechtspersoon, dan wel in persoon, eerder wetenschap heeft gekregen van, of betrokken is geweest bij, de ten laste gelegde feiten, dan nadat deze feiten door een medewerker van die rechtspersoon en de dierenarts, die in die functie werkzaamheden voor deze rechtspersoon verrichtte, waren gepleegd. Verdachte wordt dan ook van de ten laste gelegde feiten vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2959 (veroordeling dierenarts)

Verdachte heeft als dierenarts gefraudeerd met documenten zodat Blue Tongue Virus positieve runderen konden worden geëxporteerd naar het buitenland.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2958

Verdachte heeft samen met zijn mededaders gefraudeerd met documenten betreffende het bloed van 50 runderen die eerder positief op het Blue Tongue Virus (BTV) waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export naar Roemenië.

Voorts heeft verdachte 5 rapporten van het Centraal Veterinair Instituut Wageningen UR vervalst door daarin enkele positieve uitslagen van bloedonderzoeken van runderen op een specifieke dierziekte te vervalsen in negatieve uitslagen om daarmee aan te kunnen tonen dat deze runderen, die eerder positief op die specifieke dierziekte waren getest en derhalve niet geschikt waren voor de export buiten Nederland, wel geschikt waren voor genoemde export. Van twee van deze vervalste rapporten heeft verdachte vervolgens opzettelijk gebruik gemaakt door deze te overleggen aan de Voedsel en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten einde gezondheidscertificaten voor deze runderen ten behoeve van genoemde export te verkrijgen. Met de vervalste rapporten heeft verdachte deze autoriteit bewogen tot de afgifte van genoemde gezondheidscertificaten.

Verdachte is aan te merken als medepleger van de onder 1A, 2A en 3A ten laste gelegde feiten.

Ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 5C, 5D en 5E ten laste gelegde nu daarin het bestanddeel "opzettelijk" ontbreekt, zodat het ten laste gelegde niet oplevert enig strafbaar feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2962 (medepleger)

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof stelt vast dat verdachte de (mede-)plegers mogelijk heeft uitgelokt tot het plegen van deze gedragingen, maar uitlokking is niet ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het als gevolg van de duur van de procedure langer verstoken blijven van een VOG vormt geen zelfstandige grond voor het oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn

Gerechtshof Den Haag 6 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:910 In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 200, subsidiair vier dagen hechtenis. 

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is geschonden, aangezien tussen de ten laste gelegde feiten en de terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2016 meer dan vierentwintig maanden is verlopen.

In dit verband heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een “zware zaak” terwijl het uitstel ertoe leidt dat de verdachte langer op een verklaring omtrent het gedrag zal moeten wachten, nu de termijn na verloop waarvan zo’n verklaring weer wordt afgegeven ingaat na het einde van de vervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan door de raadsman is betoogd, stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van de in de jurisprudentie aan artikel 6 EVRM ontleende maatstaven.

Daarbij gaat het hof ervan uit dat de redelijke termijn is aangevangen op 3 januari 2014, toen de verdachte voor verhoor (als verdachte) is uitgenodigd. Nu door de politierechter op 14 augustus 2015 vonnis is gewezen, is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Ook in hoger beroep is daarvan geen sprake omdat na het instellen van het rechtsmiddel op 26 augustus 2015 thans einduitspraak wordt gedaan. Evenmin is de inzendingstermijn overschreden, noch is sprake van een bijzonder geval waarbij de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM moet worden aangenomen.

Daarmee komt het hof toe aan de vraag of het als gevolg van de duur van de procedure in deze strafzaak langer verstoken blijven van een verklaring omtrent het gedrag zelfstandig grond kan vormen voor het oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zojuist besproken zin.

Veronderstellenderwijs uitgaand van de juistheid van het betoog van de raadsman omtrent de betekenis daarvoor van het moment waarop de vervolging eindigt, gaat het hof ervan uit dat deze kwestie de verlening van een verklaring omtrent het gedrag betreft en derhalve in een daarop betrekking hebbende procedure aan de orde kan worden gesteld. Gegeven de uiteenlopende belangen die betrokken zijn bij het antwoord op de vraag of met de duur van een strafzaak de redelijke termijn is overschreden, is het hof van oordeel dat het door de verdediging aangevoerde belang in de onderhavige strafzaak niet tot een ander oordeel kan leiden.

Het hof verwerpt het verweer daarom.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beoordelingskader beïnvloeding verklaringsvrijheid getuige

Gerechtshof Amsterdam 6 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1271 De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot vrijspraak van het onder 1 en 3 ten laste gelegde alsmede van het onder 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste gelegde met betrekking tot medeverdachte 1, derde 1 en derde 2 en tot bewezenverklaring van het onder 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste gelegde medeplegen van belemmeren van de verklaringsvrijheid van getuige. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier kan worden afgeleid dat in de dagen voorafgaand aan het verhoor van getuige op 19 januari 2012 bij de rechter-commissaris, getuige onder druk is gezet met als doel een vooraf gedicteerde valse verklaring af te leggen. Het bewerken van getuige zou hebben plaatsgevonden in de woning van getuige te Sluis op 13 januari 2012, op 17 januari 2012 onderweg van diens woonplaats Sluis naar Amersfoort en op het kantoor van medeverdachte 2 te Arnhem en op 19 januari 2012 onderweg van Amersfoort naar de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam.

De verklaringen van getuige dienaangaande zijn betrouwbaar en worden ondersteund door andere in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen, in het bijzonder door de verklaringen van de medeverdachten medeverdachte 1 medeverdachte 3 en de getuigen man 3 en man 4. De recherche heeft de verklaringen van getuige getoetst en daarvan bevestiging gevonden in historische gegevens van telefoons, camerabeelden en verklaringen van medeverdachten en de latere tapgesprekken. De verklaringen die medeverdachte 1 bij de politie heeft afgelegd zijn betrouwbaar en consistent met de verklaringen van getuige. De latere intrekking door medeverdachte 1 van zijn verklaringen bij de politie komt daarom niet geloofwaardig over.

De periode van beïnvloeding ving aan met het bezoek van verdachte en medeverdachte 1 op 13 januari 2012 aan getuige in Sluis en eindigde enkele weken na de kantoorontmoeting van 17 januari 2012 tussen getuige en verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 3, aldus de advocaat-generaal.

Daarbij kan de verdachte worden aangemerkt als medepleger van de belemmering van de verklaringsvrijheid van getuige.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De verklaringen van getuige zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. De verklaringen die medeverdachte 1 bij de politie heeft afgelegd kunnen evenmin voor het bewijs worden gebruikt, omdat deze verklaringen sterk wisselen, geen steun vinden in de verklaringen van getuige en medeverdachte 1 meermalen uitdrukkelijk op die verklaringen is teruggekomen, laatstelijk als getuige onder ede ter terechtzitting van het hof op 7 maart 2016. Ook overigens worden de verklaringen van getuige niet ondersteund door andere wettige en overtuigende bewijsmiddelen.

De raadsman heeft in het geval het hof de verklaringen van getuige toch betrouwbaar acht, verzocht opnieuw de psychiater of de huidige psychiater en/of psycholoog van getuige als deskundige te doen horen.

Overwegingen en oordeel van het hof

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder 1, 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste met betrekking tot medeverdachte 1, derde 1 en derde 2 en onder 3 is ten laste gelegd, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste gelegde met betrekking tot getuige. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

  • beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat artikel 285a Sr niet vereist dat de getuige die wordt benaderd daadwerkelijk in zijn verklaringsvrijheid is belemmerd. Uit de tekst van voornoemd wetsartikel en de wetsgeschiedenis volgt dat voor een bewezenverklaring voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk was bedoeld om de vrijheid van de betrokken persoon om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden en dat niet is vereist dat die bedoeling ook daadwerkelijk dat effect heeft gehad. Aldus is de strekking van deze bepaling ruim.

Anderzijds dient er voor te worden gewaakt dat ieder zaaksgebonden contact met een persoon die als getuige is of zal worden opgeroepen voor het afleggen van een verklaring ten overstaan van een rechter (of ambtenaar) binnen de werkingssfeer van deze bepaling wordt gebracht. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het in het kader van een goede beroepsvervulling met name voor advocaten niet ongebruikelijk – en soms zelfs aangewezen – is, zich nader te doen informeren omtrent hetgeen waarover een getuige zal kunnen verklaren, indien deze als zodanig zal worden opgeroepen. Immers, zodanige informatie kan van belang zijn bij een in het kader van de verdediging te nemen beslissing om een persoon al dan niet als getuige op te roepen of van een reeds opgeroepen getuige af te zien.

Ervan uitgaande dat in beginsel iedere vorm van (zaaksgebonden) contact een zekere beïnvloeding inhoudt, dient derhalve in concrete gevallen aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden vastgesteld of sprake is van een uiting die kennelijk bedoeld is om de verklaringsvrijheid van de getuige te beïnvloeden. Daarvan zal in ieder geval, maar niet uitsluitend, sprake kunnen zijn ingeval gebruik wordt gemaakt van (dwang)middelen als intimidatie, het in het vooruitzicht stellen van een positief gevolg zoals een beloning, of het inwerken op het gemoed, bijvoorbeeld door een beroep te doen op gevoelens van loyaliteit of medelijden.

  • feitelijke vaststellingen

Bij de beoordeling of van een strafbare vorm van beïnvloeding als hiervoor bedoeld sprake is geweest gaat het hof uit van de volgende vaststellingen. Daarbij zal ten behoeve van de leesbaarheid de verdachte steeds als verdachte worden aangeduid tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.

Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde verdachte in een strafzaak genaamd ‘Mercedes II’. Ook getuige was destijds verdachte in diezelfde strafzaak. verdachte ’s raadsman medeverdachte 2 heeft aan de rechter-commissaris te Amsterdam kenbaar gemaakt dat de verdediging getuige als getuige wilde horen.

De rechter-commissaris heeft getuige daarop opgeroepen om op 19 januari 2012 als getuige a décharge in de strafzaak tegen verdachte te worden gehoord. Deze oproeping heeft getuige echter niet bereikt. verdachte heeft met de medeverdachte 1 de verblijfplaats van getuige achterhaald.

Op 13 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 1 getuige in Sluis bezocht en in diens woning met hem over de af te leggen verklaring gesproken. Op 17 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 4 getuige in Sluis opgehaald en zijn met hem naar Amersfoort gereden, waar hij is afgezet bij een hotel. In de avond van 17 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 3 getuige daar vervolgens weer opgehaald en zijn met hem naar medeverdachte 2 gegaan. Op diens kantoor in Arnhem heeft een langdurige bespreking plaatsgevonden waarbij opnieuw is gesproken over de verklaring die getuige als getuige zou gaan afleggen. Na afloop van die bespreking hebben verdachte en medeverdachte 3 getuige teruggebracht naar zijn hotel.

Op 19 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 4 getuige naar de rechtbank in Amsterdam gebracht, waar hij door de rechter-commissaris als getuige zou worden gehoord. getuige heeft die dag echter geen verklaring afgelegd, maar heeft daarentegen ten overstaan van de rechter-commissaris te kennen gegeven dat hij geen verklaring wilde afleggen, omdat deze dan een valse verklaring zou zijn. De rechter-commissaris heeft daarop besloten het verhoor geen doorgang te laten vinden. getuige heeft in dezelfde zin ook met de officier van justitie gesproken. Vervolgens is getuige per trein naar Amersfoort gereisd, waar hij een ontmoeting heeft gehad met verdachte en medeverdachte 4. Daarna is getuige naar Sluis teruggekeerd. Ruim een maand later, te weten op 19 en 23 februari 2012, alsmede op 5 maart 2012, heeft getuige telefonisch met medeverdachte 1 gesproken over door hem af te leggen en in te trekken verklaringen. In deze gesprekken werd ook gerefereerd aan de hierboven weergegeven gebeurtenissen. Uit de inhoud van de gesprekken kan worden afgeleid dat getuige in de zaak Mercedes II twee andere personen valselijk zou beschuldigen en dat verdachte daardoor ‘uit de wind’ zou worden gehouden. Voorts blijkt daaruit dat medeverdachte 1 stelde dat ook hij door een verklaring van getuige problemen met justitie dreigde te krijgen.

  • standpunt verdachte

De verdachte heeft erkend dat hij tezamen met medeverdachte 1 een bezoek heeft gebracht aan getuige in Sluis, dat hij later tezamen met medeverdachte 4 getuige in Sluis heeft opgehaald en naar Amersfoort heeft gebracht, dat hij tezamen met medeverdachte 3 getuige in Amersfoort heeft opgehaald en hem naar het kantoor van zijn toenmalige raadsman medeverdachte 2 heeft gebracht, alwaar een bespreking heeft plaatsgevonden en dat hij tenslotte tezamen met medeverdachte 4 getuige naar Amsterdam heeft gebracht ten behoeve van het verhoor bij de rechter-commissaris. Daarbij was het de verdachte erom te doen dat getuige daadwerkelijk op 19 januari 2012 bij de rechter-commissaris in Amsterdam zou verschijnen om een getuigenverklaring in de strafzaak Mercedes II af te leggen. De verdachte heeft evenwel steeds ten stelligste ontkend dat daarbij op enig moment sprake is geweest van enigerlei beïnvloeding van getuige in zijn verklaringsvrijheid.

  • betrouwbaarheid verklaring getuige

De verklaring van getuige dat hij gedurende het bezoek van de verdachte en medeverdachte 1 aan hem in Sluis, tijdens het vervoer naar Amersfoort en in het bijzonder gedurende de avond van 17 januari 2012 mede door de verdachte is geïnstrueerd over hetgeen hij bij het geplande getuigenverhoor moest zeggen, is van doorslaggevend belang bij de beoordeling van het tenlastegelegde.

Met betrekking tot de door getuige afgelegde verklaringen, onder meer ter terechtzitting in hoger beroep, heeft het hof de vraag te beantwoorden of en zo ja, in hoeverre deze verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, zulks te meer nu de verdachte iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde, waarover getuige ten aanzien van hem heeft verklaard, ontkent en bestrijdt dat hetgeen in die verklaringen over hem is gezegd juist is en de verdediging de betrouwbaarheid van die verklaringen ook gemotiveerd in twijfel heeft getrokken.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen met betrekking tot bepaalde verdachten of overigens is verklaard overeenkomt met of steun vindt in - zo te noemen - objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens (zie Hof Amsterdam 25 juli 2003, LJN AM1503). Daarnaast kunnen de ouderdom en de complexiteit van de feiten, waarover is verklaard, bij de beoordeling een rol spelen, evenals het motief voor het afleggen van de verklaring.

In het onderhavige geval kan enerzijds worden vastgesteld dat getuige op 19 januari 2012 ‘uit zichzelf’ aan de rechter-commissaris heeft verteld dat hij geen verklaring wilde afleggen, omdat deze dan een valse verklaring zou zijn en dat hij daarbij de gang van zaken met betrekking tot het vervoer naar en het bezoek aan het kantoor van de raadsman van ‘de Marokkaanse man’ (het hof begrijpt: het kantoor van medeverdachte 2, beroep van de verdachte) heeft geschetst en dat zijn verklaring voor een deel bevestiging heeft gevonden in objectieve feitelijke gegevens.

Daar staat tegenover dat getuige destijds ook zelf verdachte was in de strafzaak Mercedes II, waarin hij als getuige was opgeroepen. Het hof dient dan ook bij de toetsing van de betrouwbaarheid van diens verklaring mede onder ogen te zien dat hij in die zaak een eigen belang had. Nu de zaak Mercedes II niet ter beoordeling aan het hof voorligt, is het hof niet bekend met de stukken in die zaak en kan het derhalve de positie van getuige in die zaak niet goed beoordelen. Het hof kan slechts vaststellen dat zijn zaak, op enig moment na de hiervoor beschreven voorvallen, is geseponeerd. Het hof zal zijn verklaringen reeds om die reden met behoedzaamheid dienen te bezien.

Getuige heeft verschillende verklaringen afgelegd over de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachten bij het tenlastegelegde. Op 19 januari 2012, de dag waarop hij bij de rechter-commissaris als getuige was opgeroepen, heeft hij zijn verhaal gedaan ten overstaan van (achtereenvolgens) de rechter-commissaris en de officier van justitie. Nadien is hij meermalen als getuige gehoord, te weten bij de politie, de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft geconstateerd dat die verklaringen niet consistent zijn en op essentiële punten innerlijk tegenstrijdig. Zo heeft getuige in zijn eerste verklaring onvermeld gelaten dat de tweede man die op 13 januari 2012 bij hem voor de deur stond zijn achterneef, de hem goed bekende medeverdachte 1 bleek te zijn. Ook heeft getuige wisselend verklaard omtrent (onder meer) documenten die verdachte hem tijdens dat eerste gesprek zou hebben laten zien – in zijn eerste verklaring zou dit een lijst zijn geweest met door de rechter-commissaris te horen getuigen, in zijn latere verklaringen een lijst met al zijn oude adressen – het al dan niet bestaan van een afspraak om hem op 17 januari 2012 op te halen en over de vraag of, en zo ja op welke momenten, sprake was van een dreigende sfeer.

Voorts komt uit de tapgesprekken tussen getuige en medeverdachte 1 van 19 en 23 februari en 5 maart 2012 met betrekking tot getuige een beeld naar voren van een persoon die nadrukkelijk en uitgebreid aan het woord is en zich niet laat vertellen wat hij moet doen. De gesprekspartners instrueerden elkaar in die gesprekken over en weer. Voorts werd daarin weliswaar gesproken over een in te trekken en/of af te leggen verklaring van getuige, maar niet is telkens zonder meer duidelijk of dit zag op een af te leggen verklaring in de zaak Mercedes II of een reeds afgelegde verklaring in de onderhavige zaak, Mercedes III.

Dit alles beziet het hof mede in het licht van aanwijzingen dat medische gronden bestaan om te vermoeden dat getuige feit en fictie – minst genomen – onvoldoende van elkaar kan onderscheiden. Het hof verwijst naar de brief met betrekking tot het ontslag van getuige uit Emergis (het hof begrijpt: een instelling voor geestelijke gezondheidszorg) van psychiater psychiater van 24 april 2012 alsmede naar de begeleidende email van naam 2, secretaresse afdeling opname van Emergis. Uit voornoemde brief blijkt onder meer dat getuige van 24 februari 2012 tot en met 23 april 2012 is opgenomen geweest in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg in verband met (onder meer) paranoïde wanen en dat een vermoeden bestond van pseudologia fantastica.

Het hof acht, gelet op al het voorgaande, de verklaringen van getuige onvoldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen.

  • betrouwbaarheid verklaring medeverdachte 1

Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat de eind april 2012 en begin mei 2012 afgelegde, de verdachte belastende, verklaringen van medeverdachte 1 evenmin voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd. medeverdachte 1 heeft in de eerste periode van zijn detentie meermalen verklaard dat de verdachte getuige onder druk heeft gezet om de door hem gewenste verklaring af te leggen en aldus de verklaring van getuige – in grote lijnen – ondersteund. medeverdachte 1 is echter later op die verklaringen teruggekomen. Zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep heeft hij benadrukt dat die verklaringen onjuist waren en aangegeven waarom hij onjuist zou hebben verklaard. Hoewel het hof zijn latere verklaringen op meerdere onderdelen ongeloofwaardig acht, is het hof van oordeel dat evenmin kan worden uitgegaan van de juistheid van zijn verklaringen van met name 28 april en 1 mei 2012. Die verklaringen, in het bijzonder de verklaring dat getuige tijdens het gesprek in diens woning op 13 januari 2012 zou zijn geïntimideerd en dat daarbij sprake was van een dreigende situatie, wijken wezenlijk af van wat getuige hierover heeft verklaard en vinden voorts geen steun in de verklaring van de getuige man 4.

Ook in de inhoud van de telefoongesprekken tussen medeverdachte 1 en getuige van februari en maart 2012 ziet het hof reden de verklaringen van medeverdachte 1 met grote terughoudendheid te bezien. Daaruit wordt immers duidelijk dat ook medeverdachte 1 een belang had bij een verklaring van getuige en dat zij onderling een goede verstandhouding hadden, waarbij medeverdachte 1 getuige voorhield dat zij samen een café in Spanje zouden kunnen openen, wanneer het opzetje met betrekking tot de door getuige af te leggen verklaring zou slagen.

Opmerkelijk acht het hof in dat verband tevens dat getuige ook ter terechtzitting in hoger beroep, waar hij als getuige werd gehoord, opzichtig trachtte medeverdachte 1 te ontlasten en verklaarde dat hem als beloning voor zijn verklaring in het vooruitzicht was gesteld dat hij een café zou krijgen.

Het hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat weliswaar is komen vast te staan dat de verdachte getuige heeft benaderd in verband met diens af te leggen verklaring en met hem over de inhoud van die verklaring heeft gesproken, maar dat onvoldoende is komen vast te staan dat hij het opzet had daardoor de vrijheid van getuige, om onbelemmerd en naar eigen inzicht te verklaren, te beïnvloeden. In het bijzonder is niet komen vast te staan dat de verdachte getuige heeft geïntimideerd, een beloning in het vooruitzicht heeft gesteld of hem anderszins in zijn vrijheid heeft willen belemmeren.

Zoals hiervoor reeds overwogen, acht het hof de verklaringen van getuige en medeverdachte 1 daaromtrent onvoldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen en voorts acht het hof de verklaringen van man 4 onvoldoende concreet om (mede) op grond daarvan tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dat laatste geldt eveneens voor de verklaring van H.P. getuige, waarbij het hof aantekent dat het, gezien de medische informatie omtrent de geestesgesteldheid van getuige in die periode, geen betekenis toekent aan de angst die getuige ten overstaan van zijn broer (en anderen) ten toon heeft gespreid.

Nu uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting anderszins is gebleken van voor de verdachte belastende feiten of omstandigheden, zal het hof hem tevens van het onder 2 impliciet cumulatief/ alternatief met betrekking tot getuige tenlastegelegde vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens hypotheekfraude

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1212 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, te weten een werkgeversverklaring en drie loonstroken, als ware deze stukken echt en onvervalst, ter verkrijging van een aanzienlijke hypotheek. 

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte met ingang van 1 april 2003 is uitgetreden als vennoot in de vennootschap onder firma Bedrijf. Verdachte heeft zijn aandeel op genoemde datum verkocht aan zijn broer en is toen zelf enige maanden in loondienst van Bedrijf geweest. Door Bedrijf 2 en broer was een constructie gemaakt inhoudende dat broer de aankoopsom zou voldoen door het plaatsen van verdachte op de loonlijst van Bedrijf. Verdachte zou ook werkzaamheden verrichten. Na enige tijd bleek dat deze constructie te kostbaar was omdat er sociale lasten afgedragen moesten worden over het loon. De loondienstconstructie is toen met terugwerkende kracht teruggedraaid en er zou alleen worden uitgegaan van betaling door winstdeling. Dit blijkt uit de belastingaangiftes en de jaarstukken.

Het vorenstaande betekent volgens de verdediging dat er gedurende enige maanden sprake was van een loondienstbetrekking tussen verdachte en Bedrijf en dat er derhalve geen sprake is van een valse of vervalste werkgeversverklaring en evenmin van onjuiste loonstroken. Ten tijde van de aanvraag ter verkrijging van de hypotheek was verdachte in loondienst van Bedrijf.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste geschriften. Verdachte wist van niets, heeft de geschriften zelf niet opgesteld en was ter goeder trouw. Verdachte heeft ten behoeve van de hypotheek bescheiden overgelegd waarvan hij meende dat deze juist waren en verdachte mocht daarvan ook uitgaan. Ten slotte had verdachte geen enkel motief om van valse of vervalste stukken gebruik te maken, nu hij reeds voldoende vermogen had om zonder enige vervalsing de financiële aankoop van het pand aan perceel te bewerkstelligen. Verdachte dient derhalve integraal te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van verdachte en zijn broer volgt dat de tussen verdachte en Bedrijf gemaakte constructie mede was bedoeld ter afbetaling van de schuld die broer aan zijn broer verdachte had, omdat de koper bij zijn intreden als vennoot in de firma niet beschikte over voldoende financiën om de aankoopsom van € 150.000 direct te voldoen.

broer is hierover op 28 november 2013 door de politie gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij in 2003 vennoot is geworden van Bedrijf en dat aan verdachte een winstaandeel verstrekt zou worden omdat hij geen geld had om zijn broer uit te kopen. Tevens heeft broer tijdens dat verhoor verklaard dat hij niet weet of verdachte toen in loondienst is getreden bij Bedrijf, alleen dat verdachte een winstaandeel heeft gekregen. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft broer op 30 december 2015 verklaard dat hij het deel van Bedrijf van verdachte kon overnemen, maar dat hij dat niet meteen kon betalen. Hij zou daarom de koopsom in delen aan verdachte terugbetalen, uit de winst van het Bedrijf. Voorts heeft broer toen verklaard dat loon, in zijn ogen en in die van verdachte, een soort afbetaling van de aankoopschuld is. Het geldbedrag was, volgens hem, deels afbetaling van een schuld en deels loon, als een soort zekerheid voor verdachte.

Verdachte heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep zelf verklaard dat zijn broer hem een bedrag van € 150.000 verschuldigd was voor de overname van zijn deel van het vennootschap van Bedrijf en dat hij dit bedrag uiteindelijk ook heeft ontvangen. Verdachte heeft voorts verklaard dat het voor hem niet uitmaakte of hij dat geldbedrag zou krijgen als loon of als winstaandeel. Het ging hem erom dat hij aan het einde van het jaar zijn geld zou hebben.

Gelet op de inhoud van deze verklaringen, overweegt het hof dat – zo er door de afgesproken constructie al sprake was van een arbeidsverhouding tussen verdachte en Bedrijf – in elk geval een gedeelte van het geldbedrag dat verdachte uitgekeerd heeft gekregen niet bedoeld was als loon voor zijn werkzaamheden, maar als aflossing van de koopsom van € 150.000. Dit betekent dat, anders dan op de door Bedrijf 2 opgemaakte werkgeversverklaring staat vermeld, van meet af aan duidelijk was dat geen sprake zou zijn van een duurzaam dienstverband tussen verdachte en Bedrijf met een bruto jaarsalaris van in totaal € 103.680. Deze overeenkomst zou bovendien komen te vervallen op het moment dat de aankoopsom door broer aan verdachte was terugbetaald. Dit maakt, naar het oordeel van het hof, dat sprake was van een valse werkgeversverklaring en van drie (ter onderbouwing van die werkgeversverklaring ingediende) valse loonstroken.

Aangezien verdachte op de hoogte was van de ter afbetaling gemaakte constructie tussen hem en Bedrijf, wist verdachte tevens dat de door hem ten behoeve van de hypotheek ingediende stukken vals waren opgemaakt. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daarvan wetenschap had en ook dat zijn opzet op het plegen van het ten laste gelegde was gericht.

Dat verdachte wellicht ook zonder het indienen van die stukken de aankoop van het pand aan perceel had kunnen bewerkstelligen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Feit blijft dat hij een hypotheek heeft aangevraagd en dat hij daarvoor valse stukken heeft overgelegd. Ook hetgeen de verdediging overigens nog heeft aangevoerd doet daar niet aan af.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 15.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak nu weergave feiten in proces-verbaal niet overeenkomt met werkelijkheid

Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1122 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 08 juni 2013 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Stadhouderskade, heeft opgehouden terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.

Door de raadsman is eveneens aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrij gesproken.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof heeft daarbij zwaar laten meewegen de op 15 december 2015 door verbalisant bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring, inhoudende kort gezegd dat de weergave van de feiten in het door hem opgemaakte proces-verbaal van 9 juni 2013 niet overeen komt met de werkelijkheid, nu een deel van de in het proces-verbaal aan verbalisant toegeschreven handelingen niet door hem zijn uitgevoerd, hetgeen te wijten is aan een wijziging in de procedure bij het opmaken van een proces-verbaal met hulp van de computer. Het hof is van oordeel dat het door verbalisant opgemaakte proces-verbaal dat zich in het dossier bevindt, daarom niet bruikbaar is voor het bewijs. Als gevolg hiervan ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Het hof heeft nog stilgestaan bij zijn beslissing van 6 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:757, maar anders dan in die zaak verbindt het hof in deze zaak niet de sanctie van het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Fraude met gemeenschapsgeld: verdachte heeft in hoger beroep enkel verzocht om de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1105 De rechtbank heeft de verdachte voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 1) en oplichting, meermalen gepleegd (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

De advocaat-generaal heeft zich bij deze strafoplegging aangesloten.

Door de verdediging is bepleit dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van aanzienlijke duur zal worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, zoals onder meer blijkt uit de hoogte van het frauduleus door haar verkregen financiële voordeel, op zichzelf rechtvaardigt dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof zal daartoe echter niet overgaan en overweegt in dit verband allereerst dat het op grond van het onderzoek ter terechtzitting ervan overtuigd is geraakt dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf niet noodzakelijk is om de verdachte het laakbare van haar handelwijze te doen inzien.

Daarnaast houdt het hof bij de straftoemeting in het bijzonder rekening met het gegeven dat inmiddels geruime tijd is verstreken nadat de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden. Het hof merkt in dit verband op dat dat de verdachte in die tijd werk heeft gevonden bij een andere werkgever, met wie zij inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur heeft, waardoor het voor haar mogelijk is om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar gezin, terwijl daarnaast via het gelegde loonbeslag voldaan wordt aan de terugbetalingsverplichting van het frauduleus verkregen geldbedrag aan de gemeente. Het hof acht aannemelijk, zoals door de verdediging betoogd, dat de verdachte haar huidige baan zal kwijtraken wanneer zij een vrijheidsstraf zal moeten ondergaan. Het hof acht dat onwenselijk. Niet alleen omdat daardoor niet slechts de verdachte, maar met name ook de personen die tot haar gezin behoren de gevolgen zullen ondervinden van haar frauduleuze handelen, maar bovenal omdat de verdachte gedurende de tijd dat zij gedetineerd zal zijn niet in staat moet worden geacht om te voldoen aan haar terugbetalingsverplichting van gemeenschapsgeld. Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat het heeft geconstateerd dat in deze zaak sprake is van niet verklaarbare tijdspannen tussen begin december 2012, toen de verdachte enkele malen door de politie werd verhoord en zij in die verhoren volledige openheid van zaken heeft gegeven, en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van de rechtbank van 5 september 2014 respectievelijk tussen het instellen van het hoger beroep op 16 oktober 2014 en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van het hof op 26 februari 2016.

Weliswaar leidt dit tijdsverloop niet tot de slotsom dat sprake is van schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, maar dit tijdsverloop draagt naar het oordeel van het hof wel bij aan de zodanig onevenredig zware gevolgen die het opleggen van een vrijheidsbenemende straf thans met zich zal brengen, dat daarvan wordt afgezien.

In de plaats daarvan zal het hof aan de verdachte een taakstraf opleggen met de volgens de wet maximaal mogelijke duur van 240 uren. Daarnaast zal het hof aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van de hierna te vermelden duur. Het hof beoogt

met oplegging van deze voorwaardelijke straf enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een aanzienlijk geldbedrag van een stichting die zich inzet voor de zwakkeren binnen de samenleving

Gerechtshof Amsterdam 17 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1028 Gekwalificeerde verduistering, meermalen gepleegd. Verdachte heeft als heer en meester over de afgezonderde bedragen beschikt, in strijd met de gemaakte afspraken. Aldus heeft de verdachte zich de bedragen wederrechtelijk toegeëigend en zich derhalve schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat er geen sprake is van verduistering, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman, samengevat, het volgende aangevoerd.

Hoewel de verdachte de opgenomen contanten niet direct heeft opgeborgen in de fysieke kas, althans geboekt, staat daarmee nog niet vast dat deze contanten daadwerkelijk zijn verdwenen noch dat de verdachte deze heeft weggenomen of zich heeft toegeëigend.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte was als financieel secretaresse verantwoordelijk voor het bij de bank opnemen van de benodigde kasgelden en het daarvan afstorten in de kas, gevolgd door het binnen de financiële administratie vastleggen van deze bankopnames, kasstortingen, en het daarop volgend kasverkeer binnen de stichting (zoals kasopnames ten behoeve van uitgaven voor cliënten). Zij heeft echter de door haar gedane bankopnames en kasstortingen structureel op onjuiste wijze geboekt in de financiële administratie. De verdachte boekte de bankopnames weliswaar correct in het centrale (door alle lokale vestigingen van de stichting te gebruiken) registratiesysteem genaamd ORCCA, maar boekte deze bankopnames slechts gedeeltelijk in de intern bijgehouden Excel administratie. Laatstgenoemde, interne, administratie was bedoeld als extra controlemiddel op het kasverkeer (in aanvulling op het centrale ORCCA systeem) en enige jaren daarvoor ingevoerd nadat financiële onregelmatigheden waren geconstateerd. Teneinde nieuwe onregelmatigheden te voorkomen werd aldus (intern) een tweede kasadministratie bijgehouden, aangevuld met periodieke kascontroles door de vestigingsmanager.

Door in de interne Excel administratie bewust een lager bedrag te verantwoorden dan daadwerkelijk contant bij de bank werd opgenomen, heeft de verdachte het verschil (door haar omschreven als ‘buffer’) kunnen afzonderen en apart kunnen opbergen. Zij was als enige van deze afsplitsing en de gebrekkige administratie op de hoogte. Bij de periodieke kascontroles door de vestigingsmanager kwam deze afzondering niet aan het licht, omdat deze werd uitgevoerd op basis van het (door de verdachte bewust onjuist bijgehouden) saldo van de Excel administratie. Op deze wijze heeft de verdachte als heer en meester beschikt over de afgezonderde bedragen, in strijd met de gemaakte afspraken en zich onttrekkende aan de daartoe speciaal ingestelde controlemaatregelen. Aldus heeft de verdachte de bedoelde bedragen zich wederrechtelijk toegeëigend en zich derhalve schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

Bewezenverklaring

  • Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beslissing op verzoek ex artikel 89 en 591a Sv zonder vereiste behandeling in openbare raadkamer leidt tot vernietiging van de beschikking

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2240 De rechtbank heeft bij beschikking verzoeker conform het verzoekschrift een vergoeding toegekend van €1.435 op de voet van artikel 89 Sv en €280 op de voet van artikel 591a Sv. Verzoeker is van voormelde beschikking in hoger beroep gekomen.

Beoordeling van het verzoek

Het op 10 juni 2015 bij de rechtbank ingekomen verzoekschrift, diende op grond van de artikelen 89, derde lid Sv en artikel 591a, tweede lid, Sv juncto artikel 591, derde lid Sv, te worden behandeld in openbare raadkamer.

De bestreden beschikking van de rechtbank houdt niets in waaruit kan volgen dat verzoeker en de officier van justitie zijn uitgenodigd voor een behandeling in openbare raadkamer. Bij de door het hof ontvangen stukken bevindt zich een brief d.d. 12 november 2015 van medewerker van de strafsector van de Rechtbank Midden-Nederland, die onder andere inhoudt dat geen zitting (het hof begrijpt: geen behandeling van het verzoek in het openbaar als bedoeld in artikel 22 Sv) heeft plaatsgevonden omdat het standpunt van de officier van justitie gelijk was aan het verzoek (van 10 juni 2015) van de advocaat van verzoeker.

Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank op 29 oktober 2015 op het verzoek (d.d. 10 juni 2015) heeft beslist zonder de vereiste behandeling in openbare raadkamer. Dat brengt mee dat artikel 89, derde lid, Sv en artikel 591a, tweede lid, Sv juncto artikel 591, derde lid, Sv in verbinding met artikel 22 Sv zijn geschonden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom vernietigen.

Het aanvullende verzoek d.d. 28 oktober 2015 blijft binnen de grenzen van het op 10 juni 2015 ingediende verzoek en had door de rechtbank, indien het verzoek, zoals de wet voorschrijft in openbare raadkamer was behandeld, kunnen worden meegewogen in zijn beslissing. Dat is niet gebeurd.

De advocaat-generaal heeft zich in raadkamer op 4 maart 2016 op het standpunt gesteld dat het verzoek en het aanvullend verzoek voor toewijzing in aanmerking komen.

Uit het onderzoek in openbare raadkamer is - voor zover hier van belang - het navolgende gebleken:

  • tegen verzoeker is een strafzaak aanhangig geweest, behandeld in eerste aanleg onder parketnummer 16-659549-14 door Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad;
  • verzoeker heeft 47 dagen (te weten van 19 mei 2014 tot en met 5 juli 2014) in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht;
  • verzoeker is bij vonnis van de rechtbank d.d. 21 april 2015 vrijgesproken van het feit, waarop voormelde detentie betrekking had;
  • voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 5 mei 2015;
  • de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel;
  • verzoeker heeft ten gevolge van voormelde detentie schade geleden;
  • verzoeker heeft het verzoek op de voorgeschreven wijze en tijdig ingediend;

Het hof is van oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker ter zake van immateriële schade de door hem verzochte schadevergoeding toe te kennen.

De kosten van het verzoekschrift moeten worden vergoed overeenkomstig de ter zake geldende landelijke uitgangspunten, en wel tot een bedrag van €280 voor de indiening in eerste aanleg en €550 voor de indiening en behandeling in hoger beroep.

Gelet op het vorenstaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding ten laste van de Staat toe kennen voor de schade, welke hij ten gevolge van voormelde detentie in voormelde strafzaak heeft geleden:

47 dagen ondergane detentie: 3 dagen politiebureau ad €105 €315

44 dagen HvB ad €80 €3.520

kosten indiening en behandeling

verzoek eerste aanleg €280

hoger beroep €550

totaal €4.665

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan verzoeker verzoeker toe een vergoeding uit 's Rijks kas ten bedrage van €4.665.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^