Beslissing op verzoek ex artikel 89 en 591a Sv zonder vereiste behandeling in openbare raadkamer leidt tot vernietiging van de beschikking

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2240 De rechtbank heeft bij beschikking verzoeker conform het verzoekschrift een vergoeding toegekend van €1.435 op de voet van artikel 89 Sv en €280 op de voet van artikel 591a Sv. Verzoeker is van voormelde beschikking in hoger beroep gekomen.

Beoordeling van het verzoek

Het op 10 juni 2015 bij de rechtbank ingekomen verzoekschrift, diende op grond van de artikelen 89, derde lid Sv en artikel 591a, tweede lid, Sv juncto artikel 591, derde lid Sv, te worden behandeld in openbare raadkamer.

De bestreden beschikking van de rechtbank houdt niets in waaruit kan volgen dat verzoeker en de officier van justitie zijn uitgenodigd voor een behandeling in openbare raadkamer. Bij de door het hof ontvangen stukken bevindt zich een brief d.d. 12 november 2015 van medewerker van de strafsector van de Rechtbank Midden-Nederland, die onder andere inhoudt dat geen zitting (het hof begrijpt: geen behandeling van het verzoek in het openbaar als bedoeld in artikel 22 Sv) heeft plaatsgevonden omdat het standpunt van de officier van justitie gelijk was aan het verzoek (van 10 juni 2015) van de advocaat van verzoeker.

Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank op 29 oktober 2015 op het verzoek (d.d. 10 juni 2015) heeft beslist zonder de vereiste behandeling in openbare raadkamer. Dat brengt mee dat artikel 89, derde lid, Sv en artikel 591a, tweede lid, Sv juncto artikel 591, derde lid, Sv in verbinding met artikel 22 Sv zijn geschonden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom vernietigen.

Het aanvullende verzoek d.d. 28 oktober 2015 blijft binnen de grenzen van het op 10 juni 2015 ingediende verzoek en had door de rechtbank, indien het verzoek, zoals de wet voorschrijft in openbare raadkamer was behandeld, kunnen worden meegewogen in zijn beslissing. Dat is niet gebeurd.

De advocaat-generaal heeft zich in raadkamer op 4 maart 2016 op het standpunt gesteld dat het verzoek en het aanvullend verzoek voor toewijzing in aanmerking komen.

Uit het onderzoek in openbare raadkamer is - voor zover hier van belang - het navolgende gebleken:

  • tegen verzoeker is een strafzaak aanhangig geweest, behandeld in eerste aanleg onder parketnummer 16-659549-14 door Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad;
  • verzoeker heeft 47 dagen (te weten van 19 mei 2014 tot en met 5 juli 2014) in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht;
  • verzoeker is bij vonnis van de rechtbank d.d. 21 april 2015 vrijgesproken van het feit, waarop voormelde detentie betrekking had;
  • voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 5 mei 2015;
  • de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel;
  • verzoeker heeft ten gevolge van voormelde detentie schade geleden;
  • verzoeker heeft het verzoek op de voorgeschreven wijze en tijdig ingediend;

Het hof is van oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker ter zake van immateriële schade de door hem verzochte schadevergoeding toe te kennen.

De kosten van het verzoekschrift moeten worden vergoed overeenkomstig de ter zake geldende landelijke uitgangspunten, en wel tot een bedrag van €280 voor de indiening in eerste aanleg en €550 voor de indiening en behandeling in hoger beroep.

Gelet op het vorenstaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding ten laste van de Staat toe kennen voor de schade, welke hij ten gevolge van voormelde detentie in voormelde strafzaak heeft geleden:

47 dagen ondergane detentie: 3 dagen politiebureau ad €105 €315

44 dagen HvB ad €80 €3.520

kosten indiening en behandeling

verzoek eerste aanleg €280

hoger beroep €550

totaal €4.665

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan verzoeker verzoeker toe een vergoeding uit 's Rijks kas ten bedrage van €4.665.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF