Veroordeling wegens hypotheekfraude

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1212 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, te weten een werkgeversverklaring en drie loonstroken, als ware deze stukken echt en onvervalst, ter verkrijging van een aanzienlijke hypotheek. 

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte met ingang van 1 april 2003 is uitgetreden als vennoot in de vennootschap onder firma Bedrijf. Verdachte heeft zijn aandeel op genoemde datum verkocht aan zijn broer en is toen zelf enige maanden in loondienst van Bedrijf geweest. Door Bedrijf 2 en broer was een constructie gemaakt inhoudende dat broer de aankoopsom zou voldoen door het plaatsen van verdachte op de loonlijst van Bedrijf. Verdachte zou ook werkzaamheden verrichten. Na enige tijd bleek dat deze constructie te kostbaar was omdat er sociale lasten afgedragen moesten worden over het loon. De loondienstconstructie is toen met terugwerkende kracht teruggedraaid en er zou alleen worden uitgegaan van betaling door winstdeling. Dit blijkt uit de belastingaangiftes en de jaarstukken.

Het vorenstaande betekent volgens de verdediging dat er gedurende enige maanden sprake was van een loondienstbetrekking tussen verdachte en Bedrijf en dat er derhalve geen sprake is van een valse of vervalste werkgeversverklaring en evenmin van onjuiste loonstroken. Ten tijde van de aanvraag ter verkrijging van de hypotheek was verdachte in loondienst van Bedrijf.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste geschriften. Verdachte wist van niets, heeft de geschriften zelf niet opgesteld en was ter goeder trouw. Verdachte heeft ten behoeve van de hypotheek bescheiden overgelegd waarvan hij meende dat deze juist waren en verdachte mocht daarvan ook uitgaan. Ten slotte had verdachte geen enkel motief om van valse of vervalste stukken gebruik te maken, nu hij reeds voldoende vermogen had om zonder enige vervalsing de financiële aankoop van het pand aan perceel te bewerkstelligen. Verdachte dient derhalve integraal te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van verdachte en zijn broer volgt dat de tussen verdachte en Bedrijf gemaakte constructie mede was bedoeld ter afbetaling van de schuld die broer aan zijn broer verdachte had, omdat de koper bij zijn intreden als vennoot in de firma niet beschikte over voldoende financiën om de aankoopsom van € 150.000 direct te voldoen.

broer is hierover op 28 november 2013 door de politie gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij in 2003 vennoot is geworden van Bedrijf en dat aan verdachte een winstaandeel verstrekt zou worden omdat hij geen geld had om zijn broer uit te kopen. Tevens heeft broer tijdens dat verhoor verklaard dat hij niet weet of verdachte toen in loondienst is getreden bij Bedrijf, alleen dat verdachte een winstaandeel heeft gekregen. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft broer op 30 december 2015 verklaard dat hij het deel van Bedrijf van verdachte kon overnemen, maar dat hij dat niet meteen kon betalen. Hij zou daarom de koopsom in delen aan verdachte terugbetalen, uit de winst van het Bedrijf. Voorts heeft broer toen verklaard dat loon, in zijn ogen en in die van verdachte, een soort afbetaling van de aankoopschuld is. Het geldbedrag was, volgens hem, deels afbetaling van een schuld en deels loon, als een soort zekerheid voor verdachte.

Verdachte heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep zelf verklaard dat zijn broer hem een bedrag van € 150.000 verschuldigd was voor de overname van zijn deel van het vennootschap van Bedrijf en dat hij dit bedrag uiteindelijk ook heeft ontvangen. Verdachte heeft voorts verklaard dat het voor hem niet uitmaakte of hij dat geldbedrag zou krijgen als loon of als winstaandeel. Het ging hem erom dat hij aan het einde van het jaar zijn geld zou hebben.

Gelet op de inhoud van deze verklaringen, overweegt het hof dat – zo er door de afgesproken constructie al sprake was van een arbeidsverhouding tussen verdachte en Bedrijf – in elk geval een gedeelte van het geldbedrag dat verdachte uitgekeerd heeft gekregen niet bedoeld was als loon voor zijn werkzaamheden, maar als aflossing van de koopsom van € 150.000. Dit betekent dat, anders dan op de door Bedrijf 2 opgemaakte werkgeversverklaring staat vermeld, van meet af aan duidelijk was dat geen sprake zou zijn van een duurzaam dienstverband tussen verdachte en Bedrijf met een bruto jaarsalaris van in totaal € 103.680. Deze overeenkomst zou bovendien komen te vervallen op het moment dat de aankoopsom door broer aan verdachte was terugbetaald. Dit maakt, naar het oordeel van het hof, dat sprake was van een valse werkgeversverklaring en van drie (ter onderbouwing van die werkgeversverklaring ingediende) valse loonstroken.

Aangezien verdachte op de hoogte was van de ter afbetaling gemaakte constructie tussen hem en Bedrijf, wist verdachte tevens dat de door hem ten behoeve van de hypotheek ingediende stukken vals waren opgemaakt. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daarvan wetenschap had en ook dat zijn opzet op het plegen van het ten laste gelegde was gericht.

Dat verdachte wellicht ook zonder het indienen van die stukken de aankoop van het pand aan perceel had kunnen bewerkstelligen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Feit blijft dat hij een hypotheek heeft aangevraagd en dat hij daarvoor valse stukken heeft overgelegd. Ook hetgeen de verdediging overigens nog heeft aangevoerd doet daar niet aan af.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 15.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF