Fraude met gemeenschapsgeld: verdachte heeft in hoger beroep enkel verzocht om de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1105 De rechtbank heeft de verdachte voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 1) en oplichting, meermalen gepleegd (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

De advocaat-generaal heeft zich bij deze strafoplegging aangesloten.

Door de verdediging is bepleit dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van aanzienlijke duur zal worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, zoals onder meer blijkt uit de hoogte van het frauduleus door haar verkregen financiële voordeel, op zichzelf rechtvaardigt dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof zal daartoe echter niet overgaan en overweegt in dit verband allereerst dat het op grond van het onderzoek ter terechtzitting ervan overtuigd is geraakt dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf niet noodzakelijk is om de verdachte het laakbare van haar handelwijze te doen inzien.

Daarnaast houdt het hof bij de straftoemeting in het bijzonder rekening met het gegeven dat inmiddels geruime tijd is verstreken nadat de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden. Het hof merkt in dit verband op dat dat de verdachte in die tijd werk heeft gevonden bij een andere werkgever, met wie zij inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur heeft, waardoor het voor haar mogelijk is om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar gezin, terwijl daarnaast via het gelegde loonbeslag voldaan wordt aan de terugbetalingsverplichting van het frauduleus verkregen geldbedrag aan de gemeente. Het hof acht aannemelijk, zoals door de verdediging betoogd, dat de verdachte haar huidige baan zal kwijtraken wanneer zij een vrijheidsstraf zal moeten ondergaan. Het hof acht dat onwenselijk. Niet alleen omdat daardoor niet slechts de verdachte, maar met name ook de personen die tot haar gezin behoren de gevolgen zullen ondervinden van haar frauduleuze handelen, maar bovenal omdat de verdachte gedurende de tijd dat zij gedetineerd zal zijn niet in staat moet worden geacht om te voldoen aan haar terugbetalingsverplichting van gemeenschapsgeld. Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat het heeft geconstateerd dat in deze zaak sprake is van niet verklaarbare tijdspannen tussen begin december 2012, toen de verdachte enkele malen door de politie werd verhoord en zij in die verhoren volledige openheid van zaken heeft gegeven, en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van de rechtbank van 5 september 2014 respectievelijk tussen het instellen van het hoger beroep op 16 oktober 2014 en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van het hof op 26 februari 2016.

Weliswaar leidt dit tijdsverloop niet tot de slotsom dat sprake is van schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, maar dit tijdsverloop draagt naar het oordeel van het hof wel bij aan de zodanig onevenredig zware gevolgen die het opleggen van een vrijheidsbenemende straf thans met zich zal brengen, dat daarvan wordt afgezien.

In de plaats daarvan zal het hof aan de verdachte een taakstraf opleggen met de volgens de wet maximaal mogelijke duur van 240 uren. Daarnaast zal het hof aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van de hierna te vermelden duur. Het hof beoogt

met oplegging van deze voorwaardelijke straf enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF