Onderzoeksjournalist veroordeeld voor valsheid in geschrift

Een onderzoeksjournalist en zijn medewerker zijn door het Gerechtshof Den Haag op 4 maart 2014 veroordeeld voor het vervalsen van een KLM-personeelspas. Het delict vond plaats in de periode van 12 december 2008 tot en met 4 januari 2009. Het Haagse hof heeft beide verdachten een voorwaardelijke geldboete van 1000 euro opgelegd.

De strafzaken vinden hun oorsprong in een tweetal uitzendingen van het programma ‘Undercover in Nederland’. De afleveringen zijn op 28 december 2008 en 4 januari 2009 uitgezonden. In de uitzending van 28 december 2008 is vertoond dat de onderzoeksjournalist meewerkte aan het namaken van een KLM-personeelspas, voorzien van een foto van zichzelf. Dit gebeurde aan de hand van een KLM-personeelspas van een personeelslid van KLM. Met de uitzendingen beoogde de journalist aan de kaak te stellen de in zijn ogen tekortschietende beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost op welk terrein vliegtuigen zijn ondergebracht, waaronder het regeringsvliegtuig.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachten worden veroordeeld tot een geldboete van 1000 euro waarvan 500 euro voorwaardelijk.

Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de onderzoeksjournalist en zijn medewerker alternatieve en minder vergaande mogelijkheden hadden dan het plegen van het hun verweten strafbaar feit om de in de visie van de journalist gebrekkige beveiliging van Schiphol-Oost aan de kaak te stellen. Het hof wijst hierbij op de door observatie geconstateerde gebrekkige controle aan de hoofdingang van de toegangspassen en de voertuigen. Daardoor was het voor de journalist mogelijk gebleken het terrein in de achterbak van een auto te betreden. Daarnaast kon het aangetoond worden door de aan hem ter beschikking gestelde filmopname van het (interieur van het) onbewaakte regeringsvliegtuig.

De zaken tegen de onderzoeksjournalist en de medeverdachte waren vorig jaar verwezen door de Hoge Raad naar het Gerechtshof Den Haag, nadat het gerechtshof Amsterdam de verdachten voor dit feit had ontslagen van alle rechtsvervolging door het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) te honoreren. Daarmee was het Gerechtshof Amsterdam tot een ander oordeel gekomen dan de Rechtbank Amsterdam die de verdachten had veroordeeld tot een geldboete.

Print Friendly and PDF ^

Ten nadele van de verdachte betrekken beroep op zwijgrecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1237

De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

Van (een) omstandighe(i)d(en) die, afzonderlijk of in onderling verband bezien, voldoende redengevend is/zijn voor een bewezenverklaring is echter niet gebleken. Pas indien daarvan wel sprake zou zijn zou aanleiding kunnen bestaan om in de overwegingen te betrekken dat verdachte (ook) ten aanzien van die omstandighe(i)d(en) heeft gezwegen en dus geen de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Dat maakt dat het zwijgen van verdachte niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid die een rol kan spelen bij de beoordeling van het (ontoereikende) bewijsmateriaal.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Lagere schadevergoeding dan gevorderd in Schipholbrand

Gerechtshof Den Haag 25 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:439

Het gerechtshof heeft de verzoeker bij arrest van 1 maart 2013 vrijgesproken van al het aan hem tenlastegelegde in het kader van de strafzaak die bekend staat als ‘de Schipholbrand’. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

Namens de verzoeker is bij vier tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschriften ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering gevraagd om vergoeding van kosten voor deskundigenonderzoeken, die ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de verzoeker zijn gekomen.

De verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft in de loop van de strafprocedure tegen de verzoeker op eigen initiatief een aantal deskundigen opdracht gegeven tot het verrichten van de na te noemen onderzoeken. Zij heeft het hof verzocht om vergoeding van de kosten daarvan.

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nr. 0925)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €714 ter zake van het door deze deskundige uitgevoerde forensisch-medische onderzoek naar de trauma-opvang van een aantal slachtoffers van de Schipholbrand.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nr. 0927)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €127.500 ter zake van het door de deskundigen ir. B.H. van den Heuvel en B.P.F. Roes van MSNP Management B.V. uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen – kort gezegd –:

  • het opstellen van het onderzoeksmemo “Analyse van camerabeelden” d.d. 10 november 2008;
  • het opstellen van een geactualiseerd rapport d.d. 7 augustus 2009;
  • gemaakte uren in verband met het door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitgevoerde onderzoek naar de juistheid van de rapportage van MSNP.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nr. 0929)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €56.613,84 ter zake van het door drs. [V.] uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het opstellen van het onderzoeksrapport “Terminaal Schiphol” (ad €38.400). Dit betreft een zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de Schipholbrand;
  • het als controlerend deskundige i.d.z.v. artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering bijwonen van de celbrandproeven en shagproeven door DGMR (ad €14.843,76);
  • het verhoor van drs. [V.] ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam n.a.v. genoemd onderzoeksrapport (ad €3.370,08).

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nr. 0931)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €6.534 ter zake van het door de deskundige dr. ir. P.H.A.J.M. Van Gelder van PSCT uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het beoordelen van het NFI-rapport d.d. 28 september 2012 over – kort gezegd – het brandgenererend vermogen van shagjes en sigaretten en over de kans dat het oorspronkelijk veronderstelde handelen van de verzoeker brand tot gevolg heeft;
  • het opstellen van een ‘review’ bij het NFI-rapport;
  • het toelichten daarvan ter terechtzitting van dit hof van 8 november 2012.

De raadkamer van het hof heeft de verzoekschriften op 14 januari 2014 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat van de verzoeker en de advocaat-generaal mr. M. van der Horst. De verzoeker is ongewenst verklaard en uitgezet naar Libië. Het verzoek de ongewenstverklaring op te heffen, is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen. Verzoeker is niet verschenen.

Conclusie advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van alle verzoeken ex artikel 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de betreffende onderzoeken het belang van het onderzoek volgens hem niet hebben gediend.

Pleidooi advocaat

Mr. Frijns heeft in raadkamer gepersisteerd bij zijn ingediende verzoeken en deze nader toegelicht.

Kader voor beoordeling van de verzoeken

Het hof stelt voorop dat het de verdediging in een strafprocedure vrijstaat buiten het gebruikelijke kader van de artikelen 315 dan wel 316, in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering geheel zelfstandig, buiten het gerecht om, deskundigenonderzoek te entameren, bijvoorbeeld met het doel onderbouwing te verkrijgen voor een bepaald alternatief scenario. De daarmee gemoeide kosten komen in dat geval ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wet tarieven in strafzaken in beginsel ten laste van de verdachte.

Geen “blanco cheque”

Weliswaar biedt artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering de gewezen verdachte in beginsel de mogelijkheid het gerecht waar de zaak het laatst heeft gediend te verzoeken de gemaakte kosten te vergoeden, maar de wetgever heeft daarbij nadrukkelijk een voorbehoud gemaakt: ingevolge artikel 591, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte […] uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend […].

Uit laatstgenoemd criterium volgt naar ’s hofs oordeel in ieder geval:

1. dat sprake dient te zijn van onderzoek door een deskundige die ervan blijk heeft gegeven geschikt te zijn om in een strafzaak te rapporteren. Dat brengt mee dat de deskundige moet voldoen aan eisen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid, vakbekwaamheid en integriteit. Een en ander moet blijken uit het door een deskundige opgesteld onderzoeksrapport dan wel afgelegde verklaring ter zitting;

2. dat nodeloos gemaakte of anderszins onredelijke kosten niet door het Rijk worden vergoed. Dat betekent dat bij de vaststelling van een eventuele vergoeding door de rechter kritisch dient te worden gekeken naar de opzet en de omvang van het uitgevoerde onderzoek.

Vanwege het verband tussen de regeling van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering en het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde, is de rechter bij het vaststellen van de vergoeding voorts gebonden aan de in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgestelde (maximale) tarieven (artikel 1 van genoemde wet). Van een machtiging van de advocaat-generaal bij het ressortsparket voor het maken van buitengewone, niet voorziene kosten, is niet gebleken (artikel 2 van genoemde wet). Het maximaal te declareren uurtarief bedroeg ten tijde van alle genoemde onderzoeken in beginsel €81,23.

Het hof zal aan de hand van de hierboven vermelde maatstaven beoordelen of de verzoeken een genoegzame wettelijke basis hebben.

Het hof constateert met het oog daarop terzijde dat:

a) de verdediging na het einde van de strafzaak kennelijk de onderzoekers heeft opgeroepen te declareren en wel volgens het tarief voor de vergoeding die aan de onderzoeker Delémont c.s. van het internationaal vermaarde onderzoeksinstituut aan de Universiteit Lausanne werd gegund en dat de meeste declaraties in de loop van 2013 zijn ingediend;

b) de advocaat, blijkens zijn mededelingen dienaangaande in raadkamer, bij de opdrachtverstrekking aan de onderzoekers er destijds op heeft gewezen dat onzeker was of de verdachte de onderzoekskosten zou kunnen dragen en met de onderzoeker de afspraak heeft gemaakt dat zij desondanks onderzoek zouden verrichten en daarover zouden rapporteren.

Beoordeling van de verzoeken

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend en zal de gevraagde vergoeding van €714 toekennen.

B. Onderzoek MSNP Management B.V.

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten weliswaar het belang van het onderzoek heeft gediend, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat de aanzienlijke omvang van het deskundigenonderzoek noodzakelijk is geweest. De deskundigen hebben meer dan zeshonderd uren gedeclareerd, terwijl het hof ervan uitgaat dat met een (voor)onderzoek van honderd uren per deskundige voldoende duidelijkheid had kunnen worden verschaft om de noodzaak van verder onderzoek aan de rechtbank voor te leggen. Derhalve zal het hof een vergoeding toekennen voor tweemaal honderd uren. Het hof zal het gedeclareerde uurtarief van €200 voorts matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (200 X €81,23 =) €16.246.

C. Onderzoek drs. [V.]

Het hof is van oordeel dat de aanwending van kosten voor het onderzoeksrapport van drs. [V.] het onderzoek niet heeft gediend. Het hof overweegt daartoe dat op grond van het onderzoek in raadkamer niet is gebleken dat [V.] voldoet aan te stellen elementaire eisen van deskundigheid op het terrein waarover hij rapporteerde. Dit oordeel komt voor verzoeker niet als een verrassing, aangezien de rechter-commissaris (op 13 maart 2007) en de raadkamer (4 april 2007) bij de rechtbank Haarlem deze persoon reeds onvoldoende deskundig hebben geacht om als zodanig (te weten als deskundige in de zin van art. 227 Wetboek van Strafvordering) te worden benoemd. Door deze persoon desondanks in te schakelen heeft de verdediging welbewust het risico genomen dat in de procedure ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering eenzelfde oordeel over de deskundigheid van drs. [V.] zou worden gegeven.

Ten aanzien van het optreden van [V.] als “controlerend deskundige” ex artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering moet – conform de beschikking d.d. 4 april 2007 van de raadkamer van de rechtbank Haarlem - worden geoordeeld dat het daarbij gaat om een vrij beperkte rol waarvoor minder stringente criteria gelden. De hiervoor aangewende kosten hebben naar ’s hofs oordeel het onderzoek gediend. Het hof zal derhalve een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €200 vanwege die beperkte rol matigen tot vijftig procent van het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Voorts is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat voor het opstellen van het betreffende rapport – dat vrij beperkt van omvang is - een onderzoek van 70 uren noodzakelijk is geweest. Het hof zal daarom overgaan tot vergoeding van de helft van het aantal gedeclareerde uren.

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (35 uren X €40,62 =) € .421,70 + €2.993,76 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €4.415,46.

De declaratie van drs. [V.] voor het afleggen van een verklaring ter zitting van het Hof Amsterdam op 10 en 11 augustus 2009 is voor gedeeltelijke toewijzing vatbaar. Het hof zal de declaratie matigen, in die zin dat zal worden uitgegaan van een uurtarief van €81,23 voor de werkuren en €40,62 voor de reisuren (conform het Besluit tarieven in strafzaken).

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (11,83 uren X €81,23 + 6 uren X 40,62 =) €1.204,67 + € 403,48 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €1.608,15.

De in totaal toe te kennen vergoeding bedraagt (€4.415,46 + €1.608,15 =) €6.023,61.

D. Statistisch onderzoek PSCT

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. Het zal een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €150 matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (36 uren X €81,23 =) €2.924,28.

Beoordeling van de verzoeken ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (AV-nrs. 0926, 0928, 0930 en 0932)

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Nu het hof bij beschikking van heden de vier ingediende verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering – al dan niet gedeeltelijk - heeft toegewezen, acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om de kosten van rechtsbijstand die gemoeid zijn met het opstellen, indienen en behandelen van de betreffende verzoekschriften, voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

Nu de advocaat van de verzoeker aanwezig is geweest bij de mondelinge behandeling van de verzoeken, zal het hof aan de verzoeker vier maal de forfaitaire vergoeding van €550 toekennen.

Uit het voorgaande volgt dat moet worden beslist als hierna is aangegeven.

Beslissing

Het hof:

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nrs. 0925 en 0926)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €714.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nrs. 0927 en 0928)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €16.246. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nrs. 0929 en 0930)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €6.023,61. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nrs. 0931 en 0932)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €2.924,28.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vervoer van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kommen: Beroep op fait d’excuse

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1360

Verdachte heeft zonder noodzaak gevaarlijke stoffen vervoerd door de bebouwde kom van Delfzijl. Verdachte heeft hiermee gehandeld in strijd met de doelstelling van de Wet gevaarlijke stoffen, de bevordering van de openbare veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Door en namens verdachte is aangevoerd dat de bij haar in dienst zijnde chauffeur met het voertuig door de bebouwde kommen van Delfzijl en Appingedam heeft gereden, maar dat verdachte dient te worden vrijgesproken, dan wel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de uitzonderingsgronden van artikel 11, tweede lid, onder a en b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) van toepassing zijn.

Volgens de raadsman was het vervoer binnen de bebouwde kom van Delfzijl noodzakelijk ten behoeve van het laden van het voertuig. Daarnaast was er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom (het hof begrijpt: van Appingedam) beschikbaar.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De door de raadsman aangevoerde omstandigheden zijn aan te merken als een fait d'excuse en komen aan de orde bij de vraag naar de strafbaarheid van het feit.

Uit de stukken is gebleken dat de gevaarlijke stoffen zijn geladen bij [bedrijf], gevestigd aan de [straat]. Volgens openbaar te raadplegen kaartmateriaal (Google maps) is de [straat] gelegen in Farmsum. De verbalisanten hebben op 2 april 2012 geconstateerd dat de chauffeur op de [straat] te Farmsum reed en vervolgens door de bebouwde kom van Delfzijl reed. De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat het vervoer van de gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom van Delfzijl noodzakelijk was ten behoeve van het laden daarvan, is niet aannemelijk gemaakt en ook overigens is dit op grond van de stukken niet aannemelijk geworden. In dit verband overweegt het hof dat de bebouwde kom van Delfzijl had kunnen worden vermeden door het volgen van de route via de N991, de N362 (Holeweg) en de N33. Het beroep op de in artikel 11, tweede lid, onder a, van de Wvgs geformuleerde uitzonderingsgrond wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom van Appingedam over de N360 heeft verdachte aannemelijk gemaakt dat er in dit geval redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar was, zodat verdachte, gelet op de in artikel 11, tweede lid, onder b, van de Wvgs geformuleerde uitzondering, ten aanzien van dit deel van de bewezenverklaring zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verweer: OM niet-ontvankelijk wegens optreden onderzoeksjournalist in GHB-zaak. Geen regisserende rol OM. Geen sprake van burgerinfiltratie.

Gerechtshof Den Haag 18 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:319

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaren met anderen schuldig gemaakt aan het handelen in en het in bezit hebben van het verdovende middel GHB. Tevens heeft de verdachte met zijn mededaders gedurende een periode van ruim tien maanden strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet gepleegd ten aanzien van de handel in GHB.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie, met vernietiging van het vonnis, niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte.

In dat verband heeft raadsman aangevoerd dat vanaf het moment waarop journalist [naam], destijds werkzaam voor het televisieprogramma “[naam]”, zich op 21 februari 2013 als getuige meldde bij het openbaar ministerie in Rotterdam, in deze zaak in strijd is gehandeld met de geldende wet- en regelgeving. Er is immers sprake geweest van de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid “burgerinfiltratie”, zoals omschreven in artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering, omdat nadat [naam] zich had gemeld – aldus de raadsman - een reeds tussen [ en de verdachte gemaakte afspraak, in overleg met politie en openbaar ministerie is afgezegd en vervolgens telefonisch (gevolgd onder de tap) een nieuwe afspraak met de verdachte is gemaakt die is geobserveerd door de politie.

Subsidiair heeft de raadsman, overeenkomstig zijn pleitnota, bepleit dat de aanhouding, inverzekeringstelling en ‘in hechtenisneming’ als gevolg van de onrechtmatige inzet van de genoemde opsporingsbevoegdheid onrechtmatig zijn geweest, alsmede dat het jegens de verdachte - als gevolg van die onrechtmatig ingezette opsporingsbevoegdheid - verkregen bewijsmateriaal zal worden uitgesloten van het bewijs van het laste gelegde. De verdachte dient daarom van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het geding is het hof, in weerwil van het betoog van de raadsman, van oordeel dat geenszins is gebleken dat de journalist [naam] onder regie van het openbaar ministerie heeft gehandeld. Het hof stelt vast dat [naam] naar aanleiding van zijn eigen journalistieke onderzoek het openbaar ministerie op 21 februari 2013 heeft ingelicht over zijn bevindingen, waarna – zonder dat het openbaar ministerie daarin een regisserende rol heeft gehad - de tussen [naam] en de verdachte gemaakte afspraak drie weken is uitgesteld. Naar aanleiding van het door de politie in gang gezette opsporingsonderzoek is de verdachte aangehouden.

Ten overvloede overweegt het hof dat op grond van artikel 126w, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering eerst rechtens sprake kan zijn van burgerinfiltratie, indien de in dat artikellid bedoelde persoon - die geen opsporingsambtenaar is - bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep personen waarbinnen redelijkerwijs kan worden vermoed dat misdrijven worden beraamd of gepleegd. Van dergelijke deelneming of medewerking is echter niet gebleken.

Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat het handelen van burgers onderling, ook als dat handelen wederrechtelijk is, in beginsel niet aan het gebruik van (de resultaten van) dat handelen voor het bewijs tegen de verdachte in de weg staat, tenzij dat wederrechtelijk

handelen aan de officier van justitie kan worden toegerekend.

Geen van die omstandigheden is in casu aannemelijk gemaakt, noch anderszins aannemelijk geworden. Derhalve verwerpt het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Voorts is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een onrechtmatige aanhouding, inverzekeringstelling of inbewaringstelling van de verdachte.

Gelet op het vorenstaande kan het subsidiair gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting onbesproken blijven.

Bewezenverklaring

  1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
  2. Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd.
  3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verweer dat in de voorfase & in het opsporingsonderzoek controlebevoegdheden van de Belastingdienst zijn misbruikt ten behoeve van de opsporing van commune strafbare feiten

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:377

Verdachte wordt verdacht van:

  1. Opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting
  2. Valsheid in geschrift
  3. Niet ambtelijke omkoping

Verweren

De verdediging heeft:

primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging;

subsidiair bepleit dat, mocht het hof het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in de strafvervolging, verdachte van de aan hem ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken en dat, gelijk de advocaat-generaal heeft gesteld met betrekking tot de onder 3. ten laste gelegde feiten gepleegd vóór februari 2002, deze zijn verjaard, en

meer subsidiair dat, mocht het hof toch tot enige veroordeling komen, geen gevangenisstraf maar een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Sfeerovergang

De verdediging heeft zich in verband met de gang van zaken in de voorfase van het opsporingsonderzoek en rond de start van het onderzoek op het standpunt gesteld dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.

Primair heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim nu het openbaar ministerie niet in staat is gebleken adequaat te motiveren waarom verdachte is vervolgd in verband met overtreding van artikel 69 van de

Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). In dit verband is door de verdediging in het bijzonder gewezen op het feit dat de FIOD geen adequate verslaglegging heeft bijgehouden over de vervolgingsbeslissing van dit delict en in het TPO van 25 mei 2005 met betrekking tot de zaak van verdachte alleen is besloten over de acceptatie voor strafrechtelijk onderzoek in verband met commune feiten terwijl nadien van extra of nieuwe informatie over het vermeende fiscale delict niet is gebleken. Gelet op deze gang van zaken is – aldus de verdediging – sprake van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of in ieder geval met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort is gedaan.

Subsidiair heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat fiscale controlebevoegdheden zijn misbruikt ten behoeve van de opsporing van commune strafbare feiten, op grond waarvan eveneens sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of in ieder geval met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort is gedaan.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat inzicht is gegeven in de gang van zaken rond de start van het onderzoek en dat daarbij geen sprake is geweest van vormverzuimen noch van misbruik van bevoegdheden of schending van de belangen van de verdachte.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast met betrekking tot de gang van zaken rond de start van het onderzoek.

Het Memo Onroerende zaak transacties BV 1 /BV 2 van 24 mei 2004 van de Belastingdienst is het eerste document waarin melding wordt gemaakt van de aanleiding voor nader onderzoek door de Belastingdienst.

Blijkens de inhoud van het “Memo Aanmelding Strafrechtelijke vervolging” d.d. 1 september 2004 heeft Trafi (Team research analyse fiscale / financiële informatie, onderdeel van de Belastingdienst) in dit Memo de verdenking omschreven, waaronder het in de tenlastelegging onder 1. ten laste gelegde fiscale delict (pagina 2 en 6-8 van genoemd document), de onder 2. ten laste gelegde ‘valsheid in geschrift’ en de onder 3. ten laste gelegde overtreding van artikel 328ter Sr, te weten niet-ambtelijke corruptie, en deze verdenking op genoemde datum aangemeld bij de Boete-fraudecoördinator (Bfc) van de Belastingdienst.

Vervolgens is door verbalisant 1, destijds werkzaam bij de FIOD, het document “Aanmelding strafrechtelijk onderzoek” d.d. 24 februari 2005 opgemaakt, waarin zij, blijkens haar verklaring bij de raadsheer-commissaris van 13 januari 2014 het onderdeel omtrent artikel 328ter Sr nader heeft belicht. In dat document wordt eveneens het fiscale feit omschreven. Hierna is de zaak aan de hand van laatstgenoemd document daadwerkelijk bij het Tri Partite Overleg (TPO) van 25 mei 2005 voor bespreking aangemeld.

Volgens de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van verbalisant 2 d.d. 9 oktober 2013, destijds als contactambtenaar / Boete-fraudecoördinator van de Belastingdienst bij onderhavige zaak betrokken, en volgens de inhoud van de door verbalisant 2 in verband met onderhavige strafzaak opgemaakte brief van de belastingdienst d.d. 20 oktober 2011, is onderhavige zaak in het TPO van 25 mei 2005 voor strafrechtelijk onderzoek geaccepteerd voor wat betreft overtreding van artikel 328ter Sr en (impliciet) voor wat betreft het fiscale delict ‘voor zover het vermeende nadeel verder onderbouwd zou kunnen worden’. Vervolgens is – aldus de verklaring van verbalisant 2 – na informatie over het fiscaal nadeel de zaak van verdachte op het tweede TPO van 13 oktober 2005 ook voor het fiscale delict voor strafrechtelijk onderzoek geaccepteerd.

Uit het aanvullend proces-verbaal van 14 september 2011 van verbalisant 3, destijds als medewerker van de FIOD betrokken bij onderhavige zaak, alsmede uit zijn op 13 januari 2014 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring blijkt dat in zijn visie onderhavige zaak voor een tweede maal in het TPO is aangebracht omdat de termijn van acht weken, waarbinnen hij een plan van aanpak gereed diende te hebben, was verstreken. Vervolgens zijn de zaken door het functioneel parket geaccepteerd.

Op 15 februari 2006 is verdachte in verzekering gesteld.

Het hof overweegt het volgende.

Uit bovenomschreven gang van zaken met betrekking tot de voorfase van het opsporingsonderzoek alsmede de start van het onderzoek leidt het hof af dat de verdenking van een fiscaal delict vanaf de eerste aanmelding onderdeel heeft uitgemaakt van de stukken met betrekking tot de in het TPO aangebrachte zaak; in die stukken is omschreven wat de verdenking inhield.

Wat er derhalve ook zij van het primaire standpunt van de verdediging dat niet is gebleken op basis van welke informatie door het openbaar ministerie de vervolgingsbeslissing is genomen om verdachte ook voor overtreding van artikel 69 AWR te vervolgen, naar het oordeel van het hof is in ieder geval volstrekt niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van dusdanige ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of in ieder geval met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort is gedaan, dat niet meer gezegd kan worden dat sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt in dat kader dat naar aanleiding van de door de verdediging aangevoerde beweerdelijke onduidelijke verslaglegging van hetgeen heeft plaatsgevonden in de voorfase van het opsporingsonderzoek in eerste aanleg een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt en dat de verdediging tijdens de behandeling van het hoger beroep in de gelegenheid is gesteld door de advocaat-generaal ter beschikking gestelde stukken afkomstig uit die voorfase aan het dossier toe te laten voegen, alsmede in de gelegenheid is gesteld als getuigen te horen meerdere bij die voorfase betrokken medewerkers van de belastingdienst en FIOD, waardoor inzicht geboden is in de gang van zaken in de voorfase van het opsporingsonderzoek en de verdediging daarop heeft kunnen reageren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, noch uit bedoelde stukken, noch de getuigenverhoren, noch de overige inhoud van het dossier is gebleken van een begin van bewijs voor de stelling van de verdediging dat in die voorfase en het daarop volgende opsporingsonderzoek fiscale controlebevoegdheden zijn misbruikt ten behoeve van de opsporing van commune strafbare feiten.

Gelet op het vorenoverwogene dienen zowel het primair als het subsidiair gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging te worden verworpen.

Verjaring

Het hof overweegt dat de onder 3. ten laste gelegde feiten niet reeds na het aannemen van de gift of belofte zijn voltooid, doch die voltooiing afhangt van de vervulling van het andere delictsbestanddeel, te weten de verzwijging van de gift tegenover de werkgever. Het in strijd met de goede trouw verzwijgen van het aannemen van een gift of belofte dient te worden aangemerkt als één voortdurende omissie. Mitsdien is het delict pas voltooid als de dader niet langer in gebreke is.

Gelet op het vorenoverwogene heeft, nu in de onderhavige strafzaak de verdachte wordt verweten dat hij ten aanzien van iedere afzonderlijke gift in gebreke is gebleven daarvan melding te maken tegenover zijn werkgever, de termijn van verjaring ten aanzien van iedere gift in elk geval niet eerder een aanvang genomen dan op of na 1 maart 2003, de dag waarop zijn dienstbetrekking bij X Beheer werd beëindigd.

Gelet op het feit dat nadien binnen zes jaren meerdere malen sprake is geweest van een daad van vervolging als bedoeld in artikel 72, lid 1, Sr, vervalt ingevolge het bepaalde in lid 2 van dit artikel het recht op strafvervolging in onderhavige strafzaak ter zake van de onder 3. ten laste gelegde feiten eerst op 1 maart 2015. Anders dan de advocaat-generaal en de verdediging is het hof mitsdien van oordeel dat het onder 3. ten laste gelegde ook voor wat betreft de feiten gepleegd vóór februari 2002 niet is verjaard.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten worden afgeleid, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Feit 1: vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde aangiften inkomstenbelasting door verdachte opzettelijk onjuist zijn gedaan.

Feit 3

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van de onder 3. ten laste gelegde ‘niet ambtelijk omkoping’ dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de door E B.V. uit W B.V. ontvangen geldbedragen dividenden betroffen waar hij als economisch eigenaar van de aandelen in E B.V. recht op dacht te hebben uit hoofde van het 25% aandeelhoudersbelang van E B.V. in W B.V. en hij mitsdien deze gelden niet als gift heeft aangenomen in de zin van artikel 328ter Sr.

In het bijzonder heeft de verdediging met betrekking tot genoemde geldbedragen erop gewezen dat verdachte geen kennis droeg van de constructie tussen W B.V. en O B.V. en de aan de onderhavige geldstromen ten grondslag liggende winstdelingsovereenkomsten ter zake van de opbrengsten van vastgoedtransacties waarbij verdachte betrokken is geweest.

Het hof overweegt dienaangaande dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte via zijn vennootschap E B.V. in totaal een bedrag van € 760.628,= (€ 238.234,00 uit de transactie van pand A en B, € 417.290,00 uit de transactie van pand C, D en F en € 105.104,00 uit de transactie van de panden H, G en I) van O B.V. heeft ontvangen uit de winst die O B.V. behaalde met de genoemde vastgoedtransacties.

Bij alle hiervóór genoemde transacties was X betrokken, als de verkopende dan wel de kopende partij. Verdachte was, gelet op zijn functie bij X Beheer, steeds betrokken bij de totstandkoming van die vastgoedtransacties, waarbij hij onder meer informatie verzamelde voor en/of informatie verschafte over de betrokken panden aan zijn partners in W B.V. en over die panden sprak of onderhandelingen voerde met die partners in W B.V.

Gelet op zijn functie bij X was verdachte in staat invloed uit te oefenen bij de aan- en verkoop van vastgoed door X. Hij was daardoor in staat transacties van door zijn partners in W B.V. enerzijds aan X aangeboden vastgoed en anderzijds bij X te koop gevraagd vastgoed, bij X voor te bereiden, in gang te zetten en de resultaten ervan te beïnvloeden.

Uit de door betrokkene 1 en betrokkene 2 bij de FIOD afgelegde, en de door het hof voor het bewijs gebezigde (onderdelen van) verklaringen blijkt dat verdachte steeds per aan- of verkooptransactie ook kennis droeg van de inhoud van de tevoren afgesproken winstverdeling tussen de bij de transactie betrokkenen, waaronder die, welke zijn weergegeven in de vorenbedoelde binnen O B.V. gesloten winstverdelingsovereenkomsten.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat verdachte zich bewust was van de daadwerkelijke herkomst van de hiervóór genoemde geldbedragen ontvangen door E B.V. en deze geldbedragen zijn betaald in verband met door hem verrichte werkzaamheden / verstrekte informatie zoals hiervóór omschreven. Mitsdien dienen deze geldbedragen ook te worden aangemerkt als door verdachte als gift te zijn aangenomen in de zin van artikel 328ter Sr.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

3. Het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, een geldboete van € 250.000 en een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wet vervoer gevaarlijke stoffen: Begrip 'ontgassen'

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:244

Aan de verdachte werd in de kern verweten dat hij een motortankschip te Moerdijk heeft laten liggen, terwijl zich op dat schip gevaarlijke stoffen, te weten Adiponitril of resten daarvan, bevonden. Een meting zou hebben uitgewezen dat de tanks waarin deze gevaarlijke stoffen waren vervoerd, nadat deze waren geleegd niet zijn ontgast, terwijl dit wel is voorgeschreven in de regelgeving.

Het hof overweegt dat het aannemelijk is dat de tanks reeds waren ontgast toen de controle plaatsvond. Dat de resultaten van de meting tot de conclusie zouden moeten leiden dat niet of niet goed is ontgast, is het hof niet gebleken. Het hof overweegt nog dat in de tanks weliswaar nog een aantal parts per million zijn gemeten, maar dat niet is gebleken welke stof daarbij is gemeten. Het ten laste gelegde kan dan ook niet worden bewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het Hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub f van de Verordening betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de EG heeft heeft begaan

Gerechtshof Den Haag 13 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:5111

Vast staat dat sprake is van uitvoer uit Nederland van een afvalstof in de zin van EG-verordening 1013/2006 naar een land, China, waarop het OESO-besluit niet van toepassing is met als doel een nuttige toepassing. Op deze uitvoer zijn de artikelen 36 en 37 van EG-verordening 1013/2006 van toepassing.

Artikel 36, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat de uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing verboden is voor onder andere: “f) afvalstoffen waarvan het land van bestemming de invoer heeft verboden”.

Artikel 37 betreft afvalstoffen van bijlage III of IIIA waarvan de uitvoer niet reeds is verboden krachtens artikel 36. Met artikel 37 is geregeld dat de Commissie een schriftelijk verzoek – de Questionnaire – aan ieder niet-OESO land zendt, opdat ieder niet-OESO land schriftelijk bevestigt dat de afvalstoffen (met het oog op de nuttige toepassing in dat land) vanuit de Unie mogen worden uitgevoerd en voorts de controleprocedure in dat land aangeeft.

Als reactie op de Questionnaire zijn er voor de niet-OESO landen drie mogelijkheden: a) een verbod, b) een voorafgaande kennisgeving met schriftelijke toestemming zoals beschreven in artikel 35 van de EG Verordening en c) geen controle in het land van bestemming.

China heeft voor B3010 “Solid plastic waste”, waaronder bepaalde polymeren, bevestigd dat het afval voor nuttige toepassing mag worden uitgevoerd naar China en daarbij antwoord c) (geen controle) aangegeven. Zij heeft dus voor deze stoffen niet aangegeven dat zij heeft gekozen voor een verbod; zij heeft wel bevestigd dat de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd zonder dat de kennisgeving met schriftelijke toestemming zoals beschreven in artikel 35 van de EG Verordening 1013/2006 van toepassing is.

In antwoord op de Questionnaire heeft China voorts verklaard dat zij een eigen controleprocedure volgt. Deze (eigen) procedure brengt met zich dat voor invoer drie documenten vereist zijn, waaronder het Certificate for Pre-shipment Inspection of Recycling Scraps to China issued bij CCIC (hierna: het CCIC-certificaat). China heeft – bij het antwoord op de Questionnaire – geschreven dat het niet is toegestaan een lading afval die niet aan alle vereisten voldoet, te importeren. Zij heeft op die wijze dus aangegeven dat zij de invoer van afval zonder het CCIC-certificaat verbiedt.

De Commissie heeft na ontvangst van de antwoorden van de niet-OESO landen de EG‑verordening 1418/2007 vastgesteld (op basis van artikel 37, tweede lid van de EG‑verordening 1013/2006). In die verordening 1418/2007 zijn de antwoorden op de Questionnaire opgenomen. In die verordening heeft de Commissie - naast de kolommen a), b) en c) - in een kolom d) vermeld of er in het land van bestemming volgens het toepasselijke nationale recht andere controleprocedures worden gevolgd.

In deze EG‑verordening 1418/2007 is uit B3010 het (plastic schroot van) bepaalde polymeren alleen opgenomen in kolom d. Het hof gaat er van uit dat deze in kolom d opgenomen B3010 stoffen, het tenlastegelegde kunststof betreffen. Deze stoffen heeft de Commissie dus niet opgenomen in de kolom met verboden stoffen (kolom a).

De opname in kolom d en niet in kolom a, betekent dat er geen sprake is van een verbod als bedoeld in artikel 36 van de EG-verordening 2013/2006. De verdachte heeft met de haar verweten handelingen dat artikel niet overtreden. Dat er anderszins in strijd met één van de in artikel 2 onder 35 sub f van de EG-verordening 2013/2006 is gehandeld is in dit geding niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht en verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gemachtigd raadsman door omissie baliemedewerker bij verkeerde zittingszaal gewacht op uitroepen zaak - verdachte bij verstek veroordeeld

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:62

Verdachte was voor de onderhavige strafzaak met parketnummer 03/855552-12, opgeroepen voor de zitting van de kinderrechter in de rechtbank Limburg op 30 augustus 2013 om 9.30 uur. Verdachte had zijn raadsman gemachtigd om namens hem het woord ter verdediging in deze strafzaak te voeren; hij zou zelf niet ter terechtzitting verschijnen. De raadsman was op 30 augustus 2013 in het gerechtsgebouw aanwezig en heeft zich tijdig gemeld aan de balie, onder de mededeling dat hij kwam voor de zitting van verdachte, waarop de baliemedewerker de raadsman meedeelde dat de zitting zou plaatsvinden in zaal F. De raadsman heeft gewacht bij zaal F en heeft, nadat de zaak om 9.50 uur nog niet was uitgeroepen, zich nogmaals bij de baliemedewerker gemeld, die hem vertelde dat de zaak niet om 9.30 uur maar om 10.05 uur diende; waarna de raadsman opnieuw heeft gewacht bij zaal F. Omstreeks 11.05 uur werd de zaak van verdachte uitgeroepen. Bij het voordragen van de zaak werd de raadsman duidelijk dat het niet ging om de strafzaak met parketnummer 03/855552-12 maar om een andere strafzaak van verdachte, met parketnummer 03/104393-13. Het onderzoek in die laatstbedoelde zaak is vervolgens geschorst teneinde dit misverstand uit te zoeken. Bij navraag bleek er op dezelfde dag naast de strafzaak van verdachte met parketnummer 03/855552-12 nog een strafzaak (03/104393-13) tegen verdachte te dienen, waarvan de raadsman niet op de hoogte was. De onderhavige zaak met parketnummer 03/855552-12 bleek te zijn uitgeroepen bij zaal G, evenwel slechts onder vermelding van een nummer omdat het een zaak van een minderjarige betrof en zaken dan alleen onder nummer worden uitgeroepen. De raadsman heeft zich vervolgens omstreeks 11.20 uur bij zaal G gevoegd en toen bleek dat de zaak van 9.30 uur (de onderhavige strafzaak) inmiddels bij verstek was afgedaan.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof de gemachtigd raadsman door een omissie van de baliemedewerker van de rechtbank niet in de gelegenheid geweest de behandeling van de onderhavige strafzaak bij te wonen en aldaar namens verdachte het woord ter verdediging te voeren.

Verdachte is op 30 augustus 2013 door de kinderrechter bij verstek veroordeeld. Bewezen verklaard is (1) het opzettelijk voorhanden hebben van hennep en (2) het voorhanden hebben van een wapen van categorie IV, terwijl verdachte de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt. 

De kinderrechter legde - kort gezegd - aan verdachte ter zake van het eerste feit een deels voorwaardelijke jeugddetentie op en bepaalde voorts dat aan verdachte ter zake van het tweede feit geen straf op maatregel wordt opgelegd.

De raadsman van verdachte (die blijkens mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ook door zijn cliënt bepaaldelijk gevolmachtigd was om namens zijn cliënt hoger beroep in te stellen) heeft op 30 augustus 2013 onbeperkt appel ingesteld tegen voornoemd vonnis van de kinderrechter.

Ontvankelijkheid hoger beroep

Het hof is van oordeel dat verdachte ter zake van het eerstgenoemde feit, een misdrijf, gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

Ten aanzien van de vraag of verdachte ook in zijn hoger beroep kan worden ontvangen wat betreft het tweede feit, zijnde een overtreding, overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 404, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, is hoger beroep in beginsel niet mogelijk tegen vonnissen betreffende overtredingen waarbij artikel 9a Wetboek van Strafrecht is toegepast, hetgeen in het onderhavige geval aan de orde is. Het derde lid van artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering maakt hierop een uitzondering voor het geval er sprake is van een verstekvonnis en de situatie waarin - kort gezegd - de dagvaarding of oproeping voor de (nadere) terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend en de verdachte ook niet anderszins op de hoogte was van de terechtzitting.

Blijkens de wetgeschiedenis bij de Wet stroomlijning hoger beroep is (naar het hof begrijpt) de ratio achter het invoeren van artikel 404, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gelegen in de gedachte om alleen aan verdachten die niet op de hoogte waren van de terechtzitting een rechtsmiddel ter zake van relatief lichte zaken (de zogenoemde bagatelzaken van lid 2 sub a of b van artikel 404, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering) het recht op hoger beroep te geven. Anders gezegd: de ratio is dat geen rechtsmiddel in stand hoeft te worden gehouden voor de zogenaamde bagatelzaken, waarin de verdachte wel op de hoogte was van de berechting maar zich niet de moeite heeft getroost te verschijnen of zich te laten vertegenwoordigen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 34-35).

Uit de stukken blijkt dat verdachte op de hoogte was van de terechtzitting van 30 augustus 2013. Immers, uit de appelschriftuur d.d. 12 september 2013 volgt dat verdachte niet alleen voorafgaand aan de zitting aan zijn raadsman had gemachtigd om namens hem het woord ter verdediging te voeren, maar tevens aan zijn raadsman te kennen heeft gegeven dat hij wegens omstandigheden niet aanwezig zou zijn op de zitting van 30 augustus 2013.

Zo bezien is strikt genomen de uitzonderingssituatie van het derde lid van artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering niet aan de orde, waarin is bepaald dat een rechtsmiddel tegen verstekvonnissen ter zake van bagatelzaken alleen openstaat, indien de verdachte (kort gezegd) niet op de hoogte is van de terechtzitting.

Echter, nu verdachte vanwege de hiervoor onder het kopje ‘Overwegingen hof’ omschreven omissie van de baliemedewerker van de rechtbank, geen blaam treft dat hij (via zijn gemachtigd raadsman) niet ter terechtzitting is verschenen, ziet het hof aanleiding om deze hoogst bijzondere situatie niet gelijk te stellen aan de situatie waar in de memorie van toelichting op wordt gedoeld, te weten: het niet in stand houden van hoger beroep voor bagatelzaken, waarin de verdachte wel op de hoogte was van de terechtzitting, maar niet van zijn aanwezigheidsrecht (al dan niet via tussenkomst van een gemachtigd raadsman) gebruik wenst te maken.

Nu verdachte geen blaam treft dat hij (via tussenkomst van zijn gemachtigd raadsman) niet ter terechtzitting is verschenen, dient naar het oordeel van het hof een dergelijke situatie met de in artikel 404, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering omschreven situatie gelijk te worden gesteld, zodat aan verdachte wel een recht op hoger beroep toekomt.

Het hof zal verdachte dan ook eveneens ten aanzien van de overtreding ontvankelijk verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.

Het hof is derhalve, met de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat verdachte in het door hem ingestelde beroep kan worden ontvangen.

Geldigheid onderzoek in eerste aanleg

Zoals hierboven reeds overwogen, is naar het oordeel van het hof uit de stukken komen vast te staan dat de gemachtigd raadsman van verdachte in verband met de behandeling van de onderhavige strafzaak (met parketnummer 03/855552-12) ter terechtzitting in eerste aanleg tijdig in het gerechtsgebouw aanwezig was en van zijn aanwezigheid aan de baliemedewerker melding heeft gedaan. Door een omissie van de baliemedewerker van de rechtbank heeft de raadsman evenwel niet bij de juiste zittingzaal gewacht op het uitroepen van de onderhavige strafzaak, waardoor de raadsman de behandeling niet heeft kunnen bijwonen en de strafzaak bij verstek is afgedaan.

Ingevolge artikel 423, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, doet de appelrechter, als hoofdregel, de zaak zelf af. Het tweede lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt in welk geval de appelrechter de zaak naar de rechter in eerste aanleg terugwijst. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie een uitbreiding aan het genoemde tweede lid gegeven, wegens strijd met artikel 6 EVRM of vanwege het in artikel 423, tweede lid besloten beginsel van het recht op twee feitelijke instanties voor die gevallen waarin de wet behandeling in twee instanties aan een verdachte toekent.

Zo dient ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2000, NJ 2000, 423, met een beroep op art. 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, terugwijzing ook plaats te vinden, in het geval de rechter ter terechtzitting aan een behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat één van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting - waartoe naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, slechts de verdachte en diens raadsman wordt gerekend - aldaar niet is verschenen, terwijl deze niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Volgens de Hoge Raad moest er in cassatie in die betreffende strafzaak vanuit worden gegaan dat de verdachte in verband met de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg tijdig in het gerechtsgebouw aanwezig was en van zijn aanwezigheid mededeling heeft gedaan aan de dienstdoende bode en dat laatstgenoemde vervolgens heeft nagelaten de verdachte op te roepen om in de zaal van de terechtzitting te verschijnen.

Het hof ziet gelet op de inhoud van voornoemd arrest van de Hoge Raad aanleiding de onderhavige situatie, waarin de raadsman door een omissie van de baliemedewerker van de rechtbank niet naar de juiste zittingszaal is verwezen en vervolgens de kinderrechter -buiten aanwezigheid van de raadsman van verdachte- tot een verstekvonnis is gekomen, gelijk te stellen met de uitbreiding die de Hoge Raad geeft aan het tweede lid van artikel 423, van het Wetboek van Strafvordering. Nu de raadsman in hoger beroep heeft verzocht om terugwijzing naar de kinderrechter zal het hof dan ook het vonnis van de kinderrechter vernietigen en beslissen als hierna te melden.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht en wijst de zaak terug naar de kinderrechter in de rechtbank Limburg, teneinde de zaak op de grondslag van de inleidende dagvaarding te berechten en af te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Politierechter niet ervan bewust dat strafblad nooit kan dienen als wettig bewijsmiddel

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:119

In de bewijsoverwegingen van de politierechter schrapt het hof de passage “Het strafblad van verdachte kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt, maar werkt wel mee voor de overtuiging dat verdachte zich aan winkeldiefstal heeft schuldig gemaakt.”

Nog daargelaten de vraag naar de verenigbaarheid van deze overweging met de in art. 6 EVRM vervatte onschuldspresumptie en daargelaten de redengevendheid van de - overigens niet in het vonnis opgenomen - inhoud van het strafblad van de verdachte voor het bewijs van de in de onderhavige zaak ten laste gelegde diefstal, overweegt het hof dat de hiervoor bedoelde passage in de bewijsoverwegingen van de politierechter zich niet verhoudt met het bepaalde in art. 338 Sv.

Ingevolge laatstgenoemde bepaling kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.

De overweging van de politierechter - enerzijds inhoudende dat het strafblad niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, maar anderzijds inhoudende dat de rechterlijke overtuiging wel op dat strafblad wordt gebaseerd - is daarmee in strijd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^