Verweer: OM niet-ontvankelijk wegens optreden onderzoeksjournalist in GHB-zaak. Geen regisserende rol OM. Geen sprake van burgerinfiltratie.

Gerechtshof Den Haag 18 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:319

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaren met anderen schuldig gemaakt aan het handelen in en het in bezit hebben van het verdovende middel GHB. Tevens heeft de verdachte met zijn mededaders gedurende een periode van ruim tien maanden strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet gepleegd ten aanzien van de handel in GHB.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie, met vernietiging van het vonnis, niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte.

In dat verband heeft raadsman aangevoerd dat vanaf het moment waarop journalist [naam], destijds werkzaam voor het televisieprogramma “[naam]”, zich op 21 februari 2013 als getuige meldde bij het openbaar ministerie in Rotterdam, in deze zaak in strijd is gehandeld met de geldende wet- en regelgeving. Er is immers sprake geweest van de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid “burgerinfiltratie”, zoals omschreven in artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering, omdat nadat [naam] zich had gemeld – aldus de raadsman - een reeds tussen [ en de verdachte gemaakte afspraak, in overleg met politie en openbaar ministerie is afgezegd en vervolgens telefonisch (gevolgd onder de tap) een nieuwe afspraak met de verdachte is gemaakt die is geobserveerd door de politie.

Subsidiair heeft de raadsman, overeenkomstig zijn pleitnota, bepleit dat de aanhouding, inverzekeringstelling en ‘in hechtenisneming’ als gevolg van de onrechtmatige inzet van de genoemde opsporingsbevoegdheid onrechtmatig zijn geweest, alsmede dat het jegens de verdachte - als gevolg van die onrechtmatig ingezette opsporingsbevoegdheid - verkregen bewijsmateriaal zal worden uitgesloten van het bewijs van het laste gelegde. De verdachte dient daarom van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het geding is het hof, in weerwil van het betoog van de raadsman, van oordeel dat geenszins is gebleken dat de journalist [naam] onder regie van het openbaar ministerie heeft gehandeld. Het hof stelt vast dat [naam] naar aanleiding van zijn eigen journalistieke onderzoek het openbaar ministerie op 21 februari 2013 heeft ingelicht over zijn bevindingen, waarna – zonder dat het openbaar ministerie daarin een regisserende rol heeft gehad - de tussen [naam] en de verdachte gemaakte afspraak drie weken is uitgesteld. Naar aanleiding van het door de politie in gang gezette opsporingsonderzoek is de verdachte aangehouden.

Ten overvloede overweegt het hof dat op grond van artikel 126w, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering eerst rechtens sprake kan zijn van burgerinfiltratie, indien de in dat artikellid bedoelde persoon - die geen opsporingsambtenaar is - bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep personen waarbinnen redelijkerwijs kan worden vermoed dat misdrijven worden beraamd of gepleegd. Van dergelijke deelneming of medewerking is echter niet gebleken.

Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat het handelen van burgers onderling, ook als dat handelen wederrechtelijk is, in beginsel niet aan het gebruik van (de resultaten van) dat handelen voor het bewijs tegen de verdachte in de weg staat, tenzij dat wederrechtelijk

handelen aan de officier van justitie kan worden toegerekend.

Geen van die omstandigheden is in casu aannemelijk gemaakt, noch anderszins aannemelijk geworden. Derhalve verwerpt het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Voorts is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een onrechtmatige aanhouding, inverzekeringstelling of inbewaringstelling van de verdachte.

Gelet op het vorenstaande kan het subsidiair gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting onbesproken blijven.

Bewezenverklaring

  1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
  2. Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd.
  3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF