Lagere schadevergoeding dan gevorderd in Schipholbrand

Gerechtshof Den Haag 25 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:439

Het gerechtshof heeft de verzoeker bij arrest van 1 maart 2013 vrijgesproken van al het aan hem tenlastegelegde in het kader van de strafzaak die bekend staat als ‘de Schipholbrand’. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

Namens de verzoeker is bij vier tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschriften ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering gevraagd om vergoeding van kosten voor deskundigenonderzoeken, die ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de verzoeker zijn gekomen.

De verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft in de loop van de strafprocedure tegen de verzoeker op eigen initiatief een aantal deskundigen opdracht gegeven tot het verrichten van de na te noemen onderzoeken. Zij heeft het hof verzocht om vergoeding van de kosten daarvan.

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nr. 0925)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €714 ter zake van het door deze deskundige uitgevoerde forensisch-medische onderzoek naar de trauma-opvang van een aantal slachtoffers van de Schipholbrand.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nr. 0927)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €127.500 ter zake van het door de deskundigen ir. B.H. van den Heuvel en B.P.F. Roes van MSNP Management B.V. uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen – kort gezegd –:

  • het opstellen van het onderzoeksmemo “Analyse van camerabeelden” d.d. 10 november 2008;
  • het opstellen van een geactualiseerd rapport d.d. 7 augustus 2009;
  • gemaakte uren in verband met het door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitgevoerde onderzoek naar de juistheid van de rapportage van MSNP.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nr. 0929)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €56.613,84 ter zake van het door drs. [V.] uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het opstellen van het onderzoeksrapport “Terminaal Schiphol” (ad €38.400). Dit betreft een zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de Schipholbrand;
  • het als controlerend deskundige i.d.z.v. artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering bijwonen van de celbrandproeven en shagproeven door DGMR (ad €14.843,76);
  • het verhoor van drs. [V.] ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam n.a.v. genoemd onderzoeksrapport (ad €3.370,08).

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nr. 0931)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €6.534 ter zake van het door de deskundige dr. ir. P.H.A.J.M. Van Gelder van PSCT uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het beoordelen van het NFI-rapport d.d. 28 september 2012 over – kort gezegd – het brandgenererend vermogen van shagjes en sigaretten en over de kans dat het oorspronkelijk veronderstelde handelen van de verzoeker brand tot gevolg heeft;
  • het opstellen van een ‘review’ bij het NFI-rapport;
  • het toelichten daarvan ter terechtzitting van dit hof van 8 november 2012.

De raadkamer van het hof heeft de verzoekschriften op 14 januari 2014 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat van de verzoeker en de advocaat-generaal mr. M. van der Horst. De verzoeker is ongewenst verklaard en uitgezet naar Libië. Het verzoek de ongewenstverklaring op te heffen, is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen. Verzoeker is niet verschenen.

Conclusie advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van alle verzoeken ex artikel 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de betreffende onderzoeken het belang van het onderzoek volgens hem niet hebben gediend.

Pleidooi advocaat

Mr. Frijns heeft in raadkamer gepersisteerd bij zijn ingediende verzoeken en deze nader toegelicht.

Kader voor beoordeling van de verzoeken

Het hof stelt voorop dat het de verdediging in een strafprocedure vrijstaat buiten het gebruikelijke kader van de artikelen 315 dan wel 316, in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering geheel zelfstandig, buiten het gerecht om, deskundigenonderzoek te entameren, bijvoorbeeld met het doel onderbouwing te verkrijgen voor een bepaald alternatief scenario. De daarmee gemoeide kosten komen in dat geval ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wet tarieven in strafzaken in beginsel ten laste van de verdachte.

Geen “blanco cheque”

Weliswaar biedt artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering de gewezen verdachte in beginsel de mogelijkheid het gerecht waar de zaak het laatst heeft gediend te verzoeken de gemaakte kosten te vergoeden, maar de wetgever heeft daarbij nadrukkelijk een voorbehoud gemaakt: ingevolge artikel 591, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte […] uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend […].

Uit laatstgenoemd criterium volgt naar ’s hofs oordeel in ieder geval:

1. dat sprake dient te zijn van onderzoek door een deskundige die ervan blijk heeft gegeven geschikt te zijn om in een strafzaak te rapporteren. Dat brengt mee dat de deskundige moet voldoen aan eisen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid, vakbekwaamheid en integriteit. Een en ander moet blijken uit het door een deskundige opgesteld onderzoeksrapport dan wel afgelegde verklaring ter zitting;

2. dat nodeloos gemaakte of anderszins onredelijke kosten niet door het Rijk worden vergoed. Dat betekent dat bij de vaststelling van een eventuele vergoeding door de rechter kritisch dient te worden gekeken naar de opzet en de omvang van het uitgevoerde onderzoek.

Vanwege het verband tussen de regeling van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering en het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde, is de rechter bij het vaststellen van de vergoeding voorts gebonden aan de in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgestelde (maximale) tarieven (artikel 1 van genoemde wet). Van een machtiging van de advocaat-generaal bij het ressortsparket voor het maken van buitengewone, niet voorziene kosten, is niet gebleken (artikel 2 van genoemde wet). Het maximaal te declareren uurtarief bedroeg ten tijde van alle genoemde onderzoeken in beginsel €81,23.

Het hof zal aan de hand van de hierboven vermelde maatstaven beoordelen of de verzoeken een genoegzame wettelijke basis hebben.

Het hof constateert met het oog daarop terzijde dat:

a) de verdediging na het einde van de strafzaak kennelijk de onderzoekers heeft opgeroepen te declareren en wel volgens het tarief voor de vergoeding die aan de onderzoeker Delémont c.s. van het internationaal vermaarde onderzoeksinstituut aan de Universiteit Lausanne werd gegund en dat de meeste declaraties in de loop van 2013 zijn ingediend;

b) de advocaat, blijkens zijn mededelingen dienaangaande in raadkamer, bij de opdrachtverstrekking aan de onderzoekers er destijds op heeft gewezen dat onzeker was of de verdachte de onderzoekskosten zou kunnen dragen en met de onderzoeker de afspraak heeft gemaakt dat zij desondanks onderzoek zouden verrichten en daarover zouden rapporteren.

Beoordeling van de verzoeken

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend en zal de gevraagde vergoeding van €714 toekennen.

B. Onderzoek MSNP Management B.V.

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten weliswaar het belang van het onderzoek heeft gediend, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat de aanzienlijke omvang van het deskundigenonderzoek noodzakelijk is geweest. De deskundigen hebben meer dan zeshonderd uren gedeclareerd, terwijl het hof ervan uitgaat dat met een (voor)onderzoek van honderd uren per deskundige voldoende duidelijkheid had kunnen worden verschaft om de noodzaak van verder onderzoek aan de rechtbank voor te leggen. Derhalve zal het hof een vergoeding toekennen voor tweemaal honderd uren. Het hof zal het gedeclareerde uurtarief van €200 voorts matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (200 X €81,23 =) €16.246.

C. Onderzoek drs. [V.]

Het hof is van oordeel dat de aanwending van kosten voor het onderzoeksrapport van drs. [V.] het onderzoek niet heeft gediend. Het hof overweegt daartoe dat op grond van het onderzoek in raadkamer niet is gebleken dat [V.] voldoet aan te stellen elementaire eisen van deskundigheid op het terrein waarover hij rapporteerde. Dit oordeel komt voor verzoeker niet als een verrassing, aangezien de rechter-commissaris (op 13 maart 2007) en de raadkamer (4 april 2007) bij de rechtbank Haarlem deze persoon reeds onvoldoende deskundig hebben geacht om als zodanig (te weten als deskundige in de zin van art. 227 Wetboek van Strafvordering) te worden benoemd. Door deze persoon desondanks in te schakelen heeft de verdediging welbewust het risico genomen dat in de procedure ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering eenzelfde oordeel over de deskundigheid van drs. [V.] zou worden gegeven.

Ten aanzien van het optreden van [V.] als “controlerend deskundige” ex artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering moet – conform de beschikking d.d. 4 april 2007 van de raadkamer van de rechtbank Haarlem - worden geoordeeld dat het daarbij gaat om een vrij beperkte rol waarvoor minder stringente criteria gelden. De hiervoor aangewende kosten hebben naar ’s hofs oordeel het onderzoek gediend. Het hof zal derhalve een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €200 vanwege die beperkte rol matigen tot vijftig procent van het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Voorts is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat voor het opstellen van het betreffende rapport – dat vrij beperkt van omvang is - een onderzoek van 70 uren noodzakelijk is geweest. Het hof zal daarom overgaan tot vergoeding van de helft van het aantal gedeclareerde uren.

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (35 uren X €40,62 =) € .421,70 + €2.993,76 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €4.415,46.

De declaratie van drs. [V.] voor het afleggen van een verklaring ter zitting van het Hof Amsterdam op 10 en 11 augustus 2009 is voor gedeeltelijke toewijzing vatbaar. Het hof zal de declaratie matigen, in die zin dat zal worden uitgegaan van een uurtarief van €81,23 voor de werkuren en €40,62 voor de reisuren (conform het Besluit tarieven in strafzaken).

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (11,83 uren X €81,23 + 6 uren X 40,62 =) €1.204,67 + € 403,48 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €1.608,15.

De in totaal toe te kennen vergoeding bedraagt (€4.415,46 + €1.608,15 =) €6.023,61.

D. Statistisch onderzoek PSCT

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. Het zal een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €150 matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (36 uren X €81,23 =) €2.924,28.

Beoordeling van de verzoeken ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (AV-nrs. 0926, 0928, 0930 en 0932)

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Nu het hof bij beschikking van heden de vier ingediende verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering – al dan niet gedeeltelijk - heeft toegewezen, acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om de kosten van rechtsbijstand die gemoeid zijn met het opstellen, indienen en behandelen van de betreffende verzoekschriften, voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

Nu de advocaat van de verzoeker aanwezig is geweest bij de mondelinge behandeling van de verzoeken, zal het hof aan de verzoeker vier maal de forfaitaire vergoeding van €550 toekennen.

Uit het voorgaande volgt dat moet worden beslist als hierna is aangegeven.

Beslissing

Het hof:

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nrs. 0925 en 0926)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €714.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nrs. 0927 en 0928)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €16.246. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nrs. 0929 en 0930)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €6.023,61. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nrs. 0931 en 0932)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €2.924,28.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF