Definitief einde strafzaak klokkenluider bouwfraude: OM niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang

Het Openbaar Ministerie (OM) is in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van A. Bos, bekend als de klokkenluider in de zogenaamde bouwfraude-affaire. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vandaag beslist.

Verloop strafproces

De rechtbank Rotterdam veroordeelde Bos in 2005 voor het feitelijk leidinggeven aan omkoping van een ambtenaar, maar legde geen straf op gelet op zijn rol als klokkenluider in de bouwfraude-affaire. Bos meende dat het OM hem niet had mogen vervolgen en stelde hoger beroep in. In hoger beroep gaf het hof ’s-Gravenhage Bos gelijk en verklaarde het OM niet ontvankelijk. In 2010 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof ‘s-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Dit hof heeft nu opnieuw beslist op het hoger beroep van Bos tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Geen belang bij doorzetten strafproces

Gedurende de behandeling van de strafzaak bij het Amsterdamse hof is overleg geweest tussen het OM en de verdediging. Het OM heeft aangegeven dat het op dit moment de opportuniteit van de vervolging van Bos anders beoordeelt dan ten tijde van de aanvang van de strafzaak in 2002. Daarbij wegen voor het OM onder meer mee de rol van Bos als klokkenluider in de bouwfraude-affaire, het maatschappelijk belang dat daarmee gediend is geweest en de duur van de procedure. Dit leidt tot de conclusie dat OM en verdediging beiden van oordeel zijn dat er geen belang meer is bij het doorzetten van de strafrechtelijke procedure.

Einde strafzaak

Het hof heeft geconstateerd dat er geen andere rechtens te beschermen belangen zijn die de voortzetting van de strafrechtelijke procedure noodzakelijk maken. Het hof heeft daarop beslist dat het vonnis van de rechtbank waarbij Bos was veroordeeld wordt vernietigd en dat het OM niet ontvankelijk is in de vervolging van Bos. De vervolging van Bos in de bouwfraude zaak is daarmee ten einde gekomen.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak meedelen van voorwetenschap (tipverbod) paar dagen voorafgaand aan (gedetailleerd) persbericht

Gerechtshof Amsterdam 22 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4110

Op 27 maart 2006 heeft bedrijf een trading update gepubliceerd, inhoudende:

Voortgaande groei Retail en Professional Services

De toestroom van nieuwe klanten bij bedrijf zet ook in de eerste maanden van 2006 onverminderd voort. Op 27 maart bedraagt het aantal klanten ruim 38.500 (ultimo 2005: 32.800). Het toevertrouwd vermogen is gestegen naar ruim € 2,0 miljard op 27 maart tegenover € 1,6 miljard ultimo 2005.

Een aantal weken nadien, op 18 april 2006, heeft [bedrijf] een persbericht gepubliceerd, inhoudende (D-004):

Winst [bedrijf] stijgt explosief in eerste kwartaal

  • Nettoresultaat stijgt naar € 6,1 miljoen in eerste kwartaal 2006 (Q1 2005: € 3,7 miljoen)
  • Aantal uitgevoerde particuliere transacties stijgt naar ruim 545.900 (Q1 2005: 240.300)
  • Aantal klanten stijgt naar ruim 39.600 (ultimo 2005: 32.800)
  • Toevertrouwd vermogen stijgt tot ruim € 2,1 miljard (ultimo 2005: € 1,6 miljard)

Verder bevatte het persbericht een resultatenoverzicht van het eerste kwartaal van het jaar 2006 ten opzichte van (het eerste kwartaal van) het voorgaande jaar, een bericht van de (destijds) bestuursvoorzitter van bedrijf, een toelichting op de resultaten per business unit en vooruitzichten voor de rest van het jaar.

Op 14 april 2006, voorafgaand aan de publicatie van het persbericht, heeft de medeverdachte 2, (destijds) commissaris bij bedrijf, het persbericht per fax aan de verdachte doen toekomen.

Op 14 en/of 15 april 2006 heeft de verdachte het persbericht, althans minstgenomen de inhoud daarvan, aan de medeverdachte 1 verstrekt.

Op 14 en 17 april 2006 heeft de medeverdachte 1 delen van de inhoud van het persbericht op de website geplaatst.

Het hof overweegt als volgt.

Voorwetenschap in de zin van artikel 46, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) (hierna: Wte 1995 (oud)) vereist:

  • bekendheid met informatie,
  • die concreet is,
  • die rechtsreeks of middellijk betrekking heeft op de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben of op de handel in deze effecten,
  • welke informatie niet openbaar is gemaakt, en
  • waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten of op de koers van daarvan afgeleide effecten.

Koersgevoelige informatie

Het door of namens de verdachte ingestelde hoger beroep heeft zich in het bijzonder toegespitst op de vraag of de informatie in het persbericht significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten bedrijf of op de koers van daarvan afgeleide effecten; met andere woorden of sprake is van koersgevoelige informatie.

De markttoezichthouder bij uitstek, de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) heeft in haar brochure “Koersgevoelige informatie” van augustus 2009 (www.afm.nl) de bekendmaking van periodieke financiële resultaten gekenmerkt als voorbeeld van mogelijk koersgevoelige informatie.

Het hof is van oordeel dat de kwartaalcijfers (van het eerste kwartaal van 2006) van bedrijf en (de inhoud van) het persbericht met betrekking tot de kwartaalcijfers (van het eerste kwartaal van 2006) inderdaad koersgevoelige informatie bevatten. Daartoe overweegt het hof als volgt.

In artikel 1, tweede lid, van Richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wordt, wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (Uitvoeringsrichtlijn) onder koersgevoelige informatie verstaan: “informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren” (zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 december 2009, C-45/08; JOR 2010, 70 (Spector Photo Group N.V.), par. 51 en 68 en rechtbank Rotterdam 9 februari 2012, ECLI BV3771; JOR 2012, 145 (Fortis), r.o. 17.6).

Naar het oordeel van het hof zal een redelijk handelende belegger in effecten bedrijf of daarvan afgeleide effecten waarschijnlijk gebruik maken van de informatie in het persbericht van bedrijf, nu dat persbericht betrekking heeft op eerste kwartaalcijfers van het jaar 2006 van bedrijf, welke kwartaalcijfers een (aanzienlijke) stijging laten zien van onder meer het nettoresultaat, het aantal uitgevoerde transacties, het aantal klanten en het toevertrouwd vermogen van bedrijf ten opzichte van (het eerste kwartaal van) het voorgaande jaar.

Voor het oordeel dat de informatie in het persbericht koersgevoelige informatie betreft, vindt het hof steun in de omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachte 1, beiden belegger in effecten bedrijf, de cijfers zoals vermeld in het persbericht samen hebben geanalyseerd en dat de verdachte vervolgens de in het persbericht vermelde eerste kwartaalcijfers met betrekking tot het aantal klanten, het aantal uitgevoerde transacties en het (netto)resultaat van bedrijf op een forum van een website voor beleggers heeft geplaatst.

Openbaarheid van de informatie

De raadsman van de verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het persbericht geen nieuwe informatie bevat ten opzichte van de door bedrijf op 27 maart 2006 gepubliceerde trading update.

Dit roept de vraag op of de koersgevoelige informatie al dan niet openbaar is gemaakt.

Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wte 1995 (oud) teneinde de effectiviteit van deze wet op het gebied van het bestrijden van gebruik van voorwetenschap te verbeteren, overweegt het hof dat informatie openbaar is gemaakt in de zin van artikel 46, vierde lid, Wte 1995 (oud) wanneer de informatie zonder voorbehoud aan derden is bekendgemaakt en daarmee in beginsel kenbaar is voor het beleggend publiek (Kamerstukken II 1996-1997, 25 095, nr. 3, p. 6).

Naar het oordeel van het hof is de koersgevoelige informatie – welke in het persbericht is vervat – eerder openbaar gemaakt in de trading update van 27 maart 2006, nu (i) de trading update (in beginsel) kenbaar was voor het beleggend publiek en (ii) de trading update (een stijging van) het aantal klanten en het toevertrouwd vermogen van bedrijf op 27 maart 2006 ten opzichte van het einde van het voorgaande jaar vermeldde, waarmee de kern van de in het persbericht opgenomen eerste kwartaalcijfers van het jaar 2006 reeds was gegeven, zodat die kwartaalcijfers niet als een verrassing kwamen en, in zoverre, geen toegevoegde waarde hadden ten opzichte van de trading update. Daarbij betrekt het hof dat, zoals in het persbericht is vermeld, de (positieve) resultaten van bedrijf, als internetbroker, in belangrijke mate werden ondersteund door het positieve beursklimaat.

Voor dat oordeel vindt het hof steun in een analyse van de Rabobank, waarin vermeld werd dat een winst per aandeel van € 0,20 verwacht werd, welke verwachting was gebaseerd op de informatie in de trading update en de hoge volumes op de beurzen en welke verwachting bevestiging vond in het op die analyse volgend persbericht.

Voor zover de advocaat-generaal heeft betoogd dat aan de publicatie van een trading update niet dezelfde waarde kan worden gehecht als aan de publicatie van een persbericht met betrekking tot kwartaalcijfers, overweegt het hof dat die stelling, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet in zijn algemeenheid kan gelden. In dit kader verwijst het hof naar het openbaar register van de AFM waarin, ingevolge artikel 1:107, derde lid, sub c, onder 2, van de Wet op het financieel toezicht, melding wordt gemaakt van (koersgevoelige) informatie die door uitgevende instellingen openbaar is gemaakt, welke meldingen veelvuldig in de vorm van een trading update worden gedaan.

Nu de koersgevoelige informatie in het persbericht van 18 april 2006 reeds openbaar is gemaakt in de trading update van 27 maart 2006, kan, naar het oordeel van het hof, niet bewezen worden verklaard dat de verdachte in of omstreeks de periode van 14 tot en met 15 april 2006 beschikte over voorwetenschap in de zin van artikel 46, vierde lid, Wte 1995 (oud), zodat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte, een vennootschap, veroordeeld wegens een gewoonte maken van het op grote schaal witwassen van gestolen auto’s en gestolen auto onderdelen, witwassen en grootschalige BTW-fraude

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8711

Verdachte, een vennootschap, heeft een gewoonte gemaakt van het op grote schaal witwassen van gestolen auto’s en gestolen auto onderdelen en het witwassen van van misdrijf afkomstig geld. Daarnaast heeft verdachte grootschalige BTW-fraude gepleegd. Alleen al voor de BTW-fraude met het berekende nadeel van ongeveer € 200.000 is, gelet op vergelijkbare zaken, een substantiële geldboete een passende straf. Met de witwaspraktijken heeft verdachte het plegen van andere misdrijven gefaciliteerd.

Het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van de BTW-fraude omdat de Belastingdienst geen boete meer had mogen opleggen na de aanvang van de strafvervolging en er beter overleg had moeten plaatsvinden tussen het openbaar ministerie en de Belastingdienst wordt verworpen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Loods zeetanker strafrechtelijk verantwoordelijkheid gehouden voor schade aan afgemeerde binnenvaarttanker

Gerechtshof Den Haag 11 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4241 

De Nesa is een tanker met een scheepslengte van 332 meter en een breedte van 58 meter. Op 24 februari 2010 naderde dit zeeschip steiger T1, westzijde, van Vopak in de 7e petroleumhaven te Rotterdam om aldaar af te meren. Aan de zuidkant van steiger T1 lag – pal achter en haaks op de vaarrichting van de Nesa – het motortankschip Friendship afgemeerd. Aan boord van de Nesa bevonden zich – voor zover van belang – de kapitein, de stuurman, de roerganger en de verdachte. Op aanwijzen van de loods – de verdachte – voer de tanker achterwaarts in zuidelijke richting naar voornoemde steiger. Koers en snelheid werden hierbij door de verdachte bepaald en doorgegeven aan de kapitein. Op zijn beurt gaf de kapitein de hem door de verdachte gegeven aanwijzingen door aan de stuurman en de roerganger. De Nesa voer achteruit voorbij het punt waar zij diende af te meren en naderde de Friendship hierbij tot – uiteindelijk - een afstand van ongeveer 72 meter. De Friendship werd op dat moment met een hoeveelheid van ongeveer één miljoen liter stookolie per uur geladen. Om de achterwaartse beweging te stoppen, heeft de loods de kapitein gezegd halve kracht vooruit te geven. Hierna heeft de scheepsschroef van de Nesa gedurende 44 seconden halve kracht vooruit gedraaid. Dit veroorzaakte waterbewegingen in het kielzog van de Nesa. Deze waterbewegingen hadden zodanige kracht dat de Friendship van de steiger werd geduwd en twee stalen trossen waarmee zij was afgemeerd, braken.

De verdediging heeft bij wijze van primair verweer betoogd, dat onder de gegeven omstandigheden de loods – de verdachte – niet kan worden aangemerkt als degene die verantwoordelijk is voor de naleving van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR).

Juridisch kader

Ingevolge artikel 1.04 BPR dient de schipper van een schip alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt geboden zijn, onder meer om te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt aan andere schepen.

Op grond van artikel 1.03, derde lid, BPR is iedere persoon die zich aan boord bevindt en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van een schip bepaalt, evenzo verantwoordelijk voor de naleving van het BPR. In de Nota van Toelichting (Stb. 1995, 437) is over dit derde lid opgemerkt dat het begrip ‘schipper’ een feitelijk karakter heeft en dat ieder die zelfstandig de koers en snelheid van het schip bepaalt, feitelijk schipper is en verantwoordelijk voor de naleving van het BPR.

Het hof overweegt met betrekking tot het primaire verweer als volgt.

Aan de hand van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat het de verdachte was die bepaalde hoe de Nesa ten opzichte van de steiger T1 werd gemanoeuvreerd, die bepaalde met welke snelheid dit gebeurde en die aanwijzingen gaf aan de door hem ingeschakelde sleepbootkapiteins. De kapitein heeft de verdachte tijdens het manoeuvreren geen aanwijzingen gegeven. Reeds op grond hiervan dient de verdachte te worden aangemerkt als een zich aan boord bevindende persoon die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van de Nesa bepaalde, als bedoeld in artikel 1.03, derde lid BPR. Niets in de toelichting op die bepaling duidt erop dat de wetgever de loods van deze strafrechtelijke verantwoordelijkheid heeft willen uitsluiten. De verdachte kan gezien het vorenstaande verantwoordelijk worden gehouden voor de naleving van het BPR.

Hetgeen omtrent de verhouding kapitein-loods is bepaald in de Loodsenwet, is in het licht van het vorenstaande voor de beoordeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in de onderhavige zaak niet relevant, omdat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet de formele gezagsverhouding aan boord, maar slechts de feitelijke situatie bepalend is.

Naar ’s hofs oordeel miskent de verdediging met haar stelling dat de verdachte (slechts) als adviseur van de kapitein optrad ten enen male de feitelijke verhoudingen bij de uitvoering van de onderhavige manoeuvre, mede gelet op de specifieke deskundigheid ten aanzien van de feitelijke situatie ter plaatse die de (wettelijk verplicht gestelde) loods in dezen geacht mag worden te hebben.

Beoordeling feitelijk handelen

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat de verdachte in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de van hem gevergde zorg heeft gehandeld.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ruim tevoren had gezien dat de Friendshipin het verlengde van de vaarrichting van de Nesa afgemeerd lag. Hij heeft voorts erkend dat in verband met de aanwezigheid van binnenvaarttankers die vaak zijn afgemeerd bij steiger T1, voorzichtigheid geboden is om zoveel als mogelijk te voorkomen dat een hinderlijke waterbeweging voor die schepen ontstaat. In zijn loodsverklaring heeft de verdachte hierover geschreven dat als de tanker vooruit slaat er direct schroefwater tegen de binnenvaarder komt, maar ook indirect doordat het schroefwater eerst tegen het talud “knalt” en vervolgens weer tegen het binnenvaartschip. Ondanks voornoemde wetenschap heeft de verdachte de vereiste voorzichtigheid niet betracht, door met de Nesa met – gegeven de omstandigheden – een te hoge snelheid achterwaarts te varen, de snelheid niet tijdig te verminderen, – mede als gevolg daarvan – het schip te ver door te laten varen om vervolgens halve kracht vooruit te slaan.

Aldus handelend heeft de verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die door de omstandigheden waarin het schip zich bevond waren geboden om te voorkomen dat schade aan een ander schip werd veroorzaakt.

Hetgeen de verdediging heeft betoogd met betrekking tot het ontbreken van causaal verband tussen de veroorzaakte waterbeweging en het breken van de stalen trossen vindt weerlegging in de bewijsmiddelen en behoeft om die reden geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 24 februari 2010 in de gemeente Rotterdam aan boord van een zeeschip, genaamd: ‘Nesa’ als een ander persoon die zich aan boord van dat zeeschip bevond en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepaalde, daarmee varend op de voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand binnenwater de 7e Petroleumhaven - terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken – niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die door de omstandigheden waarin dit schip zich bevond waren geboden teneinde met name te voorkomen dat schade werd veroorzaakt aan een ander schip daarvan bevonden hebbende hij met dat zeeschip een zodanige waterverplaatsing veroorzaakt dat een motorvrachtschip, genaamd ‘Friendship’ dat achter dat zeeschip aan een steiger gemeerd lag en werd beladen met stookolie van de steiger werd geduwd/getrokken/gezogen/gespoeld, waardoor stalen trossen waarmee dat schip was afgemeerd braken.

Het bewezen verklaarde levert op: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1.03, derde lid en 1.04 aanhef en onder b van het Binnenvaartpolitiereglement, strafbaar gesteld bij artikel 31, vierde lid van de Scheepvaartverkeerswet.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.250, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beloodste zeetanker komt in harde botsing met kade waaraan moet worden aangelegd. Vrijspraak van de loods aangezien het ervoor moet worden gehouden dat diens aanwij-zingen niet juist zijn uitgevoerd.

Gerechtshof Den Haag 11 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4240

Op grond van het procesdossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte, die als loods werkzaam was op het zeeschip Holmen, zich tijdens de afmeermanoeuvre samen met de kapitein buiten op de bakboordvleugel bevond. Op dat moment stond de matroos aan het stuurwiel, terwijl de tweede stuurman de telegraaf bediende. Zij bevonden zich beiden binnen op de brug. De door de verdachte in het Engels gegeven aanwijzingen werden door de kapitein herhaald en via de portofoon doorgegeven aan de matroos en de tweede stuurman binnen op de brug.

De verdachte heeft ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij tijdens de afmeermanoeuvre en voorafgaand aan de aanvaring heeft beproefd de snelheid te minderen door met opeenvolgende aanwijzingen de voortstuwing met steeds grotere kracht achteruit te laten werken. Dat de verdachte deze aanwijzingen daadwerkelijk heeft gegeven, vindt steun in de getuigenverklaring van kapitein, die heeft verklaard dat de loods de schroef achteruit heeft laten slaan.

Uit de engine logs, waaruit de telegraafhandelingen zijn af te leiden, blijkt evenwel dat de voortstuwing vlak voor de aanvaring achtereenvolgens in de volgende standen is gezet: zeer langzaam achteruit, zeer langzaam vooruit, langzaam vooruit, half achteruit en vol achteruit.

Het hof houdt het er aan de hand van het vorenstaande voor dat de door de verdachte gegeven aanwijzingen niet juist zijn opgevolgd. Nu aannemelijk is dat als gevolg van het niet juist opvolgen van door de verdachte gegeven aanwijzingen de aanvaring heeft plaatsgevonden, kan niet bewezen worden hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Klacht ex art. 12 Sv: (Zware) mishandeling c.q. verduistering van bewijsstukken beweerdelijk gepleegd door politieambtenaar

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5264 

Bij brief van 7 augustus 2012 heeft de advocaat mr. Y. Moskowicz namens klaagster aangifte gedaan van mishandeling dan wel zware mishandeling (artikel 300 respectievelijk 302 van het Wetboek van Strafrecht) en van het ambtsmisdrijf verduistering van bewijsstukken (artikel 361 van genoemd wetboek), beweerdelijk jegens haar gepleegd door beklaagde.

Op 17 december 2012 is door de officier van justitie aan klaagster bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er voor bedoelde verduistering onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is en ten aanzien van de mishandeling het gebruikte geweld proportioneel wordt geacht.

Hierop heeft klaagster bij schrijven van 31 januari 2013 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 5 februari 2013, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 14 mei 2013 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 15 oktober 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar advocaat.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling

Namens klaagster heeft mr. Moszkowicz aangifte gedaan van mishandeling, dan wel zware mishandeling alsmede van het ambtsmisdrijf van verduistering van bewijsstukken.

Klaagster verklaart dat zij in de nacht van zaterdag 28 juli op zondag 29 juli 2012 ter hoogte van het Stadhuisplein in het centrum van Eindhoven liep. Klaagster had het evenement Sneakerz bezocht en werd getuige van een opstootje op het plein. Hierbij bleek later een bij het grote publiek bekende DJ betrokken te zijn.

Klaagster vond het politieoptreden jegens die DJ onproportioneel en besloot het voorval te filmen met haar mobiele telefoon. Toen klaagster in de richting van het voorval liep werd zij naar eigen zeggen door beklaagde, zijnde een agent van de politie, driemaal met een knuppel tegen de borst geslagen. Volgens klaagster heeft één van de omstanders toen scheldwoorden geuit jegens beklaagde. Hierop werd klaagster door beklaagde en zijn collega’s naar de grond gebracht waarbij haar telefoon op de grond viel. Volgens klaagster pakte een collega van beklaagde de telefoon op waarbij hij opmerkte dat de opnamefunctie van de telefoon nog was ingeschakeld. Op dat moment zou beklaagde de telefoon hebben overgenomen. Klaagster werd naar het politiebureau gebracht. Aldaar vroeg zij om haar mobiele telefoon; zij was van oordeel dat zij met de opname haar onschuld kon aantonen. Op het moment dat zij haar telefoon terug kreeg zag zij dat de filmopname was gewist.

Klaagster zou als gevolg van de mishandeling door de agent over haar gehele lichaam kneuzingen en blauwe plekken hebben opgelopen. De huisarts van klaagster heeft volgens klaagster geconstateerd dat de pink van klaagster is gekneusd en een pees in haar schouders is beschadigd.

Door de advocaat van klaagster is aangevoerd dat beklaagde opzettelijk bewijsmateriaal dat op de telefoon stond heeft gewist, omdat verschillende technische handelingen met de telefoon moeten worden verricht alvorens een filmopname daarvan kan worden verwijderd. De advocaat van klaagster stelt zich op het standpunt dat de opnamen niet per ongeluk gewist kunnen zijn. Aan het klaagschrift is een DVD toegevoegd waarin klaagster laat zien dat een aantal handelingen dient te worden verricht alvorens een filmpje kan worden verwijderd.

Beklaagde, agent van de politie, bevestigt dat er sprake was van een opstootje zoals klaagster beschrijft. Beklaagde verklaart dat hij klaagster heeft gepord met zijn wapenstok, hij ontkent haar geslagen te hebben. Beklaagde verklaart dat hij klaagster heeft gepord met als doel ruimte te creëren voor zijn collega’s die bezig waren met de aanhouding van een DJ.

Beklaagde verklaart verder dat hij luid heeft geroepen dat men zich naar achteren moest begeven en dat er anders geweld gebruikt zou worden. Aangezien klaagster niet aan dit bevel voldeed, heeft hij haar gepord met de wapenstok.

Klaagster heeft ter zitting in raadkamer van het hof verklaard dat zij deze waarschuwing van beklaagde niet gehoord heeft.

In het door beklaagde opgemaakte proces-verbaal van 29 juli 2012 staat dat klaagster werd aangehouden ter zake van belediging van beklaagde. Beklaagde is van mening dat er bij deze aanhouding geen buitenproportioneel geweld is toegepast.

Met betrekking tot het wissen van de opname merkt beklaagde op dat hij de telefoon wilde uitzetten. Op een gegeven moment zag beklaagde de optie om de opnames te wissen. Beklaagde verklaart in de emotie van de belediging en de aanhouding, de druk en de omstandigheden, in een opwelling te hebben doorgedrukt, zonder stil te staan bij de gevolgen. Beklaagde ontkent dat er aan zijn zijde sprake was het opzettelijk verwijderen van opnamen.

Door of namens klaagster is aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau de opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de inhoud van de telefoon van klaagster en te trachten het gewiste filmpje terug te halen. In het onderzoeksrapport staat dat er veel steun is voor het scenario dat er met het betreffende telefoontoestel een viertal filmpjes is gemaakt op 29 juli 2012 omstreeks 01.32 – 01.38 uur, welke filmpjes echter niet meer fysiek op de telefoon aanwezig waren ten tijde van het onderzoek. Voorts blijkt uit het rapport dat er veel steun bestaat voor het scenario dat een aantal originele foto’s van het toestel is verwijderd. Handelingen verricht met de telefoon op 29 juli 2012 tussen 00.00 uur en 04.00 uur, waaronder het eventuele wissen van foto’s of filmpjes, konden niet worden vastgesteld. Opgemerkt wordt dat dit het gevolg kan zijn van intensief gebruik van de telefoon na afloop van een mogelijke verwijdering van foto’s en of filmpjes.

Ook het openbaar ministerie heeft een onderzoek ingesteld, door zowel het bureau interne zaken van de politieregio Brabant-Noord als het bureau [bureau X], gespecialiseerd in telecomzaken, in te schakelen. [Bureau X] heeft in de telefoon van klaagster enkele filmpjes gevonden, die echter geen betrekking hadden op het incident.

Getuige [1], hoofdagent van politie, heeft verklaard dat beklaagde klaagster naar zijn mening niet buitenproportioneel heeft aangepakt. Voorts deelt hij mede dat hij degene is die de telefoon van klaagster op het moment van aanhouding heeft opgepakt en toen constateerde dat de telefoon nog aan het filmen was. Getuige [1] verklaart het toestel hierop aan beklaagde te hebben gegeven.

Getuige [2] heeft tegenover de politie verklaard de aanhouding door de politie van klaagster te hebben gezien. Volgens getuige [2] werd klaagster vrij stevig vastgepakt. Ze heeft niet gezien dat klaagster over de grond is gesleurd of ten val kwam.

Getuige [3] beschrijft, evenals getuige [4], het opstootje. Waar getuige [4] het handelen van beklaagde niet goed heeft kunnen zien, verklaart getuige [3], hoofdagent van politie, echter dat zij het porren van beklaagde heeft gezien, maar dat dit volgens haar helemaal niet hardhandig gebeurde. Ook de aanhouding is volgens haar niet ruw geschied.

In een persbericht van vrijdag 3 augustus, als bijlage aan het klaagschrift bevestigd, deelt de korpsleiding mede dat zij het betreurt dat een agent van het betreffende korps ervoor heeft gekozen een filmpje te wissen. Volgens het bericht neemt het korps de zaak serieus en onderzoekt het mogelijke vervolgstappen tegen de agent.

Uit een medische verklaring van de GGD blijkt dat klaagster op 29 juli 2012 door een GGD-arts is onderzocht, waarbij druk-en bewegingspijn, passend bij een kneuzing, van de linkerborst werd vastgesteld. Op vrijdag 10 augustus 2012 is klaagster opnieuw door een GGD-arts onderzocht, maar waren geen afwijkingen zichtbaar.

Het hof overweegt als volgt:

Daargelaten of op klaagsters telefoon filmbeelden van het onderwerpelijke incident aanwezig zijn geweest, en des ja, of beklaagde die al dan niet opzettelijk heeft gewist, kan van overtreding van artikel 361 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake zijn, reeds niet omdat in de gegeven omstandigheden de betreffende (telefoon en/of) beelden die zich op die telefoon bevonden niet -naar luid van evenvermeld artikel- zaken/een zaak waren/was, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen.

Ten aanzien van de gestelde mishandeling komt het hof op grond van het onderzoek in raadkamer tot de slotsom, dat beklaagde zijn handelen in de gegeven omstandigheden, die zich onder andere daardoor kenmerkten dat door de politie geroepen is dat men zich moest verwijderen en dat anders geweld zou worden gebruikt, zomede dat klaagster aan die aanwijzing geen gevolg heeft gegeven, niet in strijd is geweest met daaraan in redelijkheid te stellen eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Klacht ex artikel 12 Sv: onvoldoende verdenking valsheid in geschrifte

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5224

Op 19 juni 2012 heeft klaagster aangifte gedaan tegen beklaagde. Zoals tijdens het onderzoek in raadkamer is komen vast te staan, heeft klaagster deze aangifte mede namens klager gedaan en ziet de aangifte op het feit dat beklaagde zich in vereniging met anderen jegens klagers schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift dan wel dat beklaagde medeplichtig is geweest aan de door anderen jegens klagers begane valsheid in geschrift.

Bij brief van 10 juli 2012 is, namens de (gebieds)officier van justitie, door de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost aan klaagster bericht dat er is besloten om niet tot vervolging over te gaan, om reden van het ontbreken van enig strafbaar feit.

Hierop hebben klagers bij schrijven van 3 augustus 2012 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 20 augustus 2012. Dit klaagschrift strekt ertoe alsnog de vervolging van beklaagde te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in een schriftelijk verslag van 21 november 2012 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 9 januari 2013 heeft klaagster het hof een nadere schriftelijke onderbouwing van het klaagschrift met bijlagen doen toekomen.

Op 22 januari 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klagers en hun gemachtigde. Bij die gelegenheid is de behandeling van het klaagschrift aangehouden tot 9 april 2013, teneinde klagers in de gelegenheid te stellen om hun klaagschrift met nader in te brengen, op valsheid in geschrifte ziende, stukken te onderbouwen. Tijdens het horen van klagers ter zitting van 22 januari 2013 werd door klagers naar voren gebracht dat het klaagschrift uitsluitend ziet op de beklaagde en betrekking heeft op het medeplegen dan wel de medeplichtigheid aan valsheid in geschrifte gepleegd door beklaagde. In de beoordeling van het klaagschrift heeft hof dit in aanmerking genomen.

Het klaagschrift is op 9 april 2013 in raadkamer van het hof, waar klagers niet zijn verschenen, aan de orde gesteld. Nadat het hof had vastgesteld, dat door klagers bij brief van 12 maart 2013 drie producties waren ingezonden, is de verdere behandeling van de zaak aangehouden tot 9 juli 2013, teneinde klagers een langere termijn te geven om de in bovenstaande alinea bedoelde stukken in te brengen.

Op 9 juli 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof, waar klagers niet zijn verschenen, wederom aan de orde gesteld. Na de vaststelling dat klagers een afschrift van een brief d.d. 23 april 2013 met 2 bijlagen en een brief van 15 juni 2013 met daarbij gevoegd nadere stukken hadden ingezonden, heeft het hof de behandeling van het klaagschrift aan de zijde van klagers aangehouden tot de zitting van 24 september 2013, met het verzoek aan de advocaat-generaal om het hof vooraf nader advies uit te brengen.

Na de zitting van 9 juli 2013 hebben klagers ingezonden een op 17 juli 2013 gedateerd schrijven en een schrijven van 12 augustus 2013 met bijlagen.

De advocaat-generaal heeft in een aanvullend schriftelijk verslag van 30 augustus 2013 gepersisteerd bij het eerder gegeven advies om het beklag af te wijzen.

In reactie op bovengenoemd aanvullend verslag hebben klagers een schriftelijke aanvulling d.d. 14 september 2013 met bijlage ingezonden.

Op 24 september 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klagers en hun gemachtigde. De advocaat-generaal heeft bij die gelegenheid nogmaals gepersisteerd bij het advies tot afwijzing van het beklag.

De beoordeling

De door klaagster gedane aangifte en het klaagschrift van klagers houden, kort gezegd, de stelling in dat er ten nadele van klagers malversaties hebben plaatsgevonden rondom de vestiging van het bedrijf. Beklaagde zou die malversaties zodanig hebben gefaciliteerd dat er in strafrechtelijke zin van medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan valsheid in geschrift kan worden gesproken.

Het hof heeft tijdens de beraadslaging alle door klagers ingebrachte stukken gewikt en gewogen. De in deze stukken naar voren komende feiten en/of omstandigheden overziende, hebben het hof tot het oordeel gebracht, dat op basis daarvan de strafrechter niet tot een veroordeling van beklaagde ter zake de door klagers in deze klachtprocedure gestelde strafbare gedraging(en) kan komen.

Voorts heeft het hof bij de beraadslaging stilgestaan bij de vraag of de in de stukken naar voren komende feiten en/of omstandigheden zo bezwarend zijn, dat een opdracht tot nader strafrechtelijk onderzoek naar de door klagers gestelde strafbare gedragingen dan wel enig andere strafbare gedraging aangewezen is. Het hof heeft die vraag in voor klagers negatieve zin beantwoord. Het hof ziet in de voorliggende stukken geen althans onvoldoende feiten of omstandigheden om beklaagde in de zin van artikel 27 van het wetboek van strafvordering als verdachte te doen aanmerken.

Uit bovenstaande volgt dat het beklag wordt afgewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft meststoffen in strijd met de geldende regelgeving niet emissiearm, maar volgens de FIR-methode aangewend. Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7135

Verdenking

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 22 februari 2010, al dan niet opzettelijk, dierlijke meststoffen en/of zuiveringsslib en/of een mengsel met dierlijke meststoffen en zuiveringsslib heeft gebruikt op een perceel grasland gelegen aan of nabij adres, terwijl die dierlijke meststoffen en/of dat zuiveringsslib en/of dat mengsel niet emissiearm werd(en) aangewend.

Beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid faalt omdat de wetgeving op het gebied van het uitrijden van dierlijke meststoffen, ondanks allerlei kritische geluiden – onveranderd is gebleven en die wetgeving derhalve gehandhaafd dient te worden. De advocaat-generaal heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op een tweetal uitspaken van het gerechtshof Arnhem, waarin het hof heeft beslist dat in gevallen als thans aan de orde het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid niet opgaat.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het achterliggende doel van de meststoffenwetgeving is gelegen in het terugdringen van de uitstoot van ammoniak. Dit doel kan volgens de raadsman beter worden gediend door de meststoffen bovengronds uit te rijden en te verdunnen met water, dan door het toepassen van de in de wet voorgeschreven methode. De raadsman heeft gewezen op de nadelen en schadelijke gevolgen van het ondergronds uitrijden van de mest. Verzocht is de verdachte vanwege het ontbreken van de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde gedraging van alle rechtsvervolging te ontslaan.

Oordeel hof

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was de volgende wetgeving geldend.

Ingevolge artikel 7 lid 1 van de Wet bodembescherming ‘kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, aan de bodem worden toegevoegd ten einde de structuur of de kwaliteit van de bodem te beïnvloeden’.

Artikel 5 lid 1 van het Besluit gebruik meststoffen bepaalt vervolgens:

‘Het is verboden dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken op grasland of bouwland, tenzij de dierlijke meststoffen of het zuiveringsslib emissiearm worden aangewend’.

Het begrip ‘emissiearm aanwenden’ is in artikel 1 van het Besluit gedefinieerd als: ‘gebruiken overeenkomstig de voorschriften die voor de desbetreffende situatie zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I.’

Bijlage I bepaalt: ‘Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib op grasland gelegen op zand- of lössgrond, wordt tot 1 januari 2012 de mest of het slib onmiddellijk op of in de grond gebracht.’ (...)

‘Indien de mest of het slib op de grond wordt gebracht, geschiedt dit door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend in strookjes tussen het gras wordt gebracht, waarbij het gras tevoren wordt opgelicht of zijdelings wordt weggedrukt. De strookjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastgelegen strookje is minimaal 15 centimeter.’

Voor wat betreft de wetsgeschiedenis van deze regelgeving volgt uit de nota van toelichting van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (de voorganger van het Besluit gebruik meststoffen) het volgende: ‘Met ingang van 1 januari 1998 wordt een stelsel van regulerende mineralenheffingen ingevoerd. Dit heffingenstelsel is uitgewerkt in een nieuw hoofdstuk IV van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360). Invoering van dit stelsel betekent dat het Besluit gebruik dierlijke meststoffen (BGDM) op onderdelen moet worden gewijzigd. Met het oog op de overzichtelijkheid is ervoor gekozen het BGDM in te trekken en te vervangen door het onderhavige besluit, dat wordt genoemd: Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (BGDM 1998).

In het systeem van de regulerende mineralenheffingen nemen de verlies- en aanvoernormen de plaats in van de fosfaatgebruiksnormen. Het heffingensysteem strekt mede ter voldoening aan richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1993 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375), hierna te noemen: EG-Nitraatrichtlijn. De richtlijn beoogt de kwaliteit van het water bestemd voor de drinkwaterproductie te verzekeren en eutrofiëring tegen te gaan. Om deze – in artikel 1 van de richtlijn geconcretiseerde doelstelling – te bereiken, dienen de lidstaten onder meer te waarborgen dat de hoeveelheid stikstof die met dierlijke meststoffen op het land wordt aangewend een bepaald niveau niet overschrijdt. Daarin voorziet het nieuwe systeem van regulerende mineralenheffingen. Het onderhavige besluit voorziet – evenals ook het BGDM dat deed – in fosfaatgebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, in bepalingen omtrent de toegestane uitrijperiode en bepalingen omtrent emissie-arme aanwending van dierlijke meststoffen’.

Het Besluit gebruik dierlijke meststoffen is nadien een aantal keer gewijzigd en de titel van het Besluit veranderde in de loop van de tijd in het Besluit gebruik meststoffen.

Voor wat betreft het aanwenden van dierlijke meststoffen is in de nota van toelichting bij de laatste wijziging, ingaande op 1 januari 2010, van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen het volgende opgenomen:

‘Het Besluit gebruik meststoffen (hierna: Bgm) heeft tot doel de belasting van de bodem en het water door fosfaat- en stikstofverbindingen afkomstig uit dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen en stikstofkunstmest terug te dringen. Tevens dient dit besluit om de stankhinder en de emissie van potentieel verzurende stoffen te beperken. Het besluit bevat daartoe voorschriften die, overeenkomstig de goede landbouwpraktijk, beperkingen stellen aan de periode waarin, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop deze meststoffen kunnen worden aangewend.’

Voor zover het gaat om artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen blijkt uit voornoemde nota van toelichting:

‘Om aan de NEC-richtlijn (Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen) te voldoen zijn in het Bgm voorschriften opgenomen die tot doel hebben het gevaar te beperken dat ammoniak bij het toedienen van drijfmest vervluchtigt. Uit onderzoek is gebleken dat de grootste emissiereductie wordt verkregen indien de mest geheel of gedeeltelijk in de bodem wordt gewerkt.’

De verdachte heeft, in strijd met deze regelgeving, zijn mest bovengronds uitgereden en vervolgens verdund met water. Op die manier was de mest volgens de verdachte voldoende verdund om de uitstoot van ammoniak te beperken. Gelet op de hiervoor genoemde regelgeving was deze manier van werken echter niet toegestaan. Hoewel het hof zich bewust is van de problematiek omtrent de geldende regelgeving en de verschillen van inzicht die op dit terrein spelen, is het hof van oordeel dat gedurende deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de verdachte, door de mest bovengronds uit te rijden en onmiddellijk daarna met water te verdunnen, het doel van de geldende regelgeving beter heeft gediend dan wanneer hij de mest, conform die regelgeving, ondergronds zou hebben uitgereden. Anders dan de verdediging is het hof niet van oordeel dat de verdachte, door de mest bovengronds uit te rijden, het achterliggende doel van de regelgeving die dit ter beperking van de uitstoot van ammoniak verbood, meer of beter heeft gediend dan bij naleving van de wettelijke regeling het geval zou zijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien gebleken dat voor verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geen vrijstelling gold en dat hij geen ontheffing had, dat voorts een vrijstelling of ontheffing binnen de komende paar jaren ook niet te verwachten valt en dat een wijziging van het Besluit gebruik meststoffen ten gunste van het bovengrond uitrijden van mest in die periode evenmin te verwachten is.

Onder deze omstandigheden faalt een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Niet kan immers worden ingezien waarom verdachtes subjectieve inzicht in dit geval boven dat van de wetgever of bevoegde overheidsdiensten zou moeten gaan.

Beroep op overmacht

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op overmacht niet kan slagen. 

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit overmacht (in de zin van noodtoestand) omdat sprake was van conflicterende belangen omdat het Besluit gebruik meststoffen emissiearme aanwending van meststoffen voorschrijft terwijl artikel 1 van de Wet bodembescherming het belang van de bescherming van de bodem – kort gezegd – definieert in die zin dat de bodem beschermd dient te worden tegen veranderingen van de hoedanigheid van de bodem die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft. Door het Besluit gebruik meststoffen na te leven, wordt de Wet bodembescherming geschonden. De verdachte kon niet beide regelingen tegelijkertijd naleven, reden waarom volgens de raadsman sprake is van overmacht in de zin van noodtoestand.

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof was geen sprake van een zodanig conflict van belangen dat de verdachte niet anders kon dan de mest bovengronds uitrijden. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de verdachte, door de mest conform de geldende regelgeving aan te wenden, in strijd zou handelen met artikel 1 van de Wet bodembescherming, welk artikel enkel definities geeft van in die wet gehanteerde begrippen. Daarbij verdient opmerking dat het Besluit mede gebaseerd is op bepalingen van de Wet bodembescherming. Voor het overige verwijst het hof naar de motivering van de verwerping van het beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Het hof verwerpt om die redenen het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof heeft ten voordele van de verdachte bij de strafoplegging echter meegewogen dat de verdachte, nadat onderhavig feit was geconstateerd, onmiddellijk is gestopt met het niet emissiearm aanwenden van de meststoffen en is overgestapt op een wel toelaatbare methode. Bovendien heeft het hof ten voordele van de verdachte meegewogen dat niet is gebleken dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. De verdachte hoefde weliswaar geen apparatuur aan te schaffen voor emissiearme aanwending van de meststoffen, maar hij heeft apparatuur aangeschaft om de niet-emissiearm aangewende meststoffen onmiddellijk na het aanwenden te verdunnen met water.

Voorts is ten voordele van de verdachte meegewogen dat de verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2013 niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie.

Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de volgende omstandigheid. De huidige situatie duurt al vele jaren voort. Het gevoerde beleid van niet-emissiearm uitrijden is regelmatig aan de hand van uitgevoerde studies ter discussie gesteld van de kant van boeren die te goeder trouw de FIR-methode (willen) toepassen. Weliswaar is enkele jaren geleden een experiment gestart waarin een beperkt aantal boeren een ontheffing heeft gekregen om de FIR-methode toe te passen. Maar het hof heeft evenmin als verdachte duidelijkheid kunnen krijgen over een tijdstip waarop het onderzoek zal worden afgerond dan wel naar afronding zal worden gestreefd.

Het hof volstaat om deze redenen met het opleggen van een voorwaardelijke geldboete van € 400,- met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens hypotheekfraude & deelnemen aan een criminele organisatie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:3102

Verdachte heeft zich als directeur van bij het afsluiten van hypotheken schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van aanvraagformulieren, een accountantsverklaring, een huurovereenkomst en een valse werkgeversverklaring met het oogmerk deze formulieren te gebruiken of te doen gebruiken voor het verkrijgen van hypotheken op basis van gefingeerde gegevens. Verdachte heeft de door hem gepleegde strafbare feiten gepleegd in georganiseerd verband en heeft willens en wetens zijn rol in dat samenwerkingsverband vervuld.

Het hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en tot betaling van een geldboete van € 10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Langdurig beroep op zwijgrecht reden voor afwijzing schadevergoedingsverzoek

Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3263

De strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.

De advocaat heeft onder meer het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft aanzienlijk nadeel geleden ten gevolge van de detentie. Verzoeker is weliswaar rechtmatig gedetineerd geweest, maar de detentie is achteraf bezien ten onrechte toegepast. Aan verzoeker mag niet worden tegengeworpen dat hij pas op de terechtzitting van 16 september 2011 opening van zaken heeft gegeven. Nadat één van de toenmalige medeverdachten te kennen had gegeven een verklaring over het ten laste gelegde te zullen afleggen, was de noodzaak voor verzoeker om hetzelfde te doen weggenomen. Deze medeverdachte heeft daarmee echter nog een aanzienlijke tijd gewacht. Door afstand te doen van zijn zwijgrecht zou verzoeker de medeverdachte hebben belast en zich daardoor aan grote persoonlijke risico’s hebben blootgesteld. Overigens heeft de verzoeker door het afleggen van een verklaring de detentie niet kunnen doen bekorten, hetgeen blijkt uit het feit dat de detentie is voortgezet na de terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 2011. Verzoeken tot opheffing, dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis zijn op 16 mei 2012, 8 en 10 oktober 2012 en 19 december 2012 telkens door het hof afgewezen, terwijl onzekerheid over de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en de inhoud van de verklaring van de medeverdachte mede aan de verzoeken ten grondslag hebben gelegen.

De advocaat-generaal heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Ook achteraf is de voorlopige hechtenis te rechtvaardigen. Verzoeker heeft tot aan de terechtzitting in eerste aanleg gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht, terwijl vast is komen te staan dat hij over wetenschap beschikte die van belang was voor de waarheidsvinding. De gevolgen daarvan blijven voor rekening en risico van verzoeker. De omstandigheid dat verzoeker op enig moment wel opening van zaken heeft gegeven doet daaraan niet af, nu het feit dat verzoeker aanvankelijk niet heeft meegewerkt onder bezwarende omstandigheden de geloofwaardigheid en zeggingskracht van daaropvolgende verklaringen kan aantasten.

Het hof overweegt het volgende.

Aan verzoeker is in de onderhavige strafzaak ten laste gelegd dat hij samen met anderen of een ander een poging heeft gedaan[medeverdachte] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.[medeverdachte] heeft verklaard dat hij door verzoeker en anderen is gedwongen met hen mee te gaan. Er is vervolgens op[medeverdachte] geschoten en de auto waarin hij zat is in brand gestoken, waardoor hij ernstige wonden heeft opgelopen.

De verzoeker is op 26 januari 2011 in verzekering gesteld. Aansluitend heeft hij de periode van 28 januari 2011 tot en met 22 maart 2013 in voorlopige hechtenis doorgebracht. Hij is aan beperkende maatregelen onderworpen van 27 januari 2011 tot en met 7 februari 2011.

Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen op 5 april 2011 en gesloten op 16 september 2011. Tot de terechtzitting van 16 september 2011 heeft de verzoeker zich als verdachte op zijn zwijgrecht beroepen. Op 30 september 2011 heeft hij hoger beroep laten instellen tegen het op die dag gewezen vonnis.

De verdediging heeft bij appelschriftuur van 13 oktober 2011 onderzoekswensen ingediend.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 7 maart 2012 en gesloten op 14 maart 2013. Op de terechtzitting van 16 mei 2012 zijn namens de verzoeker verzoeken gedaan voor nader onderzoek en tot het horen van getuigen. Ter terechtzitting van 29 mei 2012 heeft het hof op deze verzoeken beslist en daarbij een deel van de onderzoekswensen gehonoreerd. Het hof heeft daartoe het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, de advocaat-generaal opgedragen nader onderzoek te doen, voorts de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris in dit hof ten behoeve van het horen van opsporingsambtenaren als getuigen en de oproeping bevolen van getuigen tegen de nader te bepalen terechtzitting.

De raadsheer-commissaris heeft op 9 oktober 2012 opsporingsambtenaren als getuigen gehoord. Op de terechtzitting van 5, 6 en 7 maart 2013 zijn getuigen gehoord.

Het hof heeft bij beschikking van 22 maart 2013 de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

Het hof heeft op 27 maart 2013 arrest gewezen en de verzoeker vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Verzoeker heeft tot het moment waarop de rechtbank de zaak inhoudelijk behandelde volledig gezwegen. Dit zwijgen heeft zich uitgestrekt over een periode van ongeveer acht maanden. Verzoeker is op genoemd moment in de procedure gaan verklaren en heeft de kern van de inhoud van die verklaring nadien niet meer gewijzigd.

Van de keuze van verzoeker om deze proceshouding op enig moment aan te nemen en de door hem daarvoor geboden redengeving, neemt het hof kennis.

Het feit waarvan verzoeker werd verdachte was van een buitengewone aard en ernst. Bovendien betrof het een geheel van nauw verweven gewelddadige handelingen waarvoor drie personen, onder wie verzoeker, als verdachten centraal stonden in het opsporingsonderzoek.

Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat het enkele verbreken van langdurig stilzwijgen, bezien in samenhang met een in een later stadium afgelegde, deels bekennende, verklaring van een medeverdachte, reeds met zich brengt dat de voortduring van de voorlopige hechtenis niet langer als behorend tot de risicosfeer van verzoeker moet worden beschouwd.

Immers, de enkele omstandigheid dat verzoeker op enig moment ervoor heeft gekozen om niet meer te zwijgen heeft in het geheel geen afbreuk gedaan aan de noodzaak om diepgaand nader onderzoek te doen naar de toedracht van het feit en het aandeel van verzoeker daarin. Dit onderzoek heeft voor een niet onaanzienlijk deel plaatsgevonden na daartoe gegeven rechterlijke bevelen op verzoek van verzoeker.

Dit onderzoek heeft voortgeduurd tot de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

De volledige duur van de voorlopige hechtenis dient aldus in beginsel voor rekening van verzoeker te komen.

Het hof heeft onder ogen gezien of, ter correctie op dit uitgangspunt, de duur van het onderzoek in hoger beroep en van de voorlopige hechtenis in die gedingfase betekenis toekomt in die zin dat alsnog gronden van billijkheid aanwezig moeten worden geacht voor een, zij het gematigde, toekenning van schadevergoeding. Het hof heeft deze vraag negatief beantwoord.

Uit het hiervoor geschetste procesverloop blijkt dat binnen een niet-ongebruikelijke termijn na het instellen van het hoger beroep een regiezitting heeft plaatsgevonden en dat naar aanleiding daarvan onderzoek met het oog op verificatie dan wel falsificatie van de door verzoeker en de medeverdachten in de zaak afgelegde verklaringen is uitgevoerd. Hiermee was de nodige tijd gemoeid. Dat deze in relatie tot de aard en ernst van de verdenking en de complexiteit van de door de rechter te beantwoorden vragen buitenproportioneel is geweest, is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

In het licht van het voorgaande kan de verklaring van verzoeker dat hij heeft gezwegen totdat de medeverdachte een verklaring heeft afgelegd, omdat verzoeker daarna niet meer hoefde te vrezen voor represailles, geen gewicht in de schaal leggen zodanig dat dit een grond van billijkheid oplevert om toch enige schadevergoeding aan verzoeker toe te kennen.

Het hof zal daarom het verzoek afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^