Wrakingsverzoek voorzitter meervoudige strafkamer afgewezen

Gerechtshof Leeuwarden 10 juli 2012, LJN BX0877
Deze uitspraak betreft een wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de Meervoudige Strafkamer. Aan het wrakingsverzoek is kort gezegd ten grondslag gelegd dat verweerster als voorzitter tijdens de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker op verschillende momenten tijdens de ondervraging opmerkingen heeft gemaakt waarin naar zijn mening een waardeoordeel verscholen lag. Verzoeker heeft hierdoor de indruk gekregen dat de beslissing over de hem ten laste gelegde feiten al vast lag.

Het gaat hierbij onder meer om de volgende uitlatingen:
  • "Uw verhaal klopt niet."

  • Met betrekking tot een opmerking van verzoeker dat de sms'jes dolletjes waren, heeft verweerster gezegd: "Dat waren geen dolletjes meer."

  • Met betrekking tot de voorgehouden sms'jes en de opmerking van verzoeker dat hij en aangeefster aan het dollen waren, heeft verweerster gezegd: "Volgens mij was het bloedserieus."

Aan de wrakingskamer ligt de vraag voor of de enkele omstandigheid dat een rechter deze oordeelsvorming aan de verdachte kenbaar maakt kan duiden op vooringenomenheid. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Het hof is van mening dat indien een rechter ervoor kiest om zijn twijfels over de geloofwaardigheid van afgelegde verklaringen aan een verdachte voor te houden, hij inzicht geeft in zijn denkproces en de verdachte de mogelijkheid biedt hierop te reageren. De reactie van de verdachte gaat vervolgens ook deel uitmaken van de oordeelsvorming van de rechter. Een dergelijke open en transparante houding van de rechter past in het kader van een eerlijke rechtsgang en duidt op zichzelf geenszins op vooringenomenheid ten aanzien van de schuld of onschuld van de verdachte.

Volgens het Hof is het antwoord op de vraag hoe een rechter zich bij ondervragingen in een specifieke zaak mag opstellen, mede afhankelijk van de aard van de zaak. In dit geval gaat het om een zedenzaak, waarbij sprake is van een ontkennende verdachte die in eerste aanleg is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Het oordeel van het hof over het bewijs, met name over de overtuigingskracht daarvan, hangt in een dergelijk geval in hoge mate af van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de ontkennende verdachte. Daarin kan de voorzitter aanleiding vinden om twijfels over de geloofwaardigheid van de door de verdachte gegeven lezing te herhalen. Naar het oordeel van de wrakingskamer passen de gewraakte opmerkingen van de voorzitter in deze context, en zijn de grenzen van art. 271 Sv door die opmerkingen niet overschreden. De wrakingskamer wijst het verzoek dan ook af.


Nicole Priems

Print Friendly and PDF ^

Beklag ex art.12 SV na verzoekschrift ex art. 510 lid 1 SV tegen beslissing niet strafrechtelijk vervolgen rechter i.v.m. mogelijke valsheid in geschrifte bij het opmaken van een herstelbeschikking gegrond

Gerechtshof Arnhem 10 juli 2012, LJN BX1236

De uitspraak betreft een beklag ex art. 12 Sv. Het beklag richt zich tegen de beslissing om een rechter niet strafrechtelijk te vervolgen in verband met mogelijke valsheid in geschrifte bij het opmaken van een herstelbeschikking. Het Hof acht het beklag gegrond en beveelt dat door de OvJ strafvervolging tegen de betreffende rechter zal worden ingesteld ter zake van valsheid in geschrifte.


Op de terechtzitting van 5 november 2010 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag de strafzaak tegen klager behandeld. Op enig moment tijdens de behandeling, is de rechtbank op verzoek van klager gewraakt. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek werd door de voorzitter van de wrakingskamer opgemerkt dat de schorsingsformule, die wordt uitgesproken om aan het bepaalde in art. 282 lid 2 Sv te voldoen, niet was opgenomen in het proces-verbaal terechtzitting. Beklaagde heeft diezelfde dag nog, ter aanvulling van het proces-verbaal een verstaansbeschikking op laten maken (overigens door een andere griffiemedewerker dan de zittingsgriffier die op de zitting had gezeten). Deze verstaansbeschikking heeft hij alleen ondertekend. In deze beschikking werd ter correctie van het eerdere proces-verbaal van de zitting alsnog de schorsingsformule opgenomen, met vermelding van de gehele zittingscombinatie en de zinsnede dat deze beschikking was vastgesteld door de voorzitter en de griffier, kennelijk doelend op de zittingsgriffier. Klager stelt dat beklaagde deze beschikking valselijk heeft laten opmaken, nu beklaagde wist dat hij de schorsingsformule niet tijdens de terechtzitting had uitgesproken en dat de zittingsgriffier niet de opsteller van de verstaansbeschikking was.

Klager heeft naar aanleiding hiervan aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. Hierop is door de rechtbank Den Haag een intern onderzoek ingesteld. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd door de Rijksrecherche. Vast staat dat beklaagde de verstaansbeschikking in alle haast heeft laten opmaken en dat hij tevoren noch de eigenlijke zittingsgriffier, noch diens aantekeningen heeft geraadpleegd. Beklaagde heeft in raadkamer verklaard dat hij op dat moment geen concrete herinnering had aan het verloop van de terechtzitting, maar dat hij ervan uit is gegaan dat hij de schorsingsformule – zoals gewoonlijk – had uitgesproken.

De verklaring van beklaagde leidt tot het oordeel dat het niet op voorhand onaannemelijk te achten is dat beklaagde op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de beschikking valselijk werd opgemaakt, dat wil zeggen in strijd met hetgeen ter terechtzitting op het punt van de hiervoor bedoelde schorsingsformule daadwerkelijk is voorgevallen en uitgesproken. Bij gebreke van een concrete herinnering aan hetgeen hij in de zaak tegen klager op dit punt had uitgesproken, had klager zich als voorzittend rechter, alvorens een herstelbeschikking op te laten maken, zich van de werkelijke gang van zaken dienen te vergewissen, bijvoorbeeld door te overleggen met de zittingsgriffier of door het inzien van diens zittingsaantekeningen. Door dit niet te doen, is geenszins denkbeeldig dat geoordeeld zal worden dat beklaagde bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verstaansbeschikking niet de juiste gang van zaken zou weergeven. De kans is dan ook aanwezig, dat een later oordelende strafrechter tot een bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet op valsheid in geschrift zal kunnen komen.

Nicole Priems

Print Friendly and PDF ^

Arrest in de zaak van de overval op discotheek Jimmy Woo op 27 november 2006

Gerechtshof Amsterdam 23 juli 2012, LJN BX2368

Bij arrest van 24 oktober 2008 is het OM door het hof niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat het hof toen niet beschikte over het strafdossier. De verdachte is nadien opnieuw vervolgd en door de rechtbank veroordeeld. 

De verdediging heeft in hoger beroep niet-ontvankelijkverklaring van het OM bepleit wegens schending van het vertrouwensbeginsel en strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. 

De verweren worden verworpen, nu er geen wettelijke belemmering bestond voor een "tweede" procedure en de verdachte niet aan de handelwijze van het openbaar ministerie het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen of mogen ontlenen dat hij niet opnieuw ter zake van het ten laste gelegde zou worden vervolgd. 

Evenmin is er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. 

Wel wordt er een korting op de straf toegepast omdat de verdachte tweemaal ter zake van de onderhavige feiten terecht heeft gestaan voor de rechtbank Amsterdam en voor het hof, alsmede vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte wordt veroordeeld voor de diefstal met (bedreiging met) geweld en de vrijheidsberoving van personeel tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 38 maanden met aftrek van voorarrest.
Print Friendly and PDF ^

Artikel 5 EVRM, voorlopige hechtenis, motiveringsplicht, strafmaatverweer

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2012, LJN BW9141

In deze zaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de beschikking van de raadkamer van de rechtbank tot gevangenhouding van de verdachte en de beschikking van de raadkamer van het hof in hoger beroep, waarbij de beslissing van de rechtbank is bevestigd, niet voldoen aan de Nederlandse en Europeesrechtelijke vereisten. Bij de motivering van de beslissing van de rechtbank is slechts gebruikgemaakt van een zogenaamd ‘kruisjesformulier’. Hierdoor is de beslissing niet concreet en deugdelijk gemotiveerd.

De raadsman doet een beroep op strafvermindering ten compensatie van schending van artikel 5 EVRM. Het hof overweegt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen er niet aan in de weg staat dat in het kader van een strafmaatverweer wordt getoetst of de vrijheidsbeneming van verdachte en de rechterlijke beslissingen dienaangaande een schending van het EVRM opleveren.

Het hof oordeelt dat de motivering van de raadkamer van het hof niet voldoet aan de in artikel 5 van het EVRM gestelde eisen. De wettelijke gronden voor vrijheidsbeneming dienen niet alleen te worden aangewezen, maar moeten ook worden geconcretiseerd. Met andere woorden, er moet worden uitgelegd waarom de rechter die gronden toepasselijk vindt. Daarbij wordt wel rekening gehouden met het stadium, waarin de zaak zich bevindt. Een uitvoerige motivering vergt immers vaak kennis, waarover de rechter in een beginstadium van de voorlopige hechtenis nog niet altijd beschikt. Ook de duur van de voorlopige hechtenis kan een rol spelen. Serieuze argumenten, die de verdediging tegen de voorlopige hechtenis aanvoert, moeten ook altijd worden besproken. In de onderhavige zaak overweegt het hof dat de motivering van de gevangenneming door de raadkamer van de rechtbank zoals vervat in het zogenaamde ‘kruisjesformulier’ nog niet strijdig is met het bepaalde in artikel 5 van het EVRM en de uitleg van deze bepaling door het EHRM. Dat ook de raadkamer van het hof de afwijzing van het hoger beroep niet heeft gemotiveerd, levert wel strijd op met artikel 5 EVRM.

Het hof volstaat hier evenwel met de constatering van deze schending, omdat het van oordeel is dat de verdachte in dit concrete geval geen nadeel heeft ondervonden van het achterwege blijven van een motivering door de raadkamer van het hof aangezien rechtbank en hof terecht hebben geoordeeld dat aan de voorwaarden voor gevangenhouding is voldaan.

Print Friendly and PDF ^

Gerechtshof: Justitie mag administratiekosten rekenen bij administratieve sanctie

Gerechtshof Leeuwarden 15 juni 2012, LJN BW8480
Ten aanzien van de vraag of bij het opleggen van een administratieve sanctie het in rekening brengen van administratiekosten in strijd is met het recht, overweegt het Hof als volgt.

“Bij de Wet van 12 juni 2009 is het wettelijk kader geschapen voor het in rekening brengen van administratiekosten bij administratieve sancties.
Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de WAHV worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven omtrent de inning van de administratieve sanctie en hebben deze voorschriften in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de administratieve sanctie, de administratiekosten, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.

Artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 luidt als volgt: “Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is administratiekosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. Op de betaling van de administratiekosten zijn de artikelen van dit besluit betreffende de betaling van de administratieve sanctie, het toezicht en de verantwoording van de gelden van overeenkomstige toepassing. De administratiekosten worden samen met de administratieve sanctie in rekening gebracht.”
Artikel 1 van de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 2009, nr. 5600438, houdende vaststelling van de administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (hierna: de Regeling), luidt als volgt: “De administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994, bedragen per administratieve sanctie € 6.”

Naar het oordeel van het hof berust het samen met de administratieve sanctie in rekening brengen van administratiekosten op een deugdelijke wettelijke grondslag. Niet gebleken is dat de Regeling de door de wet gestelde grenzen overschrijdt.”

Voorts heeft het Hof bepaald dat tegen het in rekening brengen van administratiekosten in de procedure tegen de oplegging van de administratieve sanctie wèl beroep kan worden ingesteld.

“Het hof overweegt verder dat, waar artikel 26, derde lid, van de WAHV de mogelijkheid uitsluit om in de verzetprocedure bezwaren naar voren te brengen tegen de beslissing waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, een wetssystematische interpretatie van artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de WAHV meebrengt dat onder de “oplegging van de administratieve sanctie” in deze volzin moet worden verstaan de beslissing waarbij de administratieve sanctie is opgelegd. Bij deze beslissing worden (ook) de administratiekosten in rekening gebracht.

Voorts wijst het hof op het volgende.

Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft geoordeeld dat het EVRM niet in de weg staat aan de administratieve afdoening van lichte overtredingen (EHRM 21 februari 1984, Öztürk, LJN: AC9954; NJ 1988, 937 gepubliceerd op rechtspraak.nl). Indien de verdragsstaten echter vrij zouden zijn om een vergrijp, door het als administratief te kwalificeren, van de werking van de grondbeginselen van artikel 6 en 7 uit te sluiten, zou dit een met het verdrag strijdig resultaat kunnen opleveren: “Conferring the prosecution and punishment of minor offences on administrative authorities is not inconsistent with the Convention provided that the person concerned is enabled to take any decision thus made against him before a tribunal that does offer the guarantees of article 6”.

Naar het oordeel van het hof moet het in rekening brengen van de administratiekosten aan de betrokkene worden aangemerkt als een “decision thus made against him” in vorenbedoelde zin. Omdat de beschikking waarbij aan de betrokkene een administratieve sanctie is opgelegd tevens inhoudt dat de betrokkene administratiekosten verschuldigd is, kan de betrokkene de bezwaren die hij heeft tegen het in rekening brengen van de administratiekosten naar voren brengen in de procedure tegen de oplegging van de administratieve sanctie.”

Print Friendly and PDF ^

Gerechtshof: Uitleg van het begrip 'verstoren' als bedoeld in art. 11 Flora- en Faunawet. Vrijspraak overtreding art. 11 Flora-en Faunawet. Verder uitleg van het begrip 'verstorend effect' als bedoeld in art. 19d Natuurbeschermingswet. Vrijspraak overtreding art. 10d Natuurbeschermingswet

Gerechtshof Arnhem 29 mei 2012, LJN BW7281
Feit 1

Aan verdachte is overtreding van art. 11 van de Flora- en faunawet tenlastegelegd. Verdachte is op 30 oktober 2007 over de Oostvaardersplassen gevlogen. Volgens twee boswachters heeft “verstoring” plaatsgevonden van dieren op de grond, hetgeen in strijd zou zijn met de natuurbeschermingsregelingen.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van ‘beschadigen’, ‘vernielen’, ‘uithalen’ en ‘wegnemen’ zodat de verdachte op dit punt dient te worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gesteld dat het begrip ‘verstoren’ in deze van belang is en dat ook dit niet aan de orde is geweest. De verdediging heeft zich bij dit standpunt aangesloten.

Gerechtshof
Uit het dossier blijkt naar het oordeel van het hof niet dat nesten van beschermde inheemse dieren, te weten van edelherten en/of ganzen en/of konikpaarden door de vlucht van de verdachte over het gebied waar deze dieren verbleven zijn beschadigd, vernield, uitgehaald en/of weggenomen, zodat verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

De vraag waar het vervolgens om gaat is of het handelen van verdachte, zoals tenlastegelegd, als ‘verstoren’ als bedoeld in artikel 11 van de Flora- en faunawet moet worden aangemerkt. Voor de beantwoording van de vraag welke uitleg aan het begrip ‘verstoren’ als bedoeld in artikel 11 van de Flora- en faunawet moet worden gegeven, moet aansluiting worden gezocht bij de wetsgeschiedenis.

Hieruit leidt het hof af dat de wetgever met het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van Flora- en faunawet uitwerking heeft gegeven aan artikel 12 lid 1 onder b van de Habitat-richtlijn (PbEG 1992, L 206). In elk geval zal het hof die artikelen van de Flora- en faunawet in lijn met de richtlijn interpreteren. Er zijn geen aanwijzingen dat Nederland op dit punt een ruimere bescherming heeft beoogd. Het hof stelt voorts vast dat er naast een terminologisch onderscheid ook een inhoudelijk verschil in reikwijdte is of moet zijn met het oog op de beoogde beschermingsfunctie tussen de begrippen ‘verontrusten’ en ‘verstoren’ als bedoeld in respectievelijk de artikelen 10 en 11 van de Flora- en faunawet. Waar de term ‘verontrusten’ ziet op het beschermde dier zelf, ziet de term ‘verstoren’ op de nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren. Deze plaatsen behoeven een strikte bescherming, aangezien zij cruciaal zijn voor het leven van de betreffende diersoorten en daardoor voor het voortbestaan van de betreffende soort. Het beschermingsregime heeft tot doel de ecologische functie van de genoemde plaatsen veilig te stellen om er zo voor te zorgen dat de betreffende diersoort(en) zich met succes kunnen voortplanten. Gelet op deze uitleg is het hof– met de economische politierechter – van oordeel dat slechts sprake kan zijn van ‘verstoren’ in de zin van artikel 11 van de Flora- en faunawet, indien er daadwerkelijk gevolgen voor de betreffende plaats zijn geweest, in die zin dat de ecologische functie is verstoord. Een slechts zeer tijdelijke verstoring die uiteindelijk geen negatieve gevolgen heeft voor betreffende diersoort valt daar niet onder.


In het onderhavige dossier is – rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betreffende diersoorten – geen bewijs voorhanden dat de ecologische functie van het nest en de holen als voortplantings-, rust- of verblijfplaats van de betreffende diersoorten is aangetast, aldus het hof. Uit het dossier volgt slechts dat de verbalisanten constateerden dat edelherten, ganzen en konikpaarden op de vlucht sloegen toen de verdachte met zijn sportvliegtuig overvloog. Niet blijkt dat de dieren nadien niet zijn teruggekeerd naar hun verblijf- en/of rustplaatsen en dat sprake was van negatieve gevolgen voor de ecologische functie van de betreffende diersoorten.

Verdachte wordt daarom ook van het resterende onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde – het ‘verstoren’ –vrijgesproken.

Feit 2

Onder dit feit is aan de verdachte tenlastegelegd overtreding van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet. Daarbij gaat het er – kort gezegd – om dat de verdachte handelingen zou hebben verricht die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en/of de habitats van soorten in de Oostvaardersplassen konden verslechteren of een verstorend effect konden hebben op de soorten aldaar.

Standpunt AG

Volgens de advocaat-generaal dient het begrip ‘verstorend effect’ op dezelfde wijze te worden uitgelegd als het begrip ‘verstoren’ in de zin van de Flora- en faunawet. De advocaat-generaal heeft op die grond ook vrijspraak gevorderd ten aanzien van het tweede feit.

De raadsvrouw heeft opgemerkt dat het hoger beroep zich richt tegen de beslissing waarbij de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde is veroordeeld en zich om die reden niet expliciet uitgelaten over de uitleg van begrip ‘verstorend effect’ in de zin van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet.

Gerechtshof

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of met het vliegen van de verdachte over de Oostvaardersplassen sprake is van een handeling waardoor de kwaliteit van de habitat van de in de tenlastelegging genoemde soorten kon verslechteren of die een verstorend effect kon hebben op die soorten althans de natuurlijke kenmerken van genoemd gebied konden aantasten. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat voor de uitleg van de begrippen ‘verslechteren’ en ‘verstorend effect’ en “aantasten” niet kan worden aangesloten bij de uitleg van het begrip ‘verstoring’ in de zin van artikel 11 van de Flora- en faunawet, maar dat voor die uitleg de wetsgeschiedenis bepalend is.

Uit de memorie van toelichting op artikel 19d van de Natuurbeschermingswet volgt over deze begrippen – voor zover thans van belang –: ‘Volgens de EU-Handleiding treedt de verslechtering van de kwaliteit van een habitat op wanneer in een bepaald gebied de door het habitat ingenomen oppervlakte afneemt of wanneer het met de specifieke structuur en functie die voor de instandhouding van het habitat op lange termijn noodzakelijk zijn dan wel met de staat van instandhouding van de met dit habitat geassocieerde typische soorten, in dalende lijn gaat in vergelijking met de begintoestand.

Verstoring van een soort in een gebied treedt volgens die EU-handleiding op wanneer uit populatiedynamische gegevens betreffende die soort in dat gebied blijkt dat de soort het gevaar loopt, in vergelijking met de begintoestand niet langer een levensvatbare component van het natuurlijke habitat te blijven. In beide gevallen geschiedt de beoordeling in het licht van de bijdrage van het aangewezen gebied tot een coherentie van het netwerk Natura 2000.’


Nadien is aan artikel 19d van de Natuurbeschermingswet toegevoegd dat het verstorend effect ‘significant’ dient te zijn. Daarover zegt de memorie van toelichting van die wet, voor zover van belang, het volgende. ‘Ten tweede kan de aansluiting worden verbeterd door het woord ‘significant’ in artikel 19d, eerste lid, toe te voegen. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn spreekt over het voorkomen van storende factoren, voor zover die factoren een significant effect kunnen hebben. In het licht van de tekst van de richtlijn moet artikel 19d zó worden uitgelegd, dat niet voor elke verstoring of verslechtering vergunningplicht bestaat; alleen die activiteiten die gevolgen hebben voor de staat van instandhouding van de soort of de habitat in het gebied en zo de instandhoudingdoelstellingen raken zijn vergunningplichtig. Om evenwel alle mogelijke twijfel weg te nemen wordt (…) voorgesteld te expliciteren dat het bij een mogelijke verstoring van soorten moet gaan om een mogelijk significant verstorend effect.’


In het onderhavige dossier is geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de kwaliteit van de habitat van één van de in de tenlastelegging genoemde diersoorten kon verslechteren of dat sprake kon zijn van een (significant) verstorend effect. Immers, niet is gebleken dat de oppervlakte van de habitat is afgenomen door het handelen van de verdachte, noch dat de instandhouding een dalende lijn vertoont in vergelijking met de begintoestand.

In het dossier zijn evenmin populatiedynamische gegevens voorhanden waaruit blijkt dat de in de tenlastelegging genoemde soorten het gevaar lopen niet langer een levensvatbare component te zijn in de habitat.

Bovendien is het hof van oordeel dat de wetgever nadien zijn bedoeling nader heeft omschreven door het bestanddeel ‘significant’ toe te voegen aan artikel 19d van de Natuurbeschermingswet. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat niet elke verstoring of verslechtering op zichzelf vergunningplichtig is, maar alleen de verstoringen en verslechteringen die gevolgen hebben voor de instandhouding van de soort of de habitat in het gebied.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het vliegen van verdachte geen verstoring in de zin van de tenlastelegging oplevert.

Naar het oordeel van het hof dient de verdachte daarom ook van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering gelet op art. 74 AWR en de Aanwijzing ontneming, vordering strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel louter behaald door bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Veroordeling voor deelname aan criminele organisatie doet hier niet aan af.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19 juni 2012, LJN BW8677

Het hof heeft verdachte in de hoofdzaak veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en het Communautair douanewetboek, vereiste aangifte, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven (feit 1 en 2) en deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk overtreding van de artt. 48 van de Douanewet en 225 Sr (feit 3).

Het ontnemingsrapport van de Afdeling Financiële Recherche  bevat een korte beschrijving van de strafbare feiten. Deze beschrijving houdt in dat door twee ondernemingen van veroordeelde kippenvlees werd ingekocht op TIR-carnet met bestemming Bulgarije, terwijl dit kippenvlees in werkelijkheid binnen de Europese Unie werd afgezet. Het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel bestond uit de verschuldigde (aanvullende) invoerrechten en omzetbelasting met betrekking tot 14 TIR-carnets minus de vergoeding voor het (laten) vervalsen van douanestempels. Het berekende totale wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten: een bedrag van € 588.576,25, werd toegerekend aan de veroordeelde. 
 
Het aanvullend ontnemingsrapport van de Afdeling Financiële Recherche bevat een korte beschrijving van de strafbare feiten overeenkomstig die in het ontnemingsrapport. Het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel bestond uit de verschuldigde (aanvullende) invoerrechten minus het (negatieve) verschil tussen de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde kostprijs en minus de vergoeding voor het (laten) vervalsen van douanestempels. Het aldus berekende totale wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten: een bedrag van € 302.898,43, werd toegerekend aan de veroordeelde. 

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de ontnemingsvordering strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel louter behaald door bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Derhalve heeft het hof, gelet op het bepaalde in art. 74 AWR, het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 

De omstandigheid dat veroordeelde is veroordeeld ter zake van deelname aan een criminele organisatie kan aan het voorgaande niet afdoen. Immers, de criminele organisatie had uitsluitend tot oogmerk het opzettelijk doen van onjuiste aangiftes met behulp van TIR-carnets teneinde de invoerrechten te ontduiken, strafbaar gesteld in art. 48 Douanewet, terwijl het valselijk opmaken van de TIR-carnets, strafbaar gesteld in art. 225 Sr, enkel diende om dat opzettelijk doen van onjuiste aangiftes mogelijk te maken. Het door deelname aan de criminele organisatie verkregen voordeel is bijgevolg door bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten verkregen voordeel.  
Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor o.a. witwassen van melk boven melkquotum

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2012, LJN BW8083

De tenlastelegging is gebaseerd op de verdenking dat verdachte de melk, die door bedrijf 1 in Nederland boven het melkquotum werd geproduceerd, geleverd heeft gekregen en dit vervolgens heeft verhuld door internationale vrachtbrieven (CMR-formulieren) van de uit Polen (van de bedrijf 2) afkomstige melk (feit 1), opgaven van melkleveranties van bedrijf 1 aan verdachte over de heffingsperioden van 2004 tot en met 2007 (feit 2) en Excel-bestanden melkontvangst over de jaren 2005 tot en met 2007 (feit 3) te (laten) vervalsen. Hierdoor zou verdachte in de betreffende periode deze melk ook hebben witgewassen (feit 4).

Standpunt AG

De advocaat-generaal acht alle tenlastegelegde feiten bewezen op basis van de   overproductie in Nederland in combinatie met de gewijzigde CMR-formulieren,   waarbij het ervoor gehouden moet worden dat de in Polen genoteerde hoeveelheden juist zijn, nu deze hoeveelheden, gelet op de maandproductielijsten, de grootte van de veestapel en de melkgift verklaarbaar zijn. Daarbij heeft de AG aangevoerd dat de gegevens die in Nederland op de CMR-formulieren werden ingevuld niet op waarheid te controleren zijn, dat er geen enkele aanwijzing is die de in Nederland ingevulde gegevens aannemelijk maakt en dat hetgeen door de verdediging wordt aangevoerd ongeloofwaardig is, mede bezien in het licht van de verwevenheid tussen de verschillende bedrijven.

Standpunt van de verdediging

de overproductie aan melk werd deels vervoederd en deels werd gedumpt in de mestput;

de metingen in Polen en de aldaar op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden waren niet betrouwbaar, om die reden vond bij aankomst van de melk in Nederland de definitieve meting van de aan verdachte geleverde melk plaats, uitgegaan dient te worden van de juistheid van die gegevens;

hetgeen door de advocaat-generaal wordt gesuggereerd is niet aannemelijk alleen al omdat de (gestelde) valselijk opgehoogde productie   in Polen veel omvangrijker is geweest dan de te verhullen overproductie in Nederland en wel in die mate dat dit heeft geleid tot het betalen van een superheffing van € 500.000,-- in Polen over een in de visie van het openbaar ministerie niet bestaande productie.

Het hof

a. ten aanzien van de in Polen op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden melk
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof met de verdediging van oordeel dat de stelling van de AG dat de in Polen genoteerde hoeveelheden melk als juist moeten worden aangemerkt twijfelachtig is.
De stelling van het openbaar ministerie dat dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in Polen op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden melk vindt geen bevestiging in het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof acht de hoeveelheden die in Polen op de CMR-formulieren zijn ingevuld niet voldoende betrouwbaar om tot bewijs te bezigen.

b. ten aanzien van de in Nederland op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden melk
De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of de hoeveelheden die in Nederland op de CMR-formulieren zijn ingevuld betrouwbaar zijn.

De stelling van de verdediging dat in Nederland werd gemeten of gewogen vindt naar het oordeel van het hof ondersteuning in het dossier.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de melk die vanuit Polen kwam in Nederland werd gemeten of gewogen. De stelling van de verdediging dat het gebruikelijk is dat de melkfabriek de ontvangen hoeveelheden melk vaststelt en doorgeeft aan de   leverancier acht het hof, mede gelet op hetgeen hierover in het door de verdediging ingebrachte (ongedateerde) rapport van [rapporteurs] wordt gezegd, niet onaannemelijk. Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet afdoende worden vastgesteld dat de in Nederland genoteerde hoeveelheden melk niet correct zijn. Het hof verwijst daarbij ook naar hetgeen hierna onder c. en d. zal worden besproken.

c. de verschillen tussen de in Polen en in Nederland genoteerde hoeveelheden melk
Wel moet worden gesteld dat de verschillen tussen de Poolse en de Nederlandse cijfers op de in de tenlastelegging opgenomen CMR-formulieren (feit 1) van een zodanige omvang zijn dat een nadere verklaring daarvoor op zijn plaats is. Een aannemelijke verklaring voor deze aanmerkelijke verschillen is door de AID of de advocaat-generaal niet gegeven en is ook overigens niet uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken. Door de verdediging is als verklaring voor de verschillen tussen de Poolse en de Nederlandse cijfers aangevoerd dat de meters die in Polen werden gebruikt onbetrouwbaar waren en dat ook het invullen van de meetgegevens niet nauwkeurig genoeg plaatsvond, terwijl er in Nederland wel betrouwbare meetinstrumenten waren om tot de juiste meting te komen. Het hof acht deze uitleg niet onaannemelijk.

d. overproductie
De AG heeft gesteld dat er geen andere aannemelijke verklaring is voor wat er   met de overproductie is gebeurd dan dat deze aan verdachte is geleverd. Daarbij heeft de AG verwezen naar getuigen die hebben verklaard dat er geen   melkoverschot werd vervoederd of gedumpt en naar de berekeningen omtrent de vetpercentages van de geleverde melk, waaruit zou moeten worden afgeleid dat het verhaal van verdachte niet kan kloppen. Door de verdediging is gesteld dat deze overproductie deels is vervoederd en deels in de mestput is gedumpt.
Het hof leidt uit een en ander af dat het technisch mogelijk was om melk aan de varkens te voeren. Voorts kan niet worden uitgesloten dat het melkoverschot daadwerkelijk is vervoederd/gedumpt.
 
e. conclusie
Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat   verdachte het haar tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte hiervan behoort te worden vrijgesproken.

Print Friendly and PDF ^

Integrale vrijspraak asbestzaak

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 mei 2012, LJN BW6237

Ten laste van verdachte is gelegd:
Feit 1
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, doordat zij, al dan niet opzettelijk, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, de volgende handelingen heeft verricht:
- het geheel of gedeeltelijk afbreken en/of uit elkaar nemen van bouwwerken en/of objecten terwijl daarin asbest of asbesthoudende producten waren verwerkt en/of
- het verwijderen van asbest en/of asbesthoudende producten uit bouwwerken en/of objecten
terwijl zij niet een bedrijf was dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid van voornoemd besluit.
Feit 2
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, doordat zij, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig of in een omvang en/of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken en/of uit elkaar nemen van een aantal panden, waarbij asbest is verwijderd, vrijgekomen, verspreid en/of op de bodem geraakt en/of blijven liggen, terwijl daardoor naar zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan;
Feit 3
Opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, begaan door een   rechtspersoon.
Primair doordat zij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalst(e) website, – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat die site voor een ieder via het internet vrij benaderbaar was en kennelijk gebruikt werd voor acquisitie en bestaande die   valsheid of vervalsing hierin dat daarop valselijk en in strijd met de waarheid stond vermeld dat voor het deskundig verwijderen van asbest haar bedrijf beschikte over het volgens het Asbestsaneringsbesluit verplichte certificaat.

subsidiair doordat zij, om het handels- en/of bedrijfsdebiet van zichzelf of een ander te vestigen, te behouden en/of uit te breiden, een bedrieglijke handeling heeft gepleegd tot misleiding van het publiek of een bepaald persoon, bestaande die bedrieglijke handeling uit het in strijd met de waarheid (laten) inrichten en in werking hebben van een website waarop stond vermeld dat haar bedrijf voor het deskundig verwijderen van asbest beschikte over het volgens het Asbestsaneringsbesluit verplichte certificaat, terwijl daaruit enig nadeel voor concurrenten van haar en/of van die ander kon ontstaan.
Hof
Op grond van het voorhanden bewijs acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat personeel van verdachte bouwwerken en/of objecten gedeeltelijk heeft afgebroken en/of uit elkaar genomen terwijl daarin asbest of asbesthoudende producten waren verwerkt. Het bewijs schiet er evenwel voor tekort om te kunnen vaststellen dat ten tijde van deze handelingen van het personeel van verdachte de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Daartoe overweegt het hof dat het in 2006 opgemaakt rapport asbestinventarisatie geen indeling in risicoklassen bevat, terwijl het in 2008 opgemaakt rapport asbestinventarisatie  – dat wel een indeling in risicoklassen bevat – pas is opgesteld circa drie maanden nadat de handelingen waren verricht door verdachte en er geen bewijs voor handen is dat de aangetroffen situatie een gevolg was van het handelen van het personeel van verdachte. Het hof is van oordeel dat die inventarisatie daarom niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde overweegt het hof dat het uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging heeft bekomen dat personeel van verdachte handelingen heeft verricht waarbij asbest is verwijderd, vrijgekomen, verspreid en/of op de bodem geraakt en/of blijven liggen. Daartoe overweegt het hof dat tussen de handelingen van verdachte en het aantreffen van het asbest circa drie maanden zijn verstreken zodat niet valt uit te sluiten dat asbest is verspreid door toedoen van handelingen van derden.

Met betrekking tot het onder 3. primair ten laste gelegde acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse website. Het voorhanden bewijs schiet er evenwel voor tekort om te kunnen vaststellen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse website.

Ten slotte acht het hof ten aanzien van het onder 3. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte om haar handels- en/of bedrijfsdebiet te vestigen, te behouden en/of uit te breiden, een bedrieglijke handeling heeft gepleegd tot misleiding van het publiek, te weten het in strijd met de waarheid in werking hebben van een website, terwijl daaruit enig nadeel voor concurrenten van haar kon ontstaan. Het voorhanden bewijs schiet er evenwel voor tekort om te kunnen vaststellen dat verdachte deze bedrieglijke handeling heeft gepleegd in Eindhoven.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de verdachte van de haar onder 1., 2. en 3. primair en subsidiair ten laste gelegde feiten vrijspreken.

Print Friendly and PDF ^

Verduistering door notaris

Gerechtshof ’s-Gravenhage 4 mei 2012, LJN BW4924

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen die hij in zijn hoedanigheid van notaris onder zich had gekregen. Hij heeft de geldbedragen die op de derdengeldrekening gestort heeft gekregen overgemaakt op een privérekening van zijn partner. Daarbij heeft de verdachte valsheid in geschrift gepleegd om de verduisteringen te bewerkstelligen.
Print Friendly and PDF ^