Artikel 5 EVRM, voorlopige hechtenis, motiveringsplicht, strafmaatverweer

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2012, LJN BW9141

In deze zaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de beschikking van de raadkamer van de rechtbank tot gevangenhouding van de verdachte en de beschikking van de raadkamer van het hof in hoger beroep, waarbij de beslissing van de rechtbank is bevestigd, niet voldoen aan de Nederlandse en Europeesrechtelijke vereisten. Bij de motivering van de beslissing van de rechtbank is slechts gebruikgemaakt van een zogenaamd ‘kruisjesformulier’. Hierdoor is de beslissing niet concreet en deugdelijk gemotiveerd.

De raadsman doet een beroep op strafvermindering ten compensatie van schending van artikel 5 EVRM. Het hof overweegt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen er niet aan in de weg staat dat in het kader van een strafmaatverweer wordt getoetst of de vrijheidsbeneming van verdachte en de rechterlijke beslissingen dienaangaande een schending van het EVRM opleveren.

Het hof oordeelt dat de motivering van de raadkamer van het hof niet voldoet aan de in artikel 5 van het EVRM gestelde eisen. De wettelijke gronden voor vrijheidsbeneming dienen niet alleen te worden aangewezen, maar moeten ook worden geconcretiseerd. Met andere woorden, er moet worden uitgelegd waarom de rechter die gronden toepasselijk vindt. Daarbij wordt wel rekening gehouden met het stadium, waarin de zaak zich bevindt. Een uitvoerige motivering vergt immers vaak kennis, waarover de rechter in een beginstadium van de voorlopige hechtenis nog niet altijd beschikt. Ook de duur van de voorlopige hechtenis kan een rol spelen. Serieuze argumenten, die de verdediging tegen de voorlopige hechtenis aanvoert, moeten ook altijd worden besproken. In de onderhavige zaak overweegt het hof dat de motivering van de gevangenneming door de raadkamer van de rechtbank zoals vervat in het zogenaamde ‘kruisjesformulier’ nog niet strijdig is met het bepaalde in artikel 5 van het EVRM en de uitleg van deze bepaling door het EHRM. Dat ook de raadkamer van het hof de afwijzing van het hoger beroep niet heeft gemotiveerd, levert wel strijd op met artikel 5 EVRM.

Het hof volstaat hier evenwel met de constatering van deze schending, omdat het van oordeel is dat de verdachte in dit concrete geval geen nadeel heeft ondervonden van het achterwege blijven van een motivering door de raadkamer van het hof aangezien rechtbank en hof terecht hebben geoordeeld dat aan de voorwaarden voor gevangenhouding is voldaan.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF