Integrale vrijspraak asbestzaak

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 mei 2012, LJN BW6237

Ten laste van verdachte is gelegd:
Feit 1
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, doordat zij, al dan niet opzettelijk, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, de volgende handelingen heeft verricht:
- het geheel of gedeeltelijk afbreken en/of uit elkaar nemen van bouwwerken en/of objecten terwijl daarin asbest of asbesthoudende producten waren verwerkt en/of
- het verwijderen van asbest en/of asbesthoudende producten uit bouwwerken en/of objecten
terwijl zij niet een bedrijf was dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid van voornoemd besluit.
Feit 2
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, doordat zij, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig of in een omvang en/of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken en/of uit elkaar nemen van een aantal panden, waarbij asbest is verwijderd, vrijgekomen, verspreid en/of op de bodem geraakt en/of blijven liggen, terwijl daardoor naar zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan;
Feit 3
Opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, begaan door een   rechtspersoon.
Primair doordat zij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalst(e) website, – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat die site voor een ieder via het internet vrij benaderbaar was en kennelijk gebruikt werd voor acquisitie en bestaande die   valsheid of vervalsing hierin dat daarop valselijk en in strijd met de waarheid stond vermeld dat voor het deskundig verwijderen van asbest haar bedrijf beschikte over het volgens het Asbestsaneringsbesluit verplichte certificaat.

subsidiair doordat zij, om het handels- en/of bedrijfsdebiet van zichzelf of een ander te vestigen, te behouden en/of uit te breiden, een bedrieglijke handeling heeft gepleegd tot misleiding van het publiek of een bepaald persoon, bestaande die bedrieglijke handeling uit het in strijd met de waarheid (laten) inrichten en in werking hebben van een website waarop stond vermeld dat haar bedrijf voor het deskundig verwijderen van asbest beschikte over het volgens het Asbestsaneringsbesluit verplichte certificaat, terwijl daaruit enig nadeel voor concurrenten van haar en/of van die ander kon ontstaan.
Hof
Op grond van het voorhanden bewijs acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat personeel van verdachte bouwwerken en/of objecten gedeeltelijk heeft afgebroken en/of uit elkaar genomen terwijl daarin asbest of asbesthoudende producten waren verwerkt. Het bewijs schiet er evenwel voor tekort om te kunnen vaststellen dat ten tijde van deze handelingen van het personeel van verdachte de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Daartoe overweegt het hof dat het in 2006 opgemaakt rapport asbestinventarisatie geen indeling in risicoklassen bevat, terwijl het in 2008 opgemaakt rapport asbestinventarisatie  – dat wel een indeling in risicoklassen bevat – pas is opgesteld circa drie maanden nadat de handelingen waren verricht door verdachte en er geen bewijs voor handen is dat de aangetroffen situatie een gevolg was van het handelen van het personeel van verdachte. Het hof is van oordeel dat die inventarisatie daarom niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde overweegt het hof dat het uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging heeft bekomen dat personeel van verdachte handelingen heeft verricht waarbij asbest is verwijderd, vrijgekomen, verspreid en/of op de bodem geraakt en/of blijven liggen. Daartoe overweegt het hof dat tussen de handelingen van verdachte en het aantreffen van het asbest circa drie maanden zijn verstreken zodat niet valt uit te sluiten dat asbest is verspreid door toedoen van handelingen van derden.

Met betrekking tot het onder 3. primair ten laste gelegde acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse website. Het voorhanden bewijs schiet er evenwel voor tekort om te kunnen vaststellen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse website.

Ten slotte acht het hof ten aanzien van het onder 3. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte om haar handels- en/of bedrijfsdebiet te vestigen, te behouden en/of uit te breiden, een bedrieglijke handeling heeft gepleegd tot misleiding van het publiek, te weten het in strijd met de waarheid in werking hebben van een website, terwijl daaruit enig nadeel voor concurrenten van haar kon ontstaan. Het voorhanden bewijs schiet er evenwel voor tekort om te kunnen vaststellen dat verdachte deze bedrieglijke handeling heeft gepleegd in Eindhoven.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de verdachte van de haar onder 1., 2. en 3. primair en subsidiair ten laste gelegde feiten vrijspreken.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF