Beklag ex art.12 SV na verzoekschrift ex art. 510 lid 1 SV tegen beslissing niet strafrechtelijk vervolgen rechter i.v.m. mogelijke valsheid in geschrifte bij het opmaken van een herstelbeschikking gegrond

Gerechtshof Arnhem 10 juli 2012, LJN BX1236

De uitspraak betreft een beklag ex art. 12 Sv. Het beklag richt zich tegen de beslissing om een rechter niet strafrechtelijk te vervolgen in verband met mogelijke valsheid in geschrifte bij het opmaken van een herstelbeschikking. Het Hof acht het beklag gegrond en beveelt dat door de OvJ strafvervolging tegen de betreffende rechter zal worden ingesteld ter zake van valsheid in geschrifte.


Op de terechtzitting van 5 november 2010 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag de strafzaak tegen klager behandeld. Op enig moment tijdens de behandeling, is de rechtbank op verzoek van klager gewraakt. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek werd door de voorzitter van de wrakingskamer opgemerkt dat de schorsingsformule, die wordt uitgesproken om aan het bepaalde in art. 282 lid 2 Sv te voldoen, niet was opgenomen in het proces-verbaal terechtzitting. Beklaagde heeft diezelfde dag nog, ter aanvulling van het proces-verbaal een verstaansbeschikking op laten maken (overigens door een andere griffiemedewerker dan de zittingsgriffier die op de zitting had gezeten). Deze verstaansbeschikking heeft hij alleen ondertekend. In deze beschikking werd ter correctie van het eerdere proces-verbaal van de zitting alsnog de schorsingsformule opgenomen, met vermelding van de gehele zittingscombinatie en de zinsnede dat deze beschikking was vastgesteld door de voorzitter en de griffier, kennelijk doelend op de zittingsgriffier. Klager stelt dat beklaagde deze beschikking valselijk heeft laten opmaken, nu beklaagde wist dat hij de schorsingsformule niet tijdens de terechtzitting had uitgesproken en dat de zittingsgriffier niet de opsteller van de verstaansbeschikking was.

Klager heeft naar aanleiding hiervan aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. Hierop is door de rechtbank Den Haag een intern onderzoek ingesteld. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd door de Rijksrecherche. Vast staat dat beklaagde de verstaansbeschikking in alle haast heeft laten opmaken en dat hij tevoren noch de eigenlijke zittingsgriffier, noch diens aantekeningen heeft geraadpleegd. Beklaagde heeft in raadkamer verklaard dat hij op dat moment geen concrete herinnering had aan het verloop van de terechtzitting, maar dat hij ervan uit is gegaan dat hij de schorsingsformule – zoals gewoonlijk – had uitgesproken.

De verklaring van beklaagde leidt tot het oordeel dat het niet op voorhand onaannemelijk te achten is dat beklaagde op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de beschikking valselijk werd opgemaakt, dat wil zeggen in strijd met hetgeen ter terechtzitting op het punt van de hiervoor bedoelde schorsingsformule daadwerkelijk is voorgevallen en uitgesproken. Bij gebreke van een concrete herinnering aan hetgeen hij in de zaak tegen klager op dit punt had uitgesproken, had klager zich als voorzittend rechter, alvorens een herstelbeschikking op te laten maken, zich van de werkelijke gang van zaken dienen te vergewissen, bijvoorbeeld door te overleggen met de zittingsgriffier of door het inzien van diens zittingsaantekeningen. Door dit niet te doen, is geenszins denkbeeldig dat geoordeeld zal worden dat beklaagde bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verstaansbeschikking niet de juiste gang van zaken zou weergeven. De kans is dan ook aanwezig, dat een later oordelende strafrechter tot een bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet op valsheid in geschrift zal kunnen komen.

Nicole Priems

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF