'Het afdwingen van fiscale informatieverplichtingen'

De naleving van informatieverplichtingen is voor een juiste belastingheffing van doorslaggevend belang. Vragen die door de inspecteur worden gesteld met het oog op de vaststelling van de materiële belastingschuld moeten daarom door de belastingplichtige worden beantwoord, ook wanneer hij daarmee de verdenking op zich laadt dat hij inkomsten heeft verzwegen. Indien vragen uitsluitend zijn gericht op bestraffing geldt echter het zwijgrecht. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin een belastingadviseur of accountant om opheldering wordt verzocht omtrent zijn betrokkenheid bij een onjuiste aangifte. Dergelijke vragen zien op een eventuele strafrechtelijke sanctie en behoeven niet te worden beantwoord. In de praktijk is de situatie vaak minder zwart-wit, omdat vragen die de inspecteur aan de belastingplichtige stelt in de regel een gemengd karakter hebben; de gevorderde informatie kan zowel relevant zijn voor de belastingheffing als een boete. Dat creëert een spanningsveld tussen enerzijds de fiscaalrechtelijke spreekplicht en anderzijds het strafrechtelijke zwijgrecht. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Van Weerelt v. Nederland: geen nemo tenetur verweer zonder (definitieve) ‘criminal charge’

Over het schuren van de verplichting enerzijds om als belastingplichtige door de fiscus verplicht te kunnen worden om informatie voor de belastingheffing te verstrekken en anderzijds het recht van een verdachte om niet aan zijn eigen veroordeling mee te hoeven werken is er de afgelopen jaren het nodige te doen geweest. De laatste piketpaal was het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013. Kort samengevat stelde de Hoge Raad in deze zaak voorop dat belastingplichtigen verplicht zijn om in het kader van het komen tot een juiste belastingheffing alle gegevens en inlichtingen aan de fiscus te verschaffen. De belanghebbende verzette zich hiertegen omdat hij vreesde dat de informatie (waarvan hij overigens stelt dat hij daarover niet beschikt) tevens zou worden gebruikt als onderbouwing van een punitieve sanctie zoals het opleggen van een bestuurlijke boete (of zelf een strafrechtelijke vervolging) waardoor dit in strijd zou zijn met het nemo-teneturbeginsel. Omdat de navorderingstermijn dreigde te verjaren had de belastingdienst ter behoud van rechten de belastingplichtige niet alleen een navorderingsaanslag, maar tevens een fiscale vergrijpboete opgelegd. Hiertegen heeft de belanghebbende bezwaar gemaakt omdat verstrekking van de gevraagde informatie door de inspecteur gebruikt zou kunnen worden ter onderbouwing van de reeds de opgelegde vergrijpboete.

De Hoge Raad oordeelde evenwel dat een belastingplichtige kan worden gedwongen om al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing. Of dit materiaal vervolgens mag worden gebruikt ter onderbouwing van een punitieve sanctie zoals de opgelegde vergrijpboete hangt volgens de Hoge Raad af van de aard van het materiaal. Met referte aan het Saunders-arrest van het EHRM oordeelt de Hoge Raad dat informatie die ‘wilsafhankelijk’ is  niet mag worden gebruikt voor bestraffende doelen. De Hoge Raad liet zich in dit arrest nog niet uit over de vraag of stukken die alleen door medewerking van de belastingplichtige kunnen worden verkregen, daardoor dus ‘wilsafhankelijk’ zijn. De Hoge Raad merkt in zijn arrest op dat, voor zover de informatie toch zou worden gebruikt voor punitieve sancties, het vervolgens aan de straf- of fiscale rechter is om te beoordelen welk rechtsgevolg aan een dergelijk onrechtmatig gebruik moet worden verbonden.

EHRM: de klacht komt te vroeg

Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld bij het Europese Hof wat heeft geresulteerd in de uitspraak van 9 juli 2015. De klacht dat, mede vanwege het feit dat de Nederlandse wetgeving geen waarborgen biedt, het beginsel om jezelf niet hoeven te belasten door de Hoge Raad goedgekeurde gang van zaken wordt geschonden, haalde het echter in dit stadium nog niet bij het Europese Hof.

Nadat het Europese Hof in dit recente arrest opnieuw vaststelt dat het nemo-teneturbeginsel valt te scharen onder artikel 6 EVRM, haalt het Europese Hof het enkele oude  arresten aan die kennelijk hun glans nog steeds niet hebben verloren.  Verwezen wordt naar het arrest Funke waarin het Hof oordeelde dat artikel 6 EVRM was geschonden nadat een vervolging was ingesteld ten behoeve van het verkrijgen van belastende documenten van de verdachte zelf. Echter, het Hof overweegt – zoals ook de Hoge Raad dat in de onderhavige procedure deed – dat de verplichting tot openbaarmaking van inkomsten en vermogen noodzakelijk is om tot een juiste belastingheffing te komen omdat anders een belastingstelsel niet effectief kan functioneren.

Van Weerelt v. Nederland: geen nemo tenetur verweer zonder (definitieve) ‘criminal charge’. Anders gezegd: er kan zich nog een rechter uitlaten over de vraag of de door belanghebbende te verstrekken  informatie kan worden gebruikt voor punitieve doeleinden omdat de vergrijpboete nog niet onherroepelijk is komen vast te staan.  Het Hof herhaalt, onder verwijzing van J.B. v. Zwitserland, nogmaals dat wilafhankelijk materiaal niet mag worden gebruikt ten behoeve van het vaststellen van een boete. Dit is niets nieuws onder de zon.

Het hete hangijzer óf de gevraagde informatie al dan niet wilsonafhankelijk materiaal is en dus niet gebruikt mag worden voor punitieve doeleinden komt zijdelings aan de orde. Het Europese Hof overweegt onder verwijzing naar het arrest Funke dat dat ook documenten, zoals bankafschriften, ook wilsafhankelijk kunnen zijn: ‘the bringing of a prosecution with a view to obtaining incriminating documents from the accused himself’ is niet toegestaan.

Hoge Raad aan zet

Het is afwachten of de Hoge Raad desondanks de destijds door hem ingeslagen Saunders-koers zal blijven vervolgen, zoals nogmaals onlangs in het arrest van 29 mei 2015 bevestigd. De enkele restrictie volgens de Hoge Raad is dat het moet gaan om ‘stukken waarvan het bestaan moet worden aangenomen’. Het mag ook in kort geding  geen fishing expedition worden.

Of deze zaak nog een staartje krijgt hangt ervan af. Indien de belanghebbende alsnog met de gevraagde informatie op de proppen weet te komen, zal de belastingdienst de afweging moeten maken of deze informatie al dan niet als wilsafhankelijk moet worden beoordeeld. Mochten zij de huidige lijn van de Hoge Raad volgen is er alle reden om de zaak opnieuw aan het Hof voor te leggen. Immers is het maar zeer de vraag of de door de Hoge Raad gehanteerde toets om te bepalen of informatie al dan niet wilsonafhankelijk is in lijn is met die van het Europese Hof.

Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

EHRM over gebruik verklaringen afgelegd voor parlementaire onderzoekscommissie in strafprocedure

EHRM 19 maart 2015, app. nos. 7494/11, 7493/11 en 7989/11 (Corbet e.a. t. Frankrijk) Naar aanleiding van de gedwongen liquidatie van Air Liberté, welke deel uitmaakte van Swissair, is begin 2003 een parlementaire onderzoekscommissie gestart. Door deze commissie zijn o.a. klagers in deze kwestie (Corbet, Léonzi en Paris) onder ede gehoord.

Ten aanzien van deze getuigen werd in het rapport van de onderzoekscommissie, dat in juni 2003 uitkwam, overwogen dat zij aanzienlijke baten hadden opgebouwd door middel van “omstandigheden die de autoriteiten wel zouden interesseren”. Dit rapport is vervolgens doorgezonden aan het Openbaar Ministerie.

Ruim een maand later wordt Corbet, één van de klagers, aangehouden wegens verdenking van o.a. verduistering van bedrijfsmiddelen van Air Liberté. In 2007 wordt Corbet hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 18 voorwaardelijk, een geldboete van EUR 300.000 en wordt zowel een beroepsverbod voor de duur van 5 jaar als een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

In hoger beroep doet Corbet een beroep op artikel 6 lid 1 EVRM, aangezien verklaringen hij had afgelegd voor de parlementaire onderzoekscommissie (en welke hij gehouden was af te leggen) in de strafrechtelijke procedure tegen hem zijn gebruikt. Het gerechtshof verwerpt dit verweer nu, naast het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie, het onderzoek van het fraudeteam en informatie naar voren gebracht door de Franse anti-witwasautoriteit óok als basis had gediend voor de start van het strafrechtelijk onderzoek. Het gerechtshof overweegt daarbij dat Corbet nooit de juistheid van de verklaringen heeft aangevochten.

Het EHRM overweegt allereerst in algemene termen dat het gebruik van verklaringen zoals deze in onderhavige kwestie zijn afgelegd, namelijk voor een parlementaire onderzoekscommissie tot het afleggen van welke verklaringen de klagers gehouden waren, een probleem oplevert in relatie tot het zwijgrecht en het nemo tenetur beginsel.

Het feit dat klagers zijn opgeroepen om voor de commissie een verklaring af te leggen en voor hen niet de mogelijkheid bestond om het beantwoorden van de vragen, waarmee zij zichzelf konden incrimineren, te vermijden, is volgens het hof problematisch vanuit het oogpunt van artikel 6 lid 1 EVRM. Het is daarbij niet doorslaggevend of het bewijs niet zelf incriminerend is; wat van belang is is het gebruik in de strafrechtelijke procedure van verklaringen afgelegd onder dwang. Op het moment dat dergelijke verklaringen worden gebruikt op zo’n manier dat zij de betrokkenen incrimineren, dan levert dat een schending van artikel 6 lid 1 EVRM op. Wél moet worden beoordeeld of de bij de onderzoekscommissie afgelegde verklaringen daadwerkelijk een impact hebben gehad op de veroordeling van de betrokkene dan wel de aan hem opgelegde straf.

In onderhavige zaak hebben klagers dit laatste niet weten aan te tonen. Allereerst heeft de officier van justitie, in vergelijking met verwijzingen naar ander bewijsmateriaal, weinig verwezen naar de verklaringen afgelegd voor de parlementaire onderzoekscommissie. Daarnaast zijn de verklaringen slechts gebruikt voor het vaststellen van de feiten die ten grondslag lagen aan de strafzaak. Ook had het gerechtshof bepaald dat het rapport van de onderzoekscommissie niet als enige heeft gediend als start van het strafrechtelijk onderzoek. Klagers hebben tot slot nimmer gesteld dat hun veroordeling dan wel straf direct was gebaseerd op specifieke verklaringen.

Klagers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht ten aanzien van schending van artikel 6 EVRM. Het hof stelt echter wel schending van artikel 5 vast, nu voor de detentie van klager geen wettelijke basis bestond.

Lees hier de volledige uitspraak (in het Frans) of hier het persbericht van het hof.

 

Print Friendly and PDF ^

Rapportage Internationale Mensenrechtenprocedures

In deze publicatie zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen uit het verslagjaar, 2014, in zaken waarbij Nederland betrokken is geweest, ongeacht de instantie waarvoor werd geprocedeerd. Daarbij is tevens gebruikelijk informatie opgenomen die in het verlengde ligt van, of van direct belang is voor de procedures, alsmede overzichten en statistieken. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

EHRM & Ne bis in idem

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft de afgelopen twee weken twee maal een uitspraak gedaan over de toepassing van het ne bis in idem-beginsel bij twee parallel lopende procedures: een strafrechtelijke en een fiscaalrechtelijke procedure. In beide (Finse) was sprake van opgelegde belastingaanslagen met boeten waarbij naar dezelfde feiten een strafrechtelijk onderzoek is gestart. In een eerder bericht op deze website werd al verwezen naar de eerste uitspraak, Rinas t. Finland van 27 januari 2015. De tweede uitspraak wordt hieronder besproken. De vraag die in beide uitspraken wordt gesteld is of bestuurlijke boeten én een strafrechtelijke veroordeling voor dezelfde feiten in deze jaren naast elkaar kunnen bestaan.

EHRM 10 februari 2015, Kiiveri t. Finland (appl. no. 53753/12)

Feiten

Klager in deze zaak, Kiiveri, heeft 90% van de aandelen in een bouwbedrijf. Klager is managing director en tevens lid van de raad van bestuur van het bedrijf.

Fiscale procedure

Na een controle in 2005 komt de Finse Belastingdienst tot de conclusie dat het bedrijf heeft nagelaten om inkomsten op te geven en dus om hierover belasting af te dragen. Het bedrijf zou salarissen zwart hebben uitbetaald en andere frauduleuze handelingen hebben verricht.

In september 2008 worden belastingaanslagen met boeten opgelegd aan zowel klager als het bedrijf voor de jaren 2002, 2003, 2005 en 2006.

Klager is hiertegen niet in bezwaar gegaan.

Van belang hierbij is nog dat de aanslagen onherroepelijk zijn geworden op:

Jaar Onherroepelijk op
2002 31-12-2008
2003 31-12-2009
2005 31-12-2011
2006 31-12-2012

Strafrechtelijke procedure

In juni 2007 is de politie tevens een onderzoek gestart naar de activiteiten van klager.

Klager wordt verdacht van een boekhoud gerelateerd feit (‘accounting offence’) (feit 1) en belastingfraude (feit 2) (twee maal).

Feit 1 heeft betrekking op de jaren 2000-2006 en betreft de activiteiten van klager als managing director en lid van de raad van bestuur. Klager zou bedragen hebben afgetrokken die stoelden op valse bonnetjes, het werkelijke inkomen van het bedrijf zou niet zijn opgegeven, salarissen zouden zwart (off the books) zijn uitbetaald en als gevolg zou het te betalen bedrag aan belasting voor het bedrag te laag zijn uitgevallen.

Het tweede feit heeft betrekking op de jaren 2000-2003 en 2005-2006. Klager wordt verdachte van het plegen van belastingfraude onder strafverzwarende omstandigheden (aggravated tax fraud) doordat hij zijn eigen inkomen niet heeft opgegeven en als gevolg te weinig belasting heeft betaald.

De Finse belastingdienst heeft zich in de strafrechtelijke procedure gevoegd en een claim ingediend voor de bedragen aan misgelopen belasting.

Op 9 september 2009 wordt klager in eerste aanleg veroordeeld voor feit 1 en feit 2 (twee maal) tot een gevangenisstraf van 3 jaar. Daarnaast diende hij een bedrag van EUR 685.080,66 plus rente terug te betalen aan de belastingdienst. Bedragen die door klager in de administratieve procedure reeds waren voldaan, werden verrekend met het te betalen bedrag.

Klager is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

Op 15 september 2010 wordt uitspraak gedaan in hoger beroep waarbij de uitspraak van de rechtbank in stand wordt gelaten, behalve ten aanzien van feit 1. Het hof oordeelt dat ten aanzien van het boekhoud gerelateerde feit sprake is van strafverzwarende omstandigheden en oordeelt dat klager een extra bedrag van EUR 20.000 dient te voldoen aan de belastingdienst.

In het kader van het ne bis in idem-beginsel oordeelt het hof dat aangezien de aanslagen over de jaren 2003, 2005 en 2006 nog niet onherroepelijk waren op het moment dat klager werd gedagvaard in 2009, er geen probleem bestond in het kader van ne bis in idem.

De aanslag over 2002 is onherroepelijk geworden op 31 december 2008 en dus voordat klager werd gedagvaard. Echter, doordat er nog wel een ander soort rechtsmiddel open stond voor klager, levert ook dit geen probleem op in het kader van het ne bis in idem-beginsel.

Klager tekent tegen deze uitspraak beroep in cassatie aan bij de Finse Supreme Court.

De Supreme Court vernietigde de uitspraak, echter alleen voor wat betreft 2002, en verlaagde de gevangenisstraf van 3 jaar naar 2 jaar en 10 maanden.

Vervolgens brengt klager de zaak aan bij het EHRM, waar hij klaagt over schending van het ne bis in idem-beginsel, artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM.

Beoordeling EHRM

Het gaat hier om de vraag of de bestuurlijke boete én de strafrechtelijke veroordeling voor dezelfde feiten  naast elkaar kunnen bestaan of dat er sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel.

Procedures beide ‘criminal in nature’?

Het EHRM beoordeelt allereerst of de procedure met betrekking tot de boeten en de strafrechtelijke procedure allebei ‘criminal in nature’ waren. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Het doel van de boeten conform Fins recht was niet bedoeld om schade te herstellen, maar om recidive te voorkomen. Derhalve is de boete als punitief aan te merken.

Dezelfde feiten?

Vervolgens stelt het EHRM vast dat zowel de bestuurlijke boeten als de strafrechtelijke vervolging voor belastingfraude zien op dezelfde feiten voor zover het gaat om de jaren 2003, 2005 en 2006. Voor deze jaren is aldus aan het ‘idem’ criterium voldaan.

Het EHRM beschouwt echter de feiten die ten grondslag liggen aan de bestuurlijke boeten en de boekhoud gerelateerde waarvan klager werd verdacht niet identiek althans niet substantieel dezelfde feiten. Het EHRM redeneert dat hoewel klager niet aan zijn boekhoudkundige verplichtingen heeft voldaan, later ten aanzien van de belastingdienst wel aan zijn inlichtingenverplichting had kunnen voldoen door de belastingdienst van de juiste en voldoende informatie te voorzien.

Afzonderlijke procedures (‘bis’)?

Het EHRM geeft aan dat hoewel in Finland zowel de strafrechtelijke procedure als de boeten die zijn opgelegd in de administratieve procedure, zien op het nalaten de juiste informatie aan de belastingdienst te verstrekken waardoor te weinig belasting is geheven, de sancties door twee aparte autoriteiten zijn opgelegd zonder dat de procedures samenhangen. De procedures volgen hun eigen weg en de beslissingen worden, onafhankelijk van elkaar, onherroepelijk. Ook wordt de uitkomst van de ene procedure niet in acht genomen in de andere procedure. Er is op geen enkele wijze interactie tussen de twee bevoegde autoriteiten. Als gevolg kan niet gezegd worden dat, ten aanzien van het Finse systeem, er een nauw verband is , inhoudelijk en in de tijd, tussen de administratieve en strafrechtelijke procedure.

Als gevolg is er sprake van twee parallelle maar aparte procedures. De eerste (fiscale) procedure  is gestart in 2008 toen er belastingaanslagen met boeten zijn opgelegd, waartegen klager niet in beroep is gegaan, waardoor deze in december 2009, 2011 en 2012 onherroepelijk zijn geworden. De tweede procedure betreft de strafrechtelijke procedure die in 2009 is gestart en is geëindigd in 2012 met de beslissing van de Supreme Court.

Het EHRM merkt op dat op het moment dat de uitspraak in de strafrechtelijke procedure onherroepelijk werd, er voor klager nog wel de mogelijkheid bestond om in bezwaar te gaan tegen de aanslag over 2006. Doordat klager niets heeft ondernomen, is ook deze aanslag eind 2012 onherroepelijk geworden. Het EHRM overweegt dat klager hierdoor een reële mogelijkheid had om dubbele vervolging te voorkomen.

Voor wat betreft de jaren 2003 en 2005 is de beslissing onherroepelijk geworden eind december 2009 en 2011, terwijl de strafrechtelijke procedure in maart 2009 is aangevangen. Als gevolg waren beide procedures tegelijkertijd aanhangig.

Het EHRM oordeelt dat als gevolg klager tweemaal is veroordeeld voor dezelfde feiten in twee verschillende procedures.

Als gevolg is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

EHRM: schending onschuldpresumptie doordat belastingautoriteiten en administratieve gerechten bij invordering belastingschuld geen rekening houden met vrijspraak in strafzaak

In een uitspraak van 23 oktober jl. heeft het EHRM in de zaak Melo Tadeu v. Portugal (applicatie nr. 27785/10) schending van de artikel 6 § 2 (onschuldpresumptie) en artikel 1 van Protocol nr. 1 (recht op eigendom) aangenomen.

De zaak betrof een fiscale procedure tegen mevrouw Melo Tadeu ter invordering van een belastingschuld van een vennootschap waarvan zij als manager werd beschouwd.

Melo Tadeu werd eerder verdacht van het feitellijk leidinggeven aan belastingfraude die zou zijn gepleegd via voornoemde vennootschap. Melo Tadeu betoogde dat zij niet als manager van de vennootschap kon worden beschouwd, maar slechts werknemer was. Zij is uiteindelijk vrijgesproken van het plegen van belastingfraude. Desondanks is jegens haar een fiscale procedure aanhangig gemaakt welke tot doel had het terugvorderen van te weinig betaalde belasting.

Het EHRM oordeelt dat de belastingautoriteiten en administratieve gerechten - door geen acht te slaan op de vrijspraak in de strafzaak - hun twijfels hebben geuit over de gegrondheid van de vrijspraak, op een dusdanige wijze die in strijd is met de onschuldpresumptie.

 

Print Friendly and PDF ^

Leidraad artikel 6 EVRM

Deze leidraad van het EHRM is bedoeld om professionals een overzicht te bieden van de meest in het oog springende uitspraken van het Hof ten aanzien van artikel 6 EVRM. Het zet daarnaast de belangrijkste principes ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof uiteen, samen met relevante precedenten. 

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Schending EVRM door Frankrijk wegens bewaartermijn gegevens in crime database

EHRM 18 september 2014, 21010/10 (Brunet v. France)

Vorige week heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat een Franse crime database schending van het Verdrag oplevert door het in feite voor onbepaalde tijd bewaren van gegevens ten aanzien van individuen waartegen de strafzaak is beëindigd. 

Het Hof unaniem dat er sprake is van schending van artikel 8 EVRM door het opslaan en voor lange tijd (20 jaar) bewaren van informatie van individuen in een recorded offences database (“STIC” system).

In deze zaak klaagde Brunet over de ten aanzien van hem opgeslagen informatie in het systeem nadat de strafzaak tegen hem was geëindigd. Brunet had in 2008 een hevige ruzie met zijn vriendin, waarna zij aangifte tegen hem deed. Brunet werd aangehouden en deed op zijn beurt ook aangifte tegen zijn vriendin. Brunet werd uiteindelijk vrijgelaten en opgeroepen voor 'criminal mediation', waarna de strafzaak formeel is beëindigd. Brunet heeft hierna de officier van justitie verzocht om zijn gegevens uit de betreffende database te verwijderen, echter zonder succes.

Brunet meent dat met zijn registratie in het “STIC” systeem zijn rechten onder het Verdrag zijn geschonden, meer specifiek artikel 8 (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) en artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel).

Het Hof oordeelt dat er geen reële mogelijkheid voor Brunet bestond tot verwijdering van zijn gegevens uit het systeem. Daarnaast staat de bewaartermijn die wordt gehanteerd (20 jaar) zo goed als gelijk aan onbepaalde tijd. Dit dient eerder een maximum te zijn dan de norm. Al met al levert dit een onevenredige inbreuk op het recht op eerbiediging van Brunet's privé-leven op, welke niet noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Lees hier de volledige uitspraak (alleen beschikbaar in het Frans).

Print Friendly and PDF ^

EHRM over Schikken

EHRM 29 april 2014, Natsvlishvili en Togonidze t. Georgië

In deze zaak heeft het Europese Hof voor het eerst in detail de verenigbaarheid van plea-bargaining met het recht op een eerlijk proces onderzocht. In casu ging het om een door de rechter bekrachtigde schikking die klager (Natsvlishvili) met Justitie had getroffen in verband met beschuldigingen van corruptie.

Feiten

Natsvlishvili was van 1993-1995 de burgemeester van Kutaisi (Georgië) alsook directeur van de autofabriek in Kutaisi (een van de grootste public companies van Georgië) van 1995-2000. Natsvlishvili en zijn vrouw hadden gezamenlijk 15.55% van de aandelen van de fabriek in handen en waren na de Staat de hoofdaandeelhouders.

In maart 2004 werd Natsvlishvili aangehouden wegens verdenking van het verminderen van het maatschappelijk kapitaal van de fabriek. Ook zou hij met de boeken hebben geknoeid: fictieve omzet, over- en afschrijvingen hebben opgenomen en de opbrengsten daarvan zelf hebben uitgegeven.

Na onderhandelingen met justitie is in september 2004 tot een schikking gekomen. Deze schikking hield in dat Natsvlishvili werd veroordeeld voor bovengenoemde feiten, zonder dat verder onderzoek naar de merites van de zaak werd gedaan. Natsvlishvili betaalde een bedrag dat gelijk staat aan  EUR 14.700, in ruil voor een gereduceerde straf.

Het gerecht, dat opmerkte dat Natsvlishvili geen schuld had bekend maar wel actief had meegewerkt met het onderzoek door aandelen in de fabriek aan de Staat af te geven, bekrachtigde de schikkingsovereenkomst. Natsvlishvili werd onmiddellijk vrijgelaten. Tegen de beslissing tot bekrachtiging van de schikking stond geen hoger beroep open.

Klacht

Natsvlishvili klaagt – op basis van artikel 6 § 1 EVRM en artikel 2 van Protocol 7 (recht op hoger beroep in strafzaken) – over het ontbreken van een appelmogelijkheid tegen de beslissing tot bekrachtiging van de schikking.

Daarnaast wordt geklaagd dat de omstandigheden van zijn aanhouding schending opleveren van artikel 6 § 2 (onschuldpresumptie). Natsvlishvili en zijn vrouw menen dat zij zijn gedwongen “coerced” tot het (zonder vergoeding) overdragen van de aandelen in de fabriek. Ook zouden zij bijkomende betalingen hebben verricht voor het stopzetten van de strafzaak.

Tot slot wordt op basis van artikel 34 geklaagd dat de Georgische autoriteiten hen onder druk zouden hebben gezet om hun klacht voor het Hof in te trekken. Er zou gedreigd zijn de schikking te vernietigen en de strafzaak tegen Natsvlishvili te heropenen.

Oordeel EHRM

The Court noted that plea bargaining between the prosecution and the defence was a common feature of European criminal justice systems and not in itself open to criticism. In Mr Natsvlishvili’s case, the plea bargain – a procedure introduced into the Georgian judicial system in 2004 – had been accompanied by sufficient safeguards against abuse. Mr Natsvlishvili had entered into the plea bargain voluntarily, having understood its contents and consequences.

Het hof neemt geen schending aan en wijst op de met procedurele waarborgen omgeven rechterlijke toetsing en – niet onbelangrijk – het gegeven dat klager, bijgestaan door twee raadslieden, de schikking heeft geaccepteerd en aldus afstand heeft gedaan van normale procedurele rechten.

Het Hof merkt allereerst op dat schikken als een gemeenschappelijk kenmerk van de Europese strafrechtelijke systemen kan worden beschouwd.

The Court further notes that it may be considered as a common feature of European criminal justice systems for an accused to obtain the lessening of charges or receive a reduction of his or her sentence in exchange for a guilty or nolo contendere plea in advance of trial or for providing substantial cooperation with the investigative authority. There cannot be anything improper in the process of charge or sentence bargaining in itself.

Volgens Hof betekent een plea bargain dat een verdachte afstand doet van bepaalde procedurele rechten. Dit is an sich geen probleem, aangezien artikel 6 EVRM er niet aan in de weg staat dat iemand vrijwillig afstand doet van zijn rechten mits dit op ondubbelzinnige wijze wijze geschiedt en hierbij bepaalde waarborgen in acht worden genomen.

The Court considers that where the effect of plea bargaining is that a criminal charge against the accused is determined through an abridged form of judicial examination, this amounts, in substance, to the waiver of a number of procedural rights. This cannot be a problem in itself, since neither the letter nor the spirit of Article 6 prevents a person from waiving these safeguards of his or her own free will (Scoppola v. Italy). 

However, it is also a cornerstone principle that any waiver of procedural rights must always, if it is to be effective for Convention purposes, be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate with its importance. In addition, it must not run counter to any important public interest.

In onderhavige zaak is hieraan voldaan:

The Court thus observes that by striking a bargain with the prosecution authority over the sentence and pleading no contest as regards the charges, the first applicant waived his right to have the criminal case against him examined on the merits. However, by analogy with the above‑mentioned principles concerning the validity of such waivers, the Court considers that the first applicant’s decision to accept the plea bargain should have been accompanied by the following conditions: (a) the bargain had to be accepted by the first applicant in full awareness of the facts of the case and the legal consequences and in a genuinely voluntary manner; and (b) the content of the bargain and the fairness of the manner in which it had been reached between the parties had to be subjected to sufficient judicial review.

In this connection, the Court first notes that it was the first applicant himself who asked the prosecution authority to arrange for a plea bargain. In other words, the initiative emanated from him personally and, as the case file discloses, could not be said to have been imposed by the prosecution; the first applicant unequivocally expressed his willingness to repair the damage caused to the State. He was granted access to the criminal case materials as early as 1 August 2004. The Court also observes that the first applicant was duly represented by two qualified lawyers of his choice. One of them started meeting with the first applicant at the very beginning of the criminal proceedings, representing him during the first investigative interview of 17 March 2004. The two lawyers ensured that the first applicant received advice throughout the plea-bargaining negotiations with the prosecution, and one of them also represented the first applicant during the judicial examination of the agreement. Of further importance is the fact that the judge of the Kutaisi City Court, who was called upon to examine the lawfulness of the plea bargain during the hearing of 10 September 2004, enquired with the first applicant and his lawyer as to whether he had been subjected to any kind of undue pressure during the negotiations with the prosecutor. The Court notes that the first applicant explicitly confirmed on several occasions, both before the prosecution authority and the judge, that he had fully understood the content of the agreement, had had his procedural rights and the legal consequences of the agreement explained to him, and that his decision to accept it was not the result of any duress or false promises.

The Court also notes that a written record of the agreement reached between the prosecutor and the first applicant was drawn up. The document was then signed by the prosecutor and by both the first applicant and his lawyer, and submitted to the Kutaisi City Court for consideration. The Court finds this factor to be important, as it made it possible to have the exact terms of the agreement, as well as of the preceding negotiations, set out for judicial review in a clear and incontrovertible manner.

As a further guarantee of the adequacy of the judicial review of the fairness of the plea bargain, the Court attaches significance to the fact that the Kutaisi City Court was not, according to applicable domestic law, bound by the agreement reached between the first applicant and the prosecutor. On the contrary, the City Court was entitled to reject that agreement depending upon its own assessment of the fairness of the terms contained in it and the process by which it had been entered into. Not only did the court have the right to assess the appropriateness of the sentence recommended by the prosecutor in relation to the offences charged, it had the power to lessen it (Article 679-4 §§ 1, 3, 4 and 6). The Court is further mindful of the fact that the Kutaisi City Court enquired, for the purposes of effective judicial review of the prosecution authority’s role in plea bargaining, whether the accusations against the first applicant were well-founded and supported by prima facie evidence (Article 679-4 § 5). The fact that City Court examined and approved the plea bargain during a public hearing, in compliance with the requirement contained in Article 679-3 § 1 of the CCP, additionally contributed, in the Court’s view, to the overall quality of the judicial review in question.

Lastly, as regards the first applicant’s complaint under Article 2 of Protocol No. 7, the Court considers that it is normal for the scope of the exercise of the right to appellate review to be more limited with respect to a conviction based on a plea bargain, which represents a waiver of the right to have the criminal case against the accused examined on the merits, than it is with respect to a conviction based on an ordinary criminal trial. It reiterates in this connection that the Contracting States enjoy a wide margin of appreciation under Article 2 of Protocol No. 7 (see, amongst others, Krombach v. France, no. 29731/96, § 96, ECHR 2001‑II). The Court is of the opinion that by accepting the plea bargain, the first applicant, as well as relinquishing his right to an ordinary trial, waived his right to ordinary appellate review. That particular legal consequence of the plea bargain, which followed from the clearly worded domestic legal provision (Article 679-7 § 2), was or should have been explained to him by his lawyers. By analogy with its earlier findings as to the compatibility of the first applicant’s plea bargain with the fairness principle enshrined in Article 6 § 1 of the Convention, the Court considers that the waiver of the right to ordinary appellate review did not represent an arbitrary restriction running afoul of the analogous requirement of reasonableness contained in Article 2 of Protocol No. 7 either.

In the light of the foregoing, the Court concludes that the first applicant’s acceptance of the plea bargain, which entailed the waiver of his rights to an ordinary examination of his case on the merits and to ordinary appellate review, was an undoubtedly conscious and voluntary decision. Judging by the circumstances of the case, that decision could not be said to have resulted from any duress or false promises made by the prosecution, but, on the contrary, was accompanied by sufficient safeguards against possible abuse of process. Nor can the Court establish from the available case materials that that waiver ran counter to any major public interest.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Rechter moet motiveren waarom hij geen prejudiciële vraag stelt aan EU-Hof

Een nationale rechter die in laatste instantie rechtspreekt, moet uitdrukkelijk motiveren waarom hij afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het EU-Hof. Het ontbreken van een dergelijke motivatie is in strijd met het recht op een eerlijk proces. Dit blijkt uit een recent arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens.

Het gaat om het arrest van het EHRM van 8 april 2014 in de zaak Dhahbi tegen Italië (no. 17120/09).

Meneer Dhahbi had de nationale rechter verzocht om een prejudiciële vraag met betrekking tot de interpretatie van artikel 65 van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst EU-Tunesië naar het EU-Hof te verwijzen. Volgens hem gaf deze bepaling hem recht op gezinsbijslagen, die hem door het Italiaanse uitkeringsorgaan waren geweigerd. De nationale rechter ging hier in zijn eindoordeel niet op in. Hij verwees niet naar het verzoek van meneer Dhabi, noch naar zijn redenen om af te zien van een verwijzing naar het EU-Hof. Hierdoor is het niet mogelijk om te zien of dit was omdat het bijvoorbeeld een acte clair of éclairé was, of dat de rechter het verzoek simpelweg heeft genegeerd. Het Hof oordeelt dat dit in strijd is met het recht op een eerlijk proces in artikel 6, lid 1, EVRM.

Het EHRM verwijst naar de zaak Vergauwen tegen België (no. 4832/04, punt 89-90) en stelt dat artikel 6, lid 1, EVRM de nationale rechters verplicht om hun weigering om een prejudiciële vraag naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen te motiveren. In de context van artikel 267, lid 3 van het EU-Werkingsverdrag betekent dit dat als nationale rechters waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep weigeren een prejudiciële vraag te verwijzen die in de procedure is opgeworpen, zij verplicht zijn hun weigering te motiveren onder verwijzing naar de uitzonderingen die zijn gegeven in de jurisprudentie van het EU-Hof. De rechter dient te motiveren waarom de vraag niet relevant is, of dat de bepaling al is geïnterpreteerd door het Hof van Justitie (“acte éclairé”) of dat de juiste toepassing van het Europese recht zo evident is dat er geen ruimte is voor twijfel kan bestaan (“acte clair”).

Bron: Expertisecentrum Europees Recht

Print Friendly and PDF ^