EHRM over gebruik verklaringen afgelegd voor parlementaire onderzoekscommissie in strafprocedure

EHRM 19 maart 2015, app. nos. 7494/11, 7493/11 en 7989/11 (Corbet e.a. t. Frankrijk) Naar aanleiding van de gedwongen liquidatie van Air Liberté, welke deel uitmaakte van Swissair, is begin 2003 een parlementaire onderzoekscommissie gestart. Door deze commissie zijn o.a. klagers in deze kwestie (Corbet, Léonzi en Paris) onder ede gehoord.

Ten aanzien van deze getuigen werd in het rapport van de onderzoekscommissie, dat in juni 2003 uitkwam, overwogen dat zij aanzienlijke baten hadden opgebouwd door middel van “omstandigheden die de autoriteiten wel zouden interesseren”. Dit rapport is vervolgens doorgezonden aan het Openbaar Ministerie.

Ruim een maand later wordt Corbet, één van de klagers, aangehouden wegens verdenking van o.a. verduistering van bedrijfsmiddelen van Air Liberté. In 2007 wordt Corbet hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 18 voorwaardelijk, een geldboete van EUR 300.000 en wordt zowel een beroepsverbod voor de duur van 5 jaar als een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

In hoger beroep doet Corbet een beroep op artikel 6 lid 1 EVRM, aangezien verklaringen hij had afgelegd voor de parlementaire onderzoekscommissie (en welke hij gehouden was af te leggen) in de strafrechtelijke procedure tegen hem zijn gebruikt. Het gerechtshof verwerpt dit verweer nu, naast het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie, het onderzoek van het fraudeteam en informatie naar voren gebracht door de Franse anti-witwasautoriteit óok als basis had gediend voor de start van het strafrechtelijk onderzoek. Het gerechtshof overweegt daarbij dat Corbet nooit de juistheid van de verklaringen heeft aangevochten.

Het EHRM overweegt allereerst in algemene termen dat het gebruik van verklaringen zoals deze in onderhavige kwestie zijn afgelegd, namelijk voor een parlementaire onderzoekscommissie tot het afleggen van welke verklaringen de klagers gehouden waren, een probleem oplevert in relatie tot het zwijgrecht en het nemo tenetur beginsel.

Het feit dat klagers zijn opgeroepen om voor de commissie een verklaring af te leggen en voor hen niet de mogelijkheid bestond om het beantwoorden van de vragen, waarmee zij zichzelf konden incrimineren, te vermijden, is volgens het hof problematisch vanuit het oogpunt van artikel 6 lid 1 EVRM. Het is daarbij niet doorslaggevend of het bewijs niet zelf incriminerend is; wat van belang is is het gebruik in de strafrechtelijke procedure van verklaringen afgelegd onder dwang. Op het moment dat dergelijke verklaringen worden gebruikt op zo’n manier dat zij de betrokkenen incrimineren, dan levert dat een schending van artikel 6 lid 1 EVRM op. Wél moet worden beoordeeld of de bij de onderzoekscommissie afgelegde verklaringen daadwerkelijk een impact hebben gehad op de veroordeling van de betrokkene dan wel de aan hem opgelegde straf.

In onderhavige zaak hebben klagers dit laatste niet weten aan te tonen. Allereerst heeft de officier van justitie, in vergelijking met verwijzingen naar ander bewijsmateriaal, weinig verwezen naar de verklaringen afgelegd voor de parlementaire onderzoekscommissie. Daarnaast zijn de verklaringen slechts gebruikt voor het vaststellen van de feiten die ten grondslag lagen aan de strafzaak. Ook had het gerechtshof bepaald dat het rapport van de onderzoekscommissie niet als enige heeft gediend als start van het strafrechtelijk onderzoek. Klagers hebben tot slot nimmer gesteld dat hun veroordeling dan wel straf direct was gebaseerd op specifieke verklaringen.

Klagers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht ten aanzien van schending van artikel 6 EVRM. Het hof stelt echter wel schending van artikel 5 vast, nu voor de detentie van klager geen wettelijke basis bestond.

Lees hier de volledige uitspraak (in het Frans) of hier het persbericht van het hof.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF