EHRM: schending onschuldpresumptie doordat belastingautoriteiten en administratieve gerechten bij invordering belastingschuld geen rekening houden met vrijspraak in strafzaak

In een uitspraak van 23 oktober jl. heeft het EHRM in de zaak Melo Tadeu v. Portugal (applicatie nr. 27785/10) schending van de artikel 6 § 2 (onschuldpresumptie) en artikel 1 van Protocol nr. 1 (recht op eigendom) aangenomen.

De zaak betrof een fiscale procedure tegen mevrouw Melo Tadeu ter invordering van een belastingschuld van een vennootschap waarvan zij als manager werd beschouwd.

Melo Tadeu werd eerder verdacht van het feitellijk leidinggeven aan belastingfraude die zou zijn gepleegd via voornoemde vennootschap. Melo Tadeu betoogde dat zij niet als manager van de vennootschap kon worden beschouwd, maar slechts werknemer was. Zij is uiteindelijk vrijgesproken van het plegen van belastingfraude. Desondanks is jegens haar een fiscale procedure aanhangig gemaakt welke tot doel had het terugvorderen van te weinig betaalde belasting.

Het EHRM oordeelt dat de belastingautoriteiten en administratieve gerechten - door geen acht te slaan op de vrijspraak in de strafzaak - hun twijfels hebben geuit over de gegrondheid van de vrijspraak, op een dusdanige wijze die in strijd is met de onschuldpresumptie.

 

Print Friendly and PDF