Witwassen woonboerderij niet bewezen nu BV eigenaar is: zesstappentoets laat van half miljoen nog 52.000 euro over

Rechtbank Rotterdam 19 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:14142 en ECLI:NL:RBROT:2024:14143

De rechtbank Rotterdam veroordeelt twee levenspartners voor het medeplegen van witwassen van in totaal bijna 52.000 euro, gepleegd over een periode van ruim vier jaar in het kader van het onderzoek Boedapest. De rechtbank past het zesstappenplan voor witwassen zonder gronddelict toe en stelt vast dat het gezamenlijke inkomen niet in verhouding staat tot de contante uitgaven, waarmee een witwasvermoeden rijst. Twee door de man opgevoerde geldleningen van respectievelijk 75.000 euro en 220.000 euro, bestemd voor de ontwikkeling van een parkeerapp, worden door getuigenverklaringen en schriftelijke stukken voldoende ondersteund en kunnen niet met voldoende zekerheid als crimineel van herkomst worden aangemerkt. Beide verdachten worden integraal vrijgesproken van het witwassen van een woonboerderij die op naam van een besloten vennootschap staat, nu niet is gebleken dat zij de feitelijk rechthebbenden zijn.

Inleiding en context

Deze twee samenhangende zaken maken deel uit van het onderzoek Boedapest, een omvangrijk witwasonderzoek dat voortvloeit uit een eerder opsporingsonderzoek (26Does) naar illegale handel in ketamine op grond van de Geneesmiddelenwet. De verdachten zijn levenspartners die samen met hun twee minderjarige kinderen wonen in een woonboerderij. Zij voeren een gezamenlijke huishouding. De vrouw beschikt zelf over onvoldoende inkomsten om in de levensstijl van het gezin te voorzien. De man is degene die voor de inkomsten zorgt en de financien regelt. Het onderzoek Boedapest omvat vier zaaksdossiers tegen oorspronkelijk vijf verdachten, waaronder een rechtspersoon. Het procesdossier beslaat meer dan 3.000 pagina's aan processen-verbaal en bevat daarnaast stukken die zien op een rechtshulpverzoek aan Suriname. De zaken worden gelijktijdig in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam. De terechtzitting vindt plaats op 22 en 25 november 2024. De man is eerder, op 9 april 2024, door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 43 maanden voor andere strafbare feiten, hetgeen in het kader van artikel 63 Sr een rol speelt bij de strafoplegging.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Beide verdachten wordt verweten dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen in de zin van artikel 420bis, eerste lid onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht, in de vorm van medeplegen (artikel 47 Sr). De tenlastelegging is in beide zaken identiek opgebouwd en omvat drie feiten. Onder feit 1 wordt hun verweten dat zij in de periode van 2 juni 2020 tot en met 10 mei 2022 samen met anderen een woonboerderij en een geldbedrag van 204.000 euro hebben witgewassen. Feit 2 betreft het verwijt dat zij in de periode van 9 augustus 2018 tot en met 10 mei 2022 twee personenauto's (een Mercedes GLA en een BMW X1) en de daarmee samenhangende geldbedragen van 23.000 euro en 12.295 euro hebben witgewassen. Feit 3 ziet op het medeplegen van witwassen van contante geldbedragen met een totaal van 311.569,72 euro in de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 mei 2022. Dit laatste bedrag is opgebouwd uit tijdens doorzoekingen aangetroffen contanten, contante bankstortingen op rekeningen van beide verdachten, contante uitgaven aan goederen, verbouwingskosten voor de woonboerderij, een nagelvaste investering in een pand te Gouda en een berekend tekort op basis van de Nibud-norm. Bij geen van de feiten is een specifiek gronddelict aangeduid, zodat de rechtbank het in de jurisprudentie ontwikkelde zesstappenplan toepast.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie neemt in de zaak van de vrouw een ander standpunt in dan in die van de man. In de zaak van de vrouw vordert het Openbaar Ministerie vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde geldbedrag van 204.000 euro, maar acht het witwassen van de woonboerderij bewezen. In de zaak van de man acht het Openbaar Ministerie feit 1 integraal bewezen, inclusief het geldbedrag van 204.000 euro, en stelt daarbij dat bij de herfinanciering van de woonboerderij een valse huurovereenkomst is gebruikt. Ten aanzien van feit 2 rekwireert het Openbaar Ministerie in beide zaken tot bewezenverklaring van het witwassen van de geldbedragen van 23.000 euro en 12.295 euro en tot partiele vrijspraak van het witwassen van de personenauto's. Het Openbaar Ministerie acht feit 3 in beide zaken eveneens bewezen, met dien verstande dat subsidiair tot een bedrag van maximaal 75.000 euro mogelijk een legale herkomst is te herleiden in de vorm van een geldlening aan de man. Het Openbaar Ministerie vordert ten aanzien van de vrouw een gevangenisstraf van twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de man vordert het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert in beide zaken, waarin dezelfde raadsman optreedt, gelijkluidende verweren. Allereerst wordt een ontvankelijkheidsverweer gevoerd. De raadsman betoogt dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, nu het Openbaar Ministerie het proces-verbaal van het laatste politieverhoor van de broer respectievelijk zwager van de verdachten, tevens medeverdachte en bestuurder van de vennootschap die de woonboerderij heeft gekocht, inclusief de daarbij overgelegde ontlastende stukken, buiten het dossier heeft gehouden. Volgens de verdediging kan niet langer worden vertrouwd op de volledigheid van het dossier en dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 bepleit de verdediging in beide zaken primair vrijspraak wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachten betwisten niet dat de genoemde bedragen zijn aangetroffen, gestort of uitgegeven, maar stellen dat tegenover deze uitgaven legale inkomsten staan. Subsidiair voert de verdediging aan dat de verdachten geen wetenschap hebben gehad van een eventuele criminele herkomst en dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. In de zaak van de vrouw betoogt de verdediging aanvullend dat haar rol als geringer moet worden beoordeeld dan die van de man.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank verwerpt in beide zaken het ontvankelijkheidsverweer. Hoewel vaststaat dat het betreffende proces-verbaal niet voorafgaand aan de terechtzitting aan het dossier is toegevoegd, zijn de stukken ter zitting alsnog overgelegd en voorgehouden, inclusief een vertaling van een bijlage en een proces-verbaal waarin de politie de verschillen tussen de conceptverklaring en de definitieve verklaring toelicht. De verdediging is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is onder deze omstandigheden geen sprake.

Ten aanzien van feit 1 spreekt de rechtbank beide verdachten integraal vrij. De woonboerderij is op 31 december 2019 gekocht door een besloten vennootschap waarvan de medeverdachte als alleen bevoegd bestuurder optreedt. De koopovereenkomst is door deze medeverdachte gesloten en getekend. De overeenkomsten van hypothecaire geldleningen en herfinanciering zijn eveneens op naam of ten behoeve van de vennootschap aangegaan. Hoewel de gang van zaken rondom de aankoop, bewoning en verbouwingsinvesteringen vragen kan oproepen, blijkt uit het dossier niet dat de verdachten de feitelijk rechthebbenden zijn. In de zaak van de man overweegt de rechtbank daarbij expliciet dat ook het geldbedrag van 204.000 euro en het deel van de herfinanciering waarvoor volgens het Openbaar Ministerie een valse huurovereenkomst is gebruikt, op naam van de vennootschap zijn verwerkt. Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor betrokkenheid van de verdachten bij witwashandelingen ten aanzien van de woonboerderij.

Bij de beoordeling van de feiten 2 en 3 past de rechtbank in beide zaken het zesstappenplan toe dat in vaste jurisprudentie is ontwikkeld voor witwasvermoedens zonder aangeduid gronddelict. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een witwasvermoeden, gelet op het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf of beroep, in combinatie met het feit dat het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van de gezamenlijke huishouding niet in verhouding staat tot de ten laste gelegde bedragen. Ten aanzien van de 23.000 euro voor de Mercedes weegt de rechtbank mee dat een in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigd bedrijf, Golden Sun Jewellery, dit bedrag vanaf een Slowaakse bankrekening rechtstreeks aan de autodealer heeft overgemaakt, terwijl uit Duits onderzoek blijkt dat dit bedrijf vermoedelijk als dekmantel voor witwassen fungeert.

De man geeft verklaringen over de herkomst van de gelden; de vrouw verwijst voor antwoorden telkens naar haar partner. Ten aanzien van de 23.000 euro verklaart de man dat hij twee gouden koningskettingen via een tussenpersoon aan Golden Sun Jewellery heeft verkocht. Het Openbaar Ministerie kan deze verklaring niet verifieren: de tussenpersoon is onvindbaar, er is geen informatie over de kettingen aangetroffen en er is geen enkele link gevonden tussen het bedrijf, de tussenpersoon en de verdachte. De door de raadsman ter zitting overgelegde foto waarop de vrouw een ketting draagt, acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank concludeert in beide zaken dat de criminele herkomst van dit bedrag vaststaat. Ten aanzien van de 12.295 euro voor de BMW verklaart de man dat dit bedrag afkomstig is uit een geldlening. Aangezien het geverifieerde leningbedrag van 75.000 euro reeds in mindering wordt gebracht op het onder feit 3 ten laste gelegde totaalbedrag, blijft de herkomst van de 12.295 euro onbekend en concludeert de rechtbank eveneens tot een criminele herkomst.

Bij feit 3 beoordeelt de rechtbank drie opgevoerde herkomstverklaringen. Ten eerste de verklaring over beelden die de man voor 11.000 euro aan een koper zou hebben verkocht, waarbij dat bedrag nog niet was terugbetaald na het afketsen van de deal. De als getuige gehoorde koper weerspreekt deze verklaring: hij heeft geen 11.000 euro betaald en het verhaal over terugbetaling zegt hem niets. De rechtbank concludeert dat dit bedrag van misdrijf afkomstig is. Ten tweede de verklaring over een geldlening van 75.000 euro, die wordt ondersteund door schriftelijke leningsovereenkomsten, een ondertekend betalingsoverzicht, getuigenverklaringen van de geldverstrekker en diens bankafschriften waaruit regelmatige contante opnames blijken. De geldverstrekker genoot in de relevante periode een bruto salaris van 60.000 tot 67.000 euro per jaar en ontving in 2017 een dividenduitkering van 335.549 euro, zodat niet kan worden uitgesloten dat deze gelden een legale herkomst hebben. Ten derde de verklaring over een mondelinge lening van 220.000 euro van een investeerder in cryptovaluta, bestemd voor de ontwikkeling van een parkeerapp. Zowel de investeerder als een tussenpersoon bevestigen als getuige dat zij tweemaal aanwezig zijn geweest bij de overdracht van contante geldbedragen in bundels van 50 euro in een plastic tas. De investeerder verklaart zijn inkomen te hebben verdiend met handel in bitcoins via Bitonic. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek heeft verricht naar de herkomst van deze gelden. De verklaring over provisie-inkomsten uit bemiddelingswerkzaamheden bij containerverzendingen acht de rechtbank onvoldoende concreet en verifieerbaar. Na aftrek van de twee leningen resteert een bewezen bedrag van 16.569,72 euro.

Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank in de zaak van de vrouw dat zij, die naar eigen zeggen na 25 jaar relatie niet meer nieuwsgierig was naar de herkomst van het contante geld dat altijd in de woning lag en waarmee zij de dagelijkse rekeningen betaalde, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de contante geldbedragen van misdrijf afkomstig waren.

Bewezenverklaring

  • Medeplegen van witwassen van een giraal geldbedrag van 23.000 euro, aangewend voor de aankoop van een Mercedes GLA, in de periode van 9 augustus 2018 tot en met 10 mei 2022 (feit 2, beide verdachten).

  • Medeplegen van witwassen van een contant geldbedrag van 12.295 euro, aangewend voor de aankoop van een BMW X1, in de periode van 9 augustus 2018 tot en met 10 mei 2022 (feit 2, beide verdachten).

  • Medeplegen van witwassen van contante geldbedragen met een totaal van 16.569,72 euro, in de periode van 1 januari 2018 tot en met 10 mei 2022 (feit 3, beide verdachten).

Beide verdachten worden integraal vrijgesproken van het witwassen van de woonboerderij en het geldbedrag van 204.000 euro (feit 1), van het witwassen van de personenauto's en van het overgrote deel van de onder feit 3 ten laste gelegde contante geldbedragen.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt beide verdachten tot een taakstraf van 180 uur, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. De straf wijkt in beide zaken aanzienlijk af van de eis van het Openbaar Ministerie. In de zaak van de vrouw was twaalf maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 240 uur taakstraf geeist; in de zaak van de man 24 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank komt tot lagere straffen gelet op de integrale vrijspraak van feit 1 en de vrijspraak van het overgrote deel van de contante geldbedragen onder feit 3. In de zaak van de man speelt daarnaast artikel 63 Sr een rol: de rechtbank houdt rekening met de eerdere veroordeling tot 43 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf door de rechtbank Overijssel op 9 april 2024, en ziet hierin mede reden om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het verweer van de verdediging dat de rol van de vrouw als geringer moet worden beoordeeld, wordt verworpen, nu zij zelf heeft gekozen geen vragen te stellen over de herkomst van de contanten waarvan zij op gelijke voet heeft meegeprofiteerd. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn niet is overschreden, gelet op de omvang en complexiteit van het onderzoek, en acht een termijn van twee jaar en bijna acht maanden gerechtvaardigd. Ten aanzien van het beslag wordt in de zaak van de man een bedrag van 16.569,72 euro verbeurd verklaard, met teruggave van het resterende in beslag genomen bedrag van 23.395,28 euro. In de zaak van de vrouw wordt het in beslag genomen geldbedrag van 15.700 euro aan haar teruggegeven, nu de verbeurdverklaring reeds in de zaak van de man plaatsvindt. Tevens worden in haar zaak een computer en een bakfiets teruggegeven, alsmede een bedrag van 3.500 euro aan de rechthebbende vennootschap.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^