Verduistering via en/of-rekening: rechtbank legt hogere straf op dan geeist na stelselmatig misbruik van vertrouwen van kwetsbare oom

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1422

De rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeelt een man voor de verduistering van 108.219,30 euro van zijn bijna tachtigjarige oom, van wie hij als neef het vertrouwen genoot om te helpen met bankzaken. De verdachte is als mede-rekeninghouder aan de en/of-rekening van het slachtoffer toegevoegd en maakt gedurende bijna twee jaar stelselmatig grote bedragen over naar zijn eigen rekening, neemt contant geld op en verricht pintransacties. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij deels toestemming had en dat sprake was van een lening volstrekt ongeloofwaardig, vanwege wisselende en tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van enige onderbouwing. Het verduisterde geld is vrijwel volledig verloren gegaan in riskante cryptobeleggingen, terwijl het slachtoffer daardoor in ernstige financiele nood is geraakt en berooid is gestorven. De rechtbank zoekt aansluiting bij de LOVS-orientatiepunten voor fraude en legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van veertien maanden op, twee maanden meer dan de eis van het Openbaar Ministerie. De verdachte wordt vrijgesproken van de verduistering van creditcardbetalingen omdat deze onvoldoende zijn gespecificeerd in het dossier.

Inleiding en context

De rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeelt een man, geboren in 1977, voor de verduistering van ruim 108.000 euro van zijn oom. De verdachte is per 1 januari 2023 door het slachtoffer, een destijds bijna tachtigjarige man, gemachtigd om te helpen met diens bankzaken. Daartoe is de verdachte als mede-rekeninghouder aan de en/of-rekening van het slachtoffer toegevoegd. In de daaropvolgende periode van bijna twee jaar maakt de verdachte stelselmatig geldbedragen over van de bankrekening van zijn oom naar zijn eigen rekening, neemt hij contant geld op bij geldautomaten en verricht hij pintransacties op kosten van het slachtoffer. Het betreft een zaak in eerste aanleg, behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 februari 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2023 tot en met 16 september 2024 te Breda opzettelijk een geldbedrag ter hoogte van 119.003,50 euro, toebehorend aan het slachtoffer, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij dit geld anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als mede-rekeninghouder van een en/of-rekening. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (verduistering). Centraal staat het delictsbestanddeel van de wederrechtelijke toe-eigening: de verdachte had als mede-rekeninghouder rechtmatig toegang tot het geld, maar heeft dit voor eigen doeleinden aangewend zonder toestemming van de rechthebbende.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Het Openbaar Ministerie stelt het door de verdachte toegeëigende bedrag vast op 108.219,30 euro, lager dan het ten laste gelegde bedrag van 119.003,50 euro. De officier van justitie vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen, maar plaatst opmerkingen bij de hoogte van het toegeëigende geldbedrag. De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de verdediging de eis van de officier van justitie te matigen, waarbij een maximale werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf als passend kan worden beschouwd. De verdediging voert geen formele verweren, zoals niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of vormverzuimen.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van de bewijswaardering overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte erkent dat hij ongeveer 19.000 euro van zijn oom heeft verduisterd, maar betwist de hoogte van het ten laste gelegde bedrag. De verdachte voert aan dat hij voor sommige geldopnames en betalingen toestemming van zijn oom zou hebben gekregen, dat bepaalde uitgaven voor zijn oom bedoeld zouden zijn en dat een deel van de overschrijvingen een aan de verdachte verstrekte lening zou betreffen.

De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig. De verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd, waarbij zijn verklaring ter zitting op belangrijke onderdelen afwijkt van hetgeen hij bij de politie heeft verklaard. De verdachte is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld zijn standpunten met bescheiden te onderbouwen, maar heeft dit nagelaten. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden, omdat elke onderbouwing ontbreekt.

De rechtbank gaat uit van de verklaring van het slachtoffer, die wordt ondersteund door bankafschriften en getuigenverklaringen uit het dossier. De rechtbank stelt het verduisterde bedrag vast op 108.219,30 euro, opgebouwd uit drie componenten. Ten eerste betreft het girale stortingen: van de in totaal 101.680,71 euro die van de rekening van het slachtoffer naar de rekening van de verdachte is overgemaakt, is 1.364 euro teruggestort, waardoor een bedrag van 100.316,71 euro resteert. Ten tweede betreft het contante opnames: van het totaalbedrag van 10.620 euro aan contante opnames trekt de rechtbank de kleine geldopnames en de wekelijkse opname van 70 euro door het slachtoffer zelf af, waardoor een bedrag van 7.040 euro resteert. Ten derde betreft het pintransacties ter hoogte van 862,59 euro bij winkels en tankstations, waarvan het slachtoffer verklaart deze niet te hebben gedaan en waarover de verdachte wisselende en ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de verduistering van creditcardbetalingen, omdat deze niet nader zijn gespecifieerd en de rechtbank ook anderszins niet uit het dossier kan opmaken waar deze betrekking op hebben.

Bewezenverklaring

  • Verduistering van een geldbedrag ter hoogte van 108.219,30 euro, toebehorend aan het slachtoffer, welk goed de verdachte anders dan door misdrijf onder zich had als mede-rekeninghouder van een en/of-rekening, in de periode van 1 januari 2023 tot en met 16 september 2024 te Breda.

De verdachte wordt vrijgesproken van het meer of anders ten laste gelegde, waaronder de verduistering van het verschil tussen het ten laste gelegde bedrag van 119.003,50 euro en het bewezen verklaarde bedrag van 108.219,30 euro. De rechtbank acht met name de verduistering van de creditcardbetalingen niet wettig en overtuigend bewezen.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank overweegt dat het slachtoffer bijna tachtig jaar oud en digitaal kwetsbaar was. Hij stelde een groot vertrouwen in de verdachte, zijn neef, en heeft om die reden zijn bankrekeningen mede op naam van de verdachte gesteld. De verdachte heeft dat vertrouwen op nietsontziende wijze misbruikt. Vrijwel direct na de wijziging van de tenaamstelling is de verdachte begonnen met het overboeken van grote bedragen naar zijn eigen rekening. Gedurende ruim anderhalf jaar heeft hij keer op keer de keuze gemaakt zichzelf te verrijken ten koste van zijn oom, voor in totaal ten minste 108.219,30 euro. De rechtbank leidt uit het dossier af dat de verdachte het geld vrijwel volledig in riskante cryptobeleggingen heeft geinvesteerd en heeft verloren. De verdachte ontkent dat hij een verslavingsprobleem heeft en noemt het op zitting een buitensporige hobby.

De gevolgen voor het slachtoffer zijn ingrijpend geweest. Door toedoen van de verdachte had het slachtoffer niets meer. Hij kreeg te maken met deurwaarders, kon zijn dagelijkse krant niet meer kopen, had geen geld meer om te eten en automatische incasso's konden niet meer worden uitgevoerd. Het slachtoffer dreigde afgesloten te worden van energievoorzieningen en zijn huis te verliezen. Buren van het slachtoffer hebben hem geld geleend en hulpverlening ingeschakeld. Het slachtoffer heeft niet kunnen genieten van zijn laatste levensfase en is berooid en gedesillusioneerd gestorven voordat de strafzaak tot een einde is gekomen.

De rechtbank overweegt voorts dat de verdachte het slachtoffer en anderen maandenlang aan het lijntje heeft gehouden met onwaarheden en zelf gefabriceerde stukken, zoals een leningovereenkomst en een overboekingsbewijs. Na de aangifte heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen en wisselende en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd.

De rechtbank zoekt aansluiting bij de LOVS-orientatiepunten voor fraude en weegt de geschetste feiten en omstandigheden in het nadeel van de verdachte mee. De rechtbank oordeelt dat alleen een gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het feit en legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van veertien maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank wijkt hiermee in strafverzwarende zin af van de eis van het Openbaar Ministerie, dat een gevangenisstraf van twaalf maanden vordert. De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf vindt volledig plaats binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^