Vrijspraak voor valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan onjuiste btw-aangiften: rol van verdachte binnen onderneming onvoldoende vastgesteld
/Rechtbank Amsterdam 5 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2558
De rechtbank Amsterdam spreekt een verdachte vrij van valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting namens een besloten vennootschap. De verdachte wordt verweten dat hij samen met zijn broer twee nihilaangiften omzetbelasting heeft ingediend, terwijl de vennootschap wel belastbare omzet heeft gerealiseerd. Het Openbaar Ministerie baseert de verdenking op getuigenverklaringen dat de verdachte en zijn broer samen de leiding over de onderneming hebben en hetzelfde salaris verdienen. De verdediging voert aan dat de verdachte slechts werknemer is en niet betrokken is bij het doen van aangiften, hetgeen wordt ondersteund door de verklaring van de broer die op papier eigenaar is. De rechtbank oordeelt dat de aanwijzingen in het dossier onvoldoende zijn om vast te stellen dat de rol van de verdachte groter is dan die van werknemer en dat zijn betrokkenheid bij het indienen van aangiften niet kan worden bewezen.
Inleiding en context
De zaak betreft een verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1991, die terechtgestaat voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam. De verdenking houdt verband met de indiening van onjuiste aangiften omzetbelasting namens een besloten vennootschap, waarvan de broer van de verdachte op papier eigenaar is. De kernvraag in deze zaak is of de verdachte, naast zijn broer, daadwerkelijk betrokken is geweest bij het indienen van de betreffende aangiften en of hij als feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt. Het betreft een behandeling in eerste aanleg. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats op 29 januari 2026 en het vonnis wordt uitgesproken op 5 maart 2026.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij zich in de periode van mei 2022 tot februari 2023 schuldig heeft gemaakt aan twee feiten. Het eerste feit betreft het medeplegen van het voorhanden hebben dan wel gebruikmaken van valse geschriften als ware deze echt en onvervalst, strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Concreet gaat het om het indienen van twee nihilaangiften omzetbelasting namens de vennootschap, nadat de Belastingdienst een ambtshalve aanslag heeft opgelegd, terwijl de verdachte wist dat de vennootschap wel degelijk belastbare activiteiten had verricht waaruit omzet was gerealiseerd. Het tweede feit betreft het feitelijke leidinggeven aan het doen van onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting door de vennootschap, in strijd met artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In deze aangiften wordt geen omzet opgegeven, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Het Openbaar Ministerie voert daartoe aan dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte en zijn broer samen de leiding hebben over de vennootschap. Het Openbaar Ministerie onderbouwt dit standpunt met de verklaring van de broer dat de verdachte werkzaamheden verricht binnen de vennootschap en dat beiden hetzelfde salaris verdienen. Daarnaast wijst het Openbaar Ministerie op verklaringen van getuigen die aangeven dat de verdachte en zijn broer samen de leiding hebben. De getuigen baseren dit voornamelijk op hun ervaringen in het contact met de vennootschap. Op basis van deze gezamenlijke leidinggevende rol kan volgens het Openbaar Ministerie worden bewezen dat de verdachte en zijn broer samen de onjuiste aangiften hebben ingediend. De uitspraak vermeldt niet welke straf het Openbaar Ministerie vordert.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak en voert aan dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden. De verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht. De broer van de verdachte verklaart dat hij zelf de baas is van de vennootschap en dat de verdachte slechts een werknemer is. Volgens de broer is de verdachte niet betrokken bij het doen van belastingaangiften en kan of mag hij deze niet namens de vennootschap indienen. De verdediging wijst er verder op dat de broer op papier eigenaar is van de vennootschap, hetgeen de verklaring dat de verdachte slechts werknemer is, ondersteunt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden en spreekt de verdachte vrij van beide feiten.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het doen van belastingaangiften namens de vennootschap. De rechtbank erkent dat er aanwijzingen in het dossier zijn die duiden op een grotere rol van de verdachte binnen de onderneming, waaronder de verklaringen van getuigen dat de verdachte en zijn broer naar buiten toe de indruk wekken dat zij samen de leiding over de onderneming hebben. De rechtbank acht deze aanwijzingen echter onvoldoende om vast te stellen dat de rol van de verdachte binnen de vennootschap groter is dan zijn broer heeft verklaard. De verklaringen van getuigen zijn voornamelijk gebaseerd op de externe indruk die het contact met de vennootschap wekt en niet op directe wetenschap over de interne taakverdeling of betrokkenheid bij het doen van aangiften.
De omstandigheid dat de verdachte en zijn broer hetzelfde salaris verdienen en dat de verdachte werkzaamheden verricht binnen de vennootschap, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin toereikend om de verdachte als medepleger van het gebruikmaken van valse geschriften aan te merken of als feitelijke leidinggever van het doen van onjuiste aangiften. De broer is op papier eigenaar van de vennootschap en heeft consistent verklaard dat hij zelf verantwoordelijk is voor de aangiften en dat de verdachte deze niet kan of mag indienen.
De rechtbank schaart zich daarmee achter het standpunt van de verdediging. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met anderen gebruik heeft gemaakt van valse geschriften namens de vennootschap en evenmin dat hij feitelijke leiding of opdracht heeft gegeven aan het doen van onjuiste of onvolledige belastingaangiften, spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het gehele ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart geen van de ten laste gelegde feiten bewezen. De verdachte wordt integraal vrijgesproken van:
het medeplegen van het voorhanden hebben of gebruikmaken van valse geschriften (feit 1)
het feitelijke leidinggeven aan het doen van onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting (feit 2)
Strafoplegging en maatregelen
Nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het gehele ten laste gelegde, wordt geen straf of maatregel opgelegd.
Lees hier de volledige uitspraak.
