Witwassen en schadevergoeding: Hoge Raad verduidelijkt grenzen bij vordering van benadeelde partij
/Hoge Raad 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:38
Verdachte wordt veroordeeld voor schuldwitwassen van € 79.443,75, afkomstig uit oplichting via identiteitsmisbruik. De benadeelde partij krijgt volledige schadevergoeding toegewezen, inclusief wettelijke rente. Het hof oordeelt terecht dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het witwassen en dat de benadeelde partij zelf mag kiezen wie zij aanspreekt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Verzoek om vergoeding van proceskosten in cassatie wordt afgewezen vanwege het ontbreken van wettelijke grondslag.
Achtergrond
In deze zaak staat een verdachte terecht wegens schuldwitwassen van een geldbedrag van € 79.443,75. Het gerechtshof Den Haag heeft op 9 augustus 2023 bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018 in Den Haag een geldbedrag van in totaal € 79.443,75 voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Dit levert een strafbaar feit op als bedoeld in artikel 420quater lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht.
Het misdrijf houdt verband met een geval van oplichting en identiteitsmisbruik waarbij een cliënt van de coöperatie [benadeelde 1] U.A. ten onrechte een geldbedrag van bijna € 80.000 heeft overgemaakt naar een bankrekening die uiteindelijk aan de verdachte toebehoorde, in plaats van naar de juiste rekening van [benadeelde 1]. Het bedrag werd dus niet bevrijdend betaald aan de contractuele wederpartij. Deze schade was volgens [benadeelde 1] niet door een verzekering gedekt en is evenmin op andere wijze verhaald of gecompenseerd.
De verdachte is in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld voor het onder 4 ten laste gelegde feit. Hem is onder meer een taakstraf opgelegd van tachtig uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding volledig toegewezen, inclusief oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente vanaf 3 juli 2018. In cassatie is geklaagd over deze toewijzing en over de toekenning van proceskosten.
Middel
De verdediging heeft in cassatie onder meer betoogd dat het hof ten onrechte of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de benadeelde partij [benadeelde 1] schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. Ook is geklaagd over het oordeel dat het aan de benadeelde partij is om te bepalen welke partij zij aanspreekt ter vergoeding van schade. Daarnaast is verweer gevoerd tegen de toewijsbaarheid van de vordering op grond van het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde witwassen en de door [benadeelde 1] gestelde schade.
Voorts is geklaagd over de afwijzing van het verzoek van de benadeelde partij tot vergoeding van proceskosten in cassatie en in hoger beroep.
Beoordeling Hoge Raad
1. Toewijzing vordering benadeelde partij en het criterium van rechtstreeks causaal verband
De Hoge Raad herhaalt het uitgangspunt dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden, mits sprake is van voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). In deze context is relevant dat de schade voor vergoeding in aanmerking komt indien zij het gevolg is van onrechtmatige gedragingen van de verdachte en deze schade naar burgerlijk recht aan de verdachte kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).
Het hof heeft geoordeeld dat [benadeelde 1] voldoende heeft aangetoond dat zij schade heeft geleden ter hoogte van het toegewezen bedrag. Daarbij heeft het hof overwogen dat de benadeelde partij zelf mag bepalen welke partij zij aanspreekt voor schadevergoeding. De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd, mede gelet op de vaststelling dat de cliënt van [benadeelde 1] het geld niet opnieuw aan haar heeft betaald en dat geen sprake is van verzekeringstechnische dekking van de schade. Zelfs indien in de verhouding tussen [benadeelde 1] en haar contractuele wederpartij (de klant) de betaling aan de verdachte niet als bevrijdend geldt, staat dat een schadevordering jegens de verdachte niet zonder meer in de weg. De benadeelde partij heeft in strafrechtelijke zin schade geleden als gevolg van de gedragingen van de verdachte, die heeft beschikt over het geldbedrag dat aan haar toekwam.
De klacht van de verdediging dat het ontbreken van een rechtstreeks verband aan toewijzing van de vordering in de weg zou staan, faalt. De omstandigheden van het geval rechtvaardigen het oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde witwassen. De benadeelde partij is daardoor het aan haar toekomende geldbedrag kwijtgeraakt, hetgeen een rechtstreeks vermogensverlies oplevert.
2. Verzoek tot proceskostenvergoeding in cassatie en hoger beroep
De benadeelde partij heeft de Hoge Raad verzocht om de verdachte te veroordelen in de proceskosten die zijn gemaakt in het kader van de cassatieprocedure en het hoger beroep. De Hoge Raad overweegt dat het hof reeds heeft geoordeeld dat de verdachte gehouden is tot vergoeding van de gemaakte kosten die zien op de tenuitvoerlegging van het strafvonnis. Voor een afzonderlijke veroordeling in de kosten van de cassatieprocedure bestaat echter geen wettelijke grondslag. De Hoge Raad wijst het verzoek van de benadeelde partij daarom af.
3. Overschrijding van de redelijke termijn
Daarnaast is geklaagd over de duur van de cassatieprocedure. De Hoge Raad stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Deze termijn is geschonden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en doordat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Gezien de relatief geringe straf (een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van tachtig uur) acht de Hoge Raad het voldoende om vast te stellen dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Aan deze constatering wordt verder geen rechtsgevolg verbonden.
4. Overige klachten
Voor het overige heeft de Hoge Raad de ingediende cassatiemiddelen verworpen met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie. Dit betekent dat de klachten geen beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het beroep. De toewijzing van de vordering van de benadeelde partij blijft in stand. De schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel blijven eveneens in stand, evenals de beslissing over de proceskosten in hoger beroep. Alleen het verzoek tot kostenveroordeling in cassatie wordt afgewezen. De overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot enige sanctie, gelet op de aard van de opgelegde straf.
Lees hier de volledige uitspraak.
