Tenaamstelling verhult werkelijke eigenaar: schuldwitwassen door inschrijving auto op naam zoon

Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:79

Verdachte wordt veroordeeld voor schuldwitwassen omdat hij een Audi A4 op zijn naam liet zetten om te verhullen dat zijn failliete vader de werkelijke eigenaar was. Het hof acht niet bewezen dat verdachte de auto feitelijk heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar wel dat hij door de tenaamstelling de rechthebbende heeft verhuld. Die laatste gedraging volstaat voor een bewezenverklaring van schuldwitwassen op grond van artikel 420quater lid 1 onder b Sr. De motiveringsklacht over het bezit van de auto leidt daarom niet tot cassatie. De redelijke termijn is overschreden, maar daar wordt geen rechtsgevolg aan verbonden.

Achtergrond

In deze strafzaak is de verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1991, door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor schuldwitwassen als bedoeld in artikel 420quater, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht. De zaak betreft een Audi A4 die op naam van de verdachte is gesteld terwijl de werkelijke rechthebbende diens vader is, die ten tijde van de tenaamstelling verwikkeld is in een faillissementsprocedure. Volgens het hof heeft de verdachte de auto niet slechts voorhanden gehad, maar ook actief bijgedragen aan het verhullen van de werkelijke eigenaar van het voertuig, namelijk zijn vader.

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken, maar het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. Het hof acht bewezen dat de verdachte schuldig is aan schuldwitwassen door het voertuig op zijn naam te laten zetten, ondanks dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voertuig afkomstig was uit enig misdrijf, namelijk faillissementsfraude gepleegd door zijn vader. De verdachte heeft daarmee verhuld wie de rechthebbende was op het voertuig, wat volgens het hof een witwashandeling oplevert in de zin van artikel 420quater Sr.

Het hof legt geen straf of maatregel op, ondanks de bewezenverklaring en strafbaarheid van de verdachte.

Middel

Het enige cassatiemiddel richt zich op de motivering van de bewezenverklaring door het hof met betrekking tot het schuldwitwassen van de Audi A4. In het bijzonder wordt geklaagd dat de motivering van het hof onvoldoende is voor zover het hof oordeelt dat de verdachte het voertuig heeft verworven en voorhanden heeft gehad door enkel de tenaamstelling op zijn naam. Volgens de steller van het middel brengt het enkele feit dat een voertuig op iemands naam is gesteld, nog niet mee dat die persoon feitelijke beschikkingsmacht over het voertuig heeft. Daarmee zou de bewijsvoering van het hof onvoldoende gemotiveerd zijn voor wat betreft het verwerven of voorhanden hebben van het voertuig.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en volgt daarin de conclusie van de advocaat-generaal. Hoewel de Hoge Raad erkent dat het oordeel van het hof inzake het verwerven en voorhanden hebben van het voertuig ontoereikend is gemotiveerd, tast dit het oordeel over het schuldwitwassen niet in zijn geheel aan.

De Hoge Raad overweegt dat het hof niet alleen heeft geoordeeld dat de verdachte de auto heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk heeft verhuld wie de werkelijke rechthebbende op het voertuig was. Het hof heeft daartoe vastgesteld dat de verdachte op verzoek van zijn vader, die failliet was verklaard, het voertuig op zijn naam heeft laten zetten. Door dit te doen heeft de verdachte verhuld dat zijn vader rechthebbende bleef op de auto. Deze gedraging wordt terecht als een witwashandeling aangemerkt, en het oordeel van het hof dat sprake is van schuldwitwassen wordt in zoverre gedragen door de bewijsvoering.

De Hoge Raad benadrukt dat voor het aannemen van schuldwitwassen in de zin van artikel 420quater, eerste lid, onder b, Sr, niet vereist is dat de verdachte ook het voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, indien andere witwashandelingen bewezen zijn verklaard. In dit geval is sprake van een verhullingshandeling die zelfstandig de bewezenverklaring kan dragen.

Dat het oordeel van het hof omtrent het verwerven en voorhanden hebben van het voertuig ontoereikend is gemotiveerd, maakt de bewezenverklaring niet ondeugdelijk nu deze mede steunt op een ander aspect, namelijk de verhulling van de werkelijke gerechtigde. Het cassatiemiddel treft dan ook geen doel.

Ambtshalve beoordeling

De Hoge Raad merkt ambtshalve op dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens is overschreden. Meer dan twee jaar zijn verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak in cassatie. De Hoge Raad volstaat echter met de constatering van deze overschrijding en verbindt daaraan geen rechtsgevolg, mede gelet op het feit dat de verdachte wel strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd.

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Hoewel het oordeel van het hof over het verwerven en voorhanden hebben van de auto ontoereikend gemotiveerd is, blijft de bewezenverklaring in stand omdat ook is vastgesteld dat de verdachte opzettelijk heeft verhuld wie de werkelijke rechthebbende op het voertuig was. Dit laatste vormt een zelfstandige witwashandeling waarop het oordeel van het hof steunt. De redelijke termijn is overschreden, maar dat leidt in dit geval niet tot een verdergaand rechtsgevolg.

De uitspraak staat in samenhang met andere zaken, te weten 23/04826, 23/04870, 23/04893 en 23/04940, die allen betrekking lijken te hebben op hetzelfde feitencomplex rond de faillissementsfraude.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^