Beslag op bankrekening echtgenote opgeheven wegens ontbreken verhaalsfrustratie

Rechtbank Amsterdam 16 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10834

De Rechtbank Amsterdam oordeelt over een beklag tegen conservatoir derdenbeslag op een bankrekening van de echtgenote van een veroordeelde verdachte. Het Openbaar Ministerie legt beslag op grond van artikel 94a Sv in verband met een aangekondigde ontnemingsvordering en stelt dat sprake is van verhaalsfrustratie. Klaagster voert aan dat het beslagen bedrag afkomstig is uit de overwaarde van de gezamenlijke woning en haar eigendom is, mede gezien haar eigen investeringen en afspraken binnen het huwelijk. De rechtbank stelt vast dat de bankrekening uitsluitend op naam van klaagster staat en dat zij als rechthebbende moet worden aangemerkt.
Volgens de rechtbank bestaan onvoldoende aanwijzingen dat het geld aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel om verhaal door de Staat te bemoeilijken.

Context van de zaak

Deze zaak betreft een beklagprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. Klaagster is een natuurlijke persoon en de echtgenote van een man die in een omvangrijke strafzaak is veroordeeld wegens onder meer leiding geven aan een criminele organisatie, witwassen en valsheid in geschrift. Tegen die veroordeling loopt hoger beroep. In de strafzaak tegen de echtgenoot is door het Openbaar Ministerie een ontnemingsvordering aangekondigd ter hoogte van ruim 3,3 miljoen euro. In dat kader heeft het Openbaar Ministerie conservatoir beslag gelegd op diverse vermogensbestanddelen, waaronder een bankrekening die uitsluitend op naam van klaagster staat.

Aanleiding voor het beslag is de verkoop van de voormalige echtelijke woning in Amsterdam. Na verkoop van deze woning is een deel van de overwaarde, een bedrag van 61.700 euro, gestort op een bankrekening van klaagster bij de SNS Bank. Het Openbaar Ministerie beschouwt klaagster en haar echtgenoot als een economische eenheid en stelt zich op het standpunt dat dit bedrag feitelijk toebehoort aan de veroordeelde echtgenoot. Het beslag is gelegd als zogenoemd anderbeslag ex artikel 94a lid 4 Sv. Klaagster komt hiertegen op met een klaagschrift en verzoekt opheffing van het beslag, omdat het geld volgens haar haar eigendom is en geen sprake is van verhaalsfrustratie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het conservatoir beslag rechtmatig is gelegd en gehandhaafd moet blijven. Volgens de officier van justitie is voldaan aan de voorwaarden van artikel 94a Sv. Er is sprake van een veroordeling voor misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter in de ontnemingsprocedure een betalingsverplichting zal opleggen.

Ten aanzien van het anderbeslag voert het Openbaar Ministerie aan dat sprake is van verhaalsfrustratie. Een aanzienlijk deel van de overwaarde van de verkochte woning is gestort op een rekening van klaagster, terwijl slechts een relatief klein bedrag op de rekening van de veroordeelde echtgenoot is terechtgekomen. Volgens het Openbaar Ministerie is dit een aanwijzing dat vermogen bewust buiten bereik van justitie is gebracht. Daarbij wijst de officier van justitie erop dat de echtgenoot structureel de hypotheekrente en diverse notariskosten heeft voldaan en dat de geldstromen tussen de echtgenoten onoverzichtelijk zijn. Volgens het Openbaar Ministerie moet worden aangenomen dat het bedrag van 61.700 euro in werkelijkheid aan de veroordeelde toebehoort en dat klaagster wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de overdracht tot doel had de uitwinning van vermogen te bemoeilijken.

Standpunt van de verdediging

Namens klaagster is aangevoerd dat het geld op de SNS-rekening uitsluitend haar eigendom is. De rekening staat alleen op haar naam en zij ontvangt daarop haar eigen inkomen. Klaagster stelt dat zij een substantieel bedrag uit eigen middelen heeft geïnvesteerd in de aankoop van de woning. In een schriftelijke verklaring heeft zij uiteengezet dat zij ten minste 42.081,88 euro heeft bijgedragen aan de aanschaf van het pand. De betalingen van haar echtgenoot, zoals notariskosten, zijn volgens haar niet als bijdrage aan de daadwerkelijke aankoop aangemerkt.

Verder voert klaagster aan dat zij en haar echtgenoot sinds het begin van hun huwelijk altijd gescheiden bankrekeningen hebben gehad en dat er legitieme redenen waren om haar een groter deel van de overwaarde toe te kennen. Zij betaalde weliswaar geen hypotheekrente, maar droeg andere vaste lasten van het huishouden. Bovendien is afgesproken dat zij afzag van inkomsten uit verhuur van andere panden. Volgens klaagster is geen sprake van het wegsluizen van geld met het oog op het frustreren van verhaal door de Staat. Het beslag leidt tot ernstige financiële en praktische problemen binnen het gezin.

Subsidiair en meer subsidiair verzoekt de verdediging, indien de rechtbank van oordeel is dat het bedrag niet volledig aan klaagster toekomt, om het beslag gedeeltelijk op te heffen en uit te gaan van een verdeling van de overwaarde waarbij aan klaagster respectievelijk 50 procent dan wel 43 procent wordt toegerekend.

Standpunt van de belanghebbende

De veroordeelde echtgenoot onderschrijft in raadkamer het standpunt van klaagster. Hij licht toe dat zij eigen geld in de woning heeft geïnvesteerd en dat de gekozen verdeling van de overwaarde past binnen hun onderlinge afspraken. Volgens hem is geen sprake van een kunstmatige constructie of van het opzettelijk frustreren van verhaalsmogelijkheden van het Openbaar Ministerie.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de beklagprocedure een summier karakter heeft en dat zij niet ten gronde treedt in de uitkomst van een eventuele ontnemingsprocedure. Vaststaat dat is voldaan aan de algemene voorwaarden voor conservatoir beslag ex artikel 94a Sv. De kernvraag is echter of het beslag onder klaagster kan worden gerechtvaardigd als anderbeslag.

De rechtbank oordeelt dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat klaagster als rekeninghouder moet worden aangemerkt als eigenaar van het bedrag van 61.700 euro. De rekening staat uitsluitend op haar naam. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of is voldaan aan de vereisten van artikel 94a lid 4 Sv, te weten het bestaan van verhaalsfrustratie en wetenschap daarvan bij klaagster.

Volgens de rechtbank bestaan onvoldoende aanwijzingen dat het bedrag aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel om uitwinning door de Staat te bemoeilijken of te verhinderen. De door klaagster en haar echtgenoot gegeven verklaring voor de verdeling van de overwaarde acht de rechtbank op het eerste gezicht niet onaannemelijk. Het Openbaar Ministerie heeft deze verklaring onvoldoende concreet weersproken. De enkele stelling dat geldstromen onoverzichtelijk zijn, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Evenmin is aannemelijk geworden dat klaagster wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat sprake was van verhaalsfrustratie.

Beslissing

De rechtbank stelt vast dat niet aannemelijk is geworden dat het bedrag van 61.700 euro aan klaagster is gaan toebehoren met het oogmerk van verhaalsfrustratie en dat daarmee niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor anderbeslag.

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en heft het conservatoir beslag op de SNS-bankrekening van klaagster tot een bedrag van 61.700 euro op.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^