Vrijspraak in vier samenhangende zaken van overtreding van de zorgplicht van de vervoerder (artikel 4 Vreemdelingenwet 2000) bij niet-visumplichtige derdelanders met verstreken vrije termijn
/Het gerechtshof 's-Hertogenbosch spreekt op 21 juli 2026 in vier samenhangende zaken een vervoerder vrij van overtreding van de zorgplicht uit artikel 4 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000. In alle zaken vervoert de vervoerder per vliegtuig een niet-visumplichtige derdelander van London Stansted naar Eindhoven, van wie bij de grenscontrole blijkt dat de vrije termijn van negentig dagen binnen honderdtachtig dagen is verstreken. Het hof oordeelt dat de zorgplicht van de vervoerder niet zo ver reikt dat aan de hand van stempels in het reisdocument moet worden gecontroleerd of eerder verblijf in het Schengengebied tot overschrijding van de vrije termijn heeft geleid. Die controle gaat verder dan het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd. Het hof leidt dit onder meer af uit de destijds geldende Vreemdelingencirculaire 2000, waarin stempelcontrole niet was opgenomen, en uit de wijziging van die circulaire per 12 oktober 2025 in verband met het inreis-uitreissysteem. In drie zaken vordert het Openbaar Ministerie bewezenverklaring en een geldboete, in de vierde zaak vordert het zelf vrijspraak.
Inleiding en context
De meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch doet op 21 juli 2026 in vier zaken uitspraak, telkens op tegenspraak ex artikel 279 Sv. Het gaat in alle vier de zaken om hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 25 september 2025. De verdachte is telkens een vervoerder, een rechtspersoon. In eerste aanleg is de vervoerder in elk van de vier zaken veroordeeld tot een geldboete van € 4.200 wegens overtreding van artikel 4 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen die vonnissen is telkens hoger beroep ingesteld.
Het feitencomplex is in de vier zaken gelijk van opzet. De vervoerder brengt per vliegtuig vanaf London Stansted Airport in het Verenigd Koninkrijk een vreemdeling naar Eindhoven Airport. Bij de grenscontrole van het Schengengebied wil deze vreemdeling, een derdelander met de nationaliteit van een land waarvan de onderdanen niet visumplichtig zijn, inreizen, terwijl zijn vrije termijn is verstreken. De vreemdeling heeft in de direct daaraan voorafgaande periode van honderdtachtig dagen meer dan negentig dagen in het Schengengebied verbleven. De zaken verschillen in de datum van het tenlastegelegde feit en in het parketnummer in eerste aanleg. In ECLI:NL:GHSHE:2026:2252 gaat het om 8 november 2023 (parketnummer 01-335533-24), in ECLI:NL:GHSHE:2026:2253 om 18 februari 2024 (01-335592-24), in ECLI:NL:GHSHE:2026:2254 om 26 mei 2024 (01-409172-24) en in ECLI:NL:GHSHE:2026:2255 om 26 april 2024 (01-133725-25).
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan de vervoerder wordt in alle vier de zaken verweten dat hij als vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van hem kon worden gevorderd om te voorkomen dat de vreemdeling niet voldeed aan artikel 6 lid 1 onder b van de Schengengrenscode of artikel 3 lid 1 onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of de vreemdeling in het bezit was van een geldig grensoverschrijdingsdocument en een geldig visum.
Het verwijt is gebaseerd op artikel 4 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000. Het hof betrekt daarbij artikel 3 lid 1 onder a van de Vreemdelingenwet 2000, artikel 6 van de Schengengrenscode (Verordening (EU) 2016/399), de artikelen 5, 20 en 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, paragraaf A1/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en de EES-verordening (Verordening (EU) 2017/2226), in het bijzonder artikel 13 over de webdienst en artikel 22 over de overgangsperiode. De tenlastelegging en het wettelijk kader zijn in de vier zaken identiek; alleen de pleegdatum verschilt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Op dit onderdeel lopen de zaken uiteen. In ECLI:NL:GHSHE:2026:2253, ECLI:NL:GHSHE:2026:2254 en ECLI:NL:GHSHE:2026:2255 vordert de advocaat-generaal dat het hof het vonnis vernietigt, het tenlastegelegde bewezen verklaart en de vervoerder veroordeelt tot een geldboete van € 4.200.
In ECLI:NL:GHSHE:2026:2252 vordert de advocaat-generaal juist vrijspraak. De grond daarvoor is dat de afbeeldingen van het paspoort met de stempels van de vreemdeling zich niet in het dossier bevinden, waardoor de eventuele visumplicht niet is vast te stellen.
Standpunt van de verdediging
In alle vier de zaken bepleit de raadsman van de vervoerder vrijspraak, telkens op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota. De arresten geven de inhoud van die pleitnota's niet weer.
Oordeel gerecht
In alle vier de zaken vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep. De kantonrechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, terwijl het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 Sv.
Het hof stelt in elke zaak eerst het feitencomplex vast en begrijpt de tenlastelegging aldus dat de vervoerder wordt verweten dat hij bij vertrek uit het Verenigd Koninkrijk het reisdocument onvoldoende heeft gecontroleerd, waaruit zou blijken dat de vrije termijn al bij de voorgenomen inreis was verstreken. De vraag is of de vervoerder de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden.
Het hof zet het juridisch kader uiteen. De zorgplicht van artikel 4 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 legt de vervoerder een inspanningsverplichting op. De maatregelen die de vervoerder moet nemen, staan in A1/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en houden minimaal een controle van de juistheid en geldigheid van het reisdocument en de benodigde visa in. Voor een veroordeling is nalatigheid van de vervoerder vereist. Die nalatigheid mag worden verondersteld wanneer door tussenkomst van een vervoerder een vreemdeling onjuist gedocumenteerd, dat wil zeggen zonder het vereiste visum, Nederland wordt binnengebracht, tenzij bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel leiden. Het hof verwijst daarvoor naar HR 11 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6456, NJ 2002/373, herhaald in HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:40. Het hof beschrijft verder dat niet-visumplichtige derdelanders zich ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden vrij mogen verplaatsen, en dat met de EES-verordening een inreis-uitreissysteem is ingesteld dat de handmatige stempeling van paspoorten vervangt en waarvan de feitelijke werking op 12 oktober 2025 is ingegaan.
Het hof concludeert in alle vier de zaken dat de zorgplicht van de vervoerder niet zo ver reikt dat bij niet-visumplichtige derdelanders aan de hand van de stempels in een reisdocument moet worden gecontroleerd of eerder verblijf in het Schengengebied in de laatste honderdtachtig dagen ertoe leidt dat de vrije termijn is verstreken en de inreis om die reden niet is toegestaan. Die controle gaat verder dan het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000. Het hof leidt dit ook af uit het gegeven dat stempelcontrole in de destijds geldende Vreemdelingencirculaire 2000 niet was opgenomen in de opsomming van zaken die de vervoerder ten minste moest controleren, en uit de wijziging van die circulaire per 12 oktober 2025, waarbij is toegevoegd dat de vervoerder via de EES-webdienst (artikel 13 EES-verordening) gegevens verstrekt om na te gaan of houders van een visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten het toegestane aantal binnenkomsten hebben opgebruikt. Het hof wijst daarnaast op de overgangsbepaling van artikel 22 van de EES-verordening, op grond waarvan gedurende de eerste honderdtachtig dagen na invoering van de webdienst de bevoegde grensautoriteiten, en niet de vervoerders, de stempels in de paspoorten blijven controleren. Daaruit begrijpt het hof dat de vervoerder pas thans, anders dan ten tijde van het tenlastegelegde, via raadpleging van de webdienst een rol heeft gekregen bij deze controle en dat die controle past bij het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd.
Het hof concludeert in elke zaak dat de vervoerder de zorgplicht van artikel 4 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 niet heeft geschonden en spreekt de vervoerder vrij. De motivering is in de vier arresten gelijkluidend. In ECLI:NL:GHSHE:2026:2252 komt het hof tot dezelfde vrijspraak, maar op andere grond dan de advocaat-generaal, die de vrijspraak baseerde op het ontbreken van de paspoortafbeeldingen in het dossier.
Lees hier de volledige uitspraken: ECLI:NL:GHSHE:2026:2252, ECLI:NL:GHSHE:2026:2253, ECLI:NL:GHSHE:2026:2254 en ECLI:NL:GHSHE:2026:2255.
